Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:856

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/291, 19/1488, 19/1664 en 19/1677
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Startersregeling van toepassing. Vleesvee telt mee bij maandgemiddelde. Individuele en buitensporige last niet aannemelijk gemaakt, want geen aantoonbare bedrijfseconomische noodzaak voor het omschakelen van vleesvee naar melkvee.

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/291, 19/1488, 19/1664 en 19/1677

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2020 in de zaken tussen

[naam 1] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. S.J.E. Loontjens en mr. G.H.T. Heusschen).

Procesverloop

Bij besluiten van 24 maart 2018 en 31 maart 2018 (de primaire besluiten 1 en 2) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan de Maatschap [naam 2] , waarvan appellant een van de maten was, heffingen opgelegd van € 39.086,- voor periode 1 en van € 40.973,- voor periode 2.

Bij besluiten van 7 april 2018, 14 april 2018 en 21 april 2018 (de primaire besluiten 3, 4 en met 5) heeft verweerder aan appellant heffingen opgelegd van € 38.995,- voor periode 3, van € 39.845,- voor periode 4 en van € 41.131,- voor periode 5.

Bij besluit van 24 december 2018 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten 1 tot en met 5 ongegrond verklaard, maar ambtshalve aanleiding gezien de heffingen te verlagen naar € 10.848,- voor periode 1, € 12.734,40 voor periode 2, € 10.756,80 voor periode 3, € 11.606,40 voor periode 4 en € 12.892,80 voor periode 5.

Bij besluiten van 23 februari 2019 (primair besluit 6, periode 1 en 2) en 23 maart 2019 (primair besluit 7, periode 3, 4 en 5) heeft verweerder de bedragen, genoemd in het bestreden besluit 1, afgerond op hele bedragen.

Bij besluit van 4 juli 2019 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen primair besluit 6 ongegrond verklaard, maar ambtshalve aanleiding gezien de heffingen te verlagen naar € 10.420,80 voor periode 1 en € 12.307,20 voor periode 2.

Bij besluit van 27 juli 2019 (primair besluit 8) heeft verweerder de bedragen, genoemd in het bestreden besluit 2, afgerond op hele bedragen.

Bij besluit van 4 september 2019 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen primair besluit 7 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 september 2019 (het bestreden besluit 4) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen primair besluit 8 ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 4.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2020. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de vijf periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum). Het referentieaantal is het aantal op de peildatum geregistreerde runderen in het Identificatie- en Registratiesysteem (I&R-systeem), verminderd met 4% – met uitzondering van grondgebonden bedrijven – en omgerekend naar grootvee-eenheden (GVE).

  2. In artikel 12, tweede lid, van de Regeling is een voorziening opgenomen voor knelgevallen, te weten melkveebedrijven die door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen, een lager referentieaantal hebben dan in normale omstandigheden het geval zou zijn. Op verzoek van de melkveehouder kan verweerder het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal GVE dat vóór de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd. Daarvoor geldt onder andere als voorwaarde dat de melkveehouder aantoont dat het referentieaantal als gevolg van de buitengewone omstandigheden minimaal 5% lager is.
    De per 1 januari 2018 geldende fosfaatrechtenregeling kent in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, na een advies van de Commissie knelgevallen fosfaatrechten (bijlage bij Kamerstukken II, 2016–2017, 34 532, nr. 100, p. 8), een aanvullend knelgeval, namelijk nieuw gestarte bedrijven (startersregeling). Dit artikel maakt, indien aan een cumulatief aantal voorwaarden is voldaan, een compensatie mogelijk van 50% van het verschil tussen de feitelijke melkveebezetting op de peildatum en de op die datum aanwezige stalcapaciteit. Voor de toepassing van de Regeling erkent verweerder deze situatie eveneens als knelgeval, zonder dat de Regeling zelf hierop is aangepast (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 037, nr. 223).

  3. De broers [naam 2] vormden met hun vader [naam 3] een maatschap die een vleesveehouderij exploiteerde. In 2013 kon hun vader wegens medische problemen niet meer actief bijdragen aan de bedrijfsvoering. Op 18 januari 2015 is hun vader overleden. Vanaf februari 2015 hebben de broers (de Maatschap) stappen ondernomen om het bedrijf om te schakelen naar een melkveehouderij. Zij wilden daarvoor de oude stal voor vleeskoeien slopen en een nieuwe stal bouwen voor melkkoeien. Bij besluit van 13 augustus 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland de Maatschap een vergunning verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw-vergunning) voor het houden van 120 melkkoeien en 100 stuks jongvee. Bij besluit van 9 september 2015 heeft de Omgevingsdienst Rivierenland een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuwe ligboxenstal.
    Op 1 juni 2017 is de Maatschap gestaakt met het exploiteren van het bedrijf en is het bedrijf overgedragen aan appellant.

  4. Op de peildatum hield de Maatschap 1 melkkoe en 87 stuks jongvee, wat, na toepassing van de korting van 4%, neerkomt op 35,15 GVE. Daarnaast beschikte de Maatschap op de peildatum over een oude stal met een stalcapaciteit voor 100 stuks jongvee.
    Omdat de Maatschap en appellant in de periodes 1 tot en met 5 meer GVE hielden dan op de peildatum, heeft verweerder bij de primaire besluiten 1 tot en met 5 heffingen opgelegd.

  5. Appellant heeft verweerder verzocht om met toepassing van de knelgevallenregeling het referentieaantal vast te stellen op het aantal dieren dat op 1 juni 2014 aanwezig was, omdat de medische problemen van zijn vader vanaf toen zo ernstig werden dat de veestapel werd gereduceerd tot 3 stuks. Tijdens het ziekbed van zijn vader is het bedrijf niet gegroeid. Na het overlijden van zijn vader is begonnen met de omschakeling naar een melkveebedrijf, maar de beoogde dieraantallen waren op de peildatum nog niet aanwezig in verband met de sloop en bouw van stallen, aldus appellant.

  6. Verweerder heeft het verzoek om toepassing van de knelgevallenregeling afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de 5%voorwaarde. Wel heeft verweerder bij de bestreden besluiten 1 en 2 de startersregeling toegepast en het referentieaantal aangepast naar 97,90 GVE voor de periodes 3, 4 en 5 en naar 98,82 GVE voor de periodes 1 en 2. De bij de primaire besluiten 1 tot en met 5 opgelegde heffingen zijn dienovereenkomstig verlaagd. Bij de bestreden besluiten 3 en 4 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat toch niet wordt voldaan aan de voorwaarden om als nieuw gestart bedrijf te worden aangemerkt. Verweerder heeft de heffingen echter niet aangepast.

Beoordeling van het beroep

7. Appellant heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 4. Ter zitting is besproken dat bestreden besluit 3 de laatste stand van zaken weergeeft over de periodes 3, 4 en 5, en bestreden besluit 4 over de periodes 1 en 2. De gronden die appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 heeft aangevoerd, zijn dezelfde als die hij tegen de bestreden besluiten 3 en 4 aanvoert. Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover van belang, dat het beroep tegen een oorspronkelijk besluit van rechtswege mede betrekking heeft op een gewijzigd besluit. De bestreden besluiten 3 en 4 zijn besluiten waarover het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 zich ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede uitstrekt. Het College zal de beroepsgronden van appellant beoordelen in het kader van de vraag of de bestreden besluiten 3 en 4, die dus de laatste stand van zaken weergeven, rechtens juist zijn. Gesteld, noch gebleken is dat appellant nog belang heeft bij beoordeling van de beroepen tegen de aldus achterhaalde bestreden besluiten 1 en 2, en daarom zal het College die beroepen niet-ontvankelijk verklaren.

8. Appellant betoogt dat het bedrijf in de bestreden besluiten 3 en 4 ten onrechte niet is aangemerkt als nieuw gestart bedrijf en dat de eerdere berekeningen van de heffingen, die verweerder bij die besluiten in stand heeft gelaten, onjuist zijn. Volgens appellant heeft verweerder het referentieaantal ten onrechte met 4% gekort en is verweerder ten onrechte uitgegaan van een verdeling van 60% pinken en 40% kalveren. Daarnaast is hij het er niet mee eens dat verweerder voor de periodes 1 en 2 een ander referentieaantal hanteert dan voor de periodes 3, 4 en 5.
Appellant betoogt daarnaast dat verweerder bij het vaststellen van het referentieaantal ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ziekte en het overlijden van zijn vader, als gevolg waarvan de uitbreiding van het melkveebedrijf vertraging heeft opgelopen. Hij meent dat verweerder bij de toepassing van de 5%-voorwaarde van artikel 12, tweede lid, van de Regeling ook de mannelijke runderen die in het verleden op het bedrijf aanwezig waren, had moeten meetellen.

8.1.

Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting erkend dat het bedrijf als nieuw gestart bedrijf moet worden aangemerkt. Het betoog slaagt in zoverre.
Dit betekent dat aan het betoog over de knelgevallenregeling van artikel 12, tweede lid, van de Regeling niet wordt toegekomen, aangezien die bepaling op bestaande bedrijven ziet.

8.2.

Op grond van de startersregeling wordt het referentieaantal bepaald door het feitelijk op de peildatum aanwezige GVE te verhogen met 50% van het verschil tussen het feitelijk aanwezige GVE en de op de peildatum aanwezige stalcapaciteit, uitgedrukt in GVE.
Verweerder heeft in het verweerschrift uiteengezet dat op de peildatum feitelijk 36,61 GVE aanwezig waren (zonder toepassing van de korting van 4%). Op de peildatum was de oude stal voor vleeskoeien gesloopt en de nieuwe stal voor melkkoeien nog niet gebouwd. De stalcapaciteit bestond volgens verweerder daarom alleen uit de bestaande stal voor 100 stuks jongvee. Uitgaande van een verdeling van 60% pinken en 40% kalveren, is de stalcapaciteit 41 GVE. Op grond van de startersregeling zou het referentieaantal moeten worden verhoogd met 2,20 GVE en uitkomen op 38,82 GVE. Omdat het bedrijf niet grondgebonden is, dient daar vervolgens een korting van 4% op de worden toegepast.
Bij de primaire besluiten 7en 8 is verweerder met toepassing van de startersregeling uitgegaan van een ander, aanzienlijk hoger aantal GVE, namelijk 97,90 GVE voor de periodes 3, 4 en 5 en 98,82 GVE voor de periodes 1 en 2. Verweerder heeft in het verweerschrift uiteengezet dat bij die besluiten ten onrechte niet is uitgegaan van de op de peildatum aanwezige stalcapaciteit, maar van het vergunde aantal dieren (120 melkkoeien en 100 stuks jongvee). Uitgaande van het juiste, lagere aantal GVE zouden de heffingen aanzienlijk hoger zijn. Omdat appellant door het maken van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan als hij geen bezwaar zou hebben gemaakt, heeft verweerder de heffingen niet ten nadele van appellant gewijzigd.

8.3.

Het College stelt vast dat appellant de berekeningen van verweerder niet heeft bestreden en gaat daarom uit van de juistheid daarvan. Verweerder heeft zich eveneens met juistheid op het standpunt gesteld dat, ook als zou worden uitgegaan van het voor de vaststelling van het GVE meest gunstige scenario van 100% pinken in plaats van een verdeling van 60% pinken en 40% kalveren, het aantal GVE nog steeds aanzienlijk lager zal zijn dan het aantal GVE dat in de primaire besluiten 7 en 8 is vastgesteld. Het baat appellant dus niet om een andere verdeling te maken. Verweerder heeft zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat, omdat appellant er al voordeel van heeft dat het aantal GVE voor de periodes 3, 4 en 5 te hoog is vastgesteld, dat aantal niet nog verder hoeft te worden verhoogd naar het, eveneens te hoog vastgestelde, aantal GVE voor de periodes 1 en 2.
Het betoog faalt in zoverre.

9. Appellant betoogt verder dat verweerder bij de vaststelling van de maandgemiddelden ten onrechte de zoogkoeien en het jongvee dat de bestemming vleesvee heeft, heeft meegeteld.

9.1.

Artikel 1, eerste lid, van de Regeling luidt:
“In deze regeling wordt verstaan onder:
a. houder: houder als bedoeld in artikel 1 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren [= eigenaar, houder of hoeder] van runderen, die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking;
b. […];
c. rund: vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar, vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd of rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd, waarbij onder rund wordt verstaan een dier als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, met uitzondering van runderen die behoren tot de soorten Bison bison en Bubalus bubalus, en dat is geregistreerd in het I&R‑systeem;
d-l. […].”

9.2.

Uit de toelichting behorende bij de wijziging van de Regeling op 28 april 2017 (Stcrt. 2017, 25117) blijkt dat de Regeling van toepassing is op alle melkproducerende bedrijven. Het bedrijf van appellant wordt gevormd door zowel de melkvee- als de vleesveetak en beide bedrijfstakken vallen daarmee onder de reikwijdte van de Regeling. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat alle dieren die zich op het bedrijf van appellant bevinden en voldoen aan de definitie van artikel 1, eerste lid, onder c, van de Regeling, daarom als rund in de zin van de Regeling moeten worden aangemerkt. De door appellant op het bedrijf gehouden zoogkoeien en vrouwelijke runderen met een vleesbestemming vallen ook onder deze definitie. Verweerder heeft deze runderen daarom terecht meegeteld bij de berekening van de maandgemiddelden (vergelijk de uitspraak van het College van 30 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:429).
Het betoog faalt.

10. Appellant betoogt verder dat hij als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling – in het bijzonder door geen rekening te houden met de beoogde dieraantallen – een individuele en buitensporige last te dragen heeft, zodat sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). De ziekte van zijn vader, waardoor er eerst veel reductie in vleesvee heeft plaatsgevonden en vervolgens een nieuw melkveebedrijf moest worden opgestart, heeft er volgens hem aan bijgedragen dat hij disproportioneel wordt geraakt in vergelijking met andere melkveehouders. Hij is onomkeerbare investeringsverplichtingen aangegaan, die hij nu niet kan terugverdienen. De bedrijfscontinuïteit staat op het spel en de financiële problemen hebben geleid tot privé- en geestelijke problemen, aldus appellant.

10.1.

Bij uitspraak van 26 mei 2020, ECLI:NL:CBB:2020:350, heeft het College overwogen dat de vaststelling van het referentieaantal een inbreuk vormt op het eigendomsrecht zoals neergelegd in artikel 1 van het EP. De last die de individuele melkveehouder te dragen heeft bestaat, naast de opgelegde heffingen, uit een beperking van de bedrijfsvoering, omdat het hem niet vrijstaat zijn melkveebedrijf voort te zetten of uit te breiden op een zelfgekozen wijze zonder dat daarvoor heffingen worden opgelegd.
Het College heeft onder meer in zijn uitspraak van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:419, geoordeeld dat de Regeling als zodanig niet in strijd is met artikel 1 van het EP, hetgeen de mogelijkheid openlaat dat zij in een individueel geval leidt tot een met dat artikel strijdige buitensporige last. Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan. Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum per 1 april 2015 en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren (vergelijk de uitspraak van het College in het fosfaatrechtenstelsel van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291).

10.2.

Dat appellant en zijn broer pas in het voorjaar van 2015, na het overlijden van hun vader, weer met de bedrijfsvoering zijn gestart, heeft verweerder begrijpelijk geacht. Appellant heeft tijdens de hoorzitting van 12 september 2019 te kennen gegeven dat het vleesveebedrijf voor de ziekte van de vader een gezond bedrijf was en dat de keuze om om te schakelen naar melkvee was gemaakt omdat met melkvee meer was te verdienen. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat dit een bewuste bedrijfskeuze was, die binnen de eigen invloedsfeer van appellant valt en dat appellant geen bedrijfseconomische noodzaak heeft aangetoond voor het omschakelen van vleesvee naar melkvee. Het bedrijf van appellant was naast omschakeling ook gericht op uitbreiding en ook voor hem geldt daarom dat hij rekening moest houden met de mogelijkheid dat na de afschaffing van het melkquotum productiebeperkende maatregelen zouden volgen.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat het bedrijf van appellant niet individueel afwijkend is ten opzichte van andere melkveehouders die in aanloop naar het afschaffen van het melkquotum hun bedrijf wilden laten groeien, welke uitbreiding op de peildatum nog niet was verwezenlijkt waardoor zij geconfronteerd worden met latente stalruimte en onomkeerbare financiële verplichtingen. Daarbij komt dat appellant pas na de peildatum beschikte over een Nbw‑vergunning voor het houden van de beoogde dieraantallen.
Het College begrijpt dat appellant financieel stevig wordt geraakt door de tenuitvoerlegging van de Regeling. Gezien het moment waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een noodzaak voor het doen van die investeringen, moeten de gevolgen van deze investeringsbeslissingen echter voor risico van appellante blijven.
De conclusie is dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling een individuele en buitensporige last te dragen heeft die verweerder had moeten nopen tot compensatie. Overigens is appellant al gedeeltelijk gecompenseerd door het niet herzien van de verlaagde heffingen bij de primaire besluiten 7 en 8, waardoor het bedrijf meer kon groeien dan op grond van de Regeling was toegestaan.
Het betoog faalt.

11. Appellant betoogt ten slotte dat verweerder de heffing over periode 2 (mei en juni) ten onrechte heeft opgelegd aan de Maatschap, aangezien het bedrijf op 1 juni 2017 is overgedragen van de Maatschap naar hem.

11.1.

De Maatschap en appellant hebben op 28 augustus 2017 een formulier ‘Melding overdracht of beëindiging agrarisch bedrijf’ ondertekend, waarin zij hebben vermeld dat het bedrijf per 1 juni 2017 is overgedragen van de Maatschap naar [naam 1] . Verweerder heeft dat formulier op 4 september ontvangen.
Uit artikel 12, eerste en derde lid, van de Regeling volgt dat appellant, om te bewerkstelligen dat het referentieaantal hetzelfde zou blijven, uiterlijk een maand later, derhalve op 1 juli 2017, melding had moeten maken van de bedrijfsoverdracht. Appellant heeft de bedrijfsoverdracht dus te laat gemeld (vergelijk de uitspraak van het College van 7 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:441). Verweerder heeft uiteengezet dat dit tot gevolg heeft dat de bedrijfsoverdracht voor de Regeling niet vanaf 1 juni 2017 kon worden verwerkt, maar pas op 28 juli 2017, omdat er terug wordt gekeken tot 35 dagen voor het indienen van het formulier.
Gelet hierop bestond er voor verweerder geen aanleiding het besluit over periode 2 niet te richten aan de Maatschap.
Het betoog faalt. Daarbij zij opgemerkt dat, zoals verweerder ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, indien de heffing niet aan de Maatschap zou zijn opgelegd, deze aan appellant zou zijn opgelegd. Hij zou bij het slagen van zijn betoog op dit punt daarom niet in een gunstiger positie zijn gekomen.

Slotsom

12. De beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 zijn niet‑ontvankelijk.

12. De beroepen tegen de bestreden besluiten 3 en 4 zijn, nu verweerder daarbij ten onrechte de startersregeling niet heeft toegepast, gegrond. Nu die besluiten een juiste wettelijke grondslag ontberen hetgeen gevolgen kan hebben voor de hoogte van de heffingen, ziet het College geen aanleiding dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, maar dienen die besluiten te worden vernietigd. Omdat verweerder in dit geval bij correcte toepassing van de juiste grondslag – de startersregeling – tot hogere heffingen zou moeten komen dan bij de vernietigde besluiten zijn opgelegd, hetgeen nadelig is voor appellant, ziet het College aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Dat betekent dat de heffingen zoals opgelegd bij die besluiten niet worden gewijzigd.

12. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Wel dient verweerder het door appellant betaalde griffierecht voor alle zaaknummers aan hem te vergoeden.

Beslissing

Het College

  • -

    verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 niet‑ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 3 en 4 gegrond;

  • -

    vernietigt die besluiten;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 684,- aan appellant dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.M. Polak in aanwezigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. A.G. de Vries-Biharie