Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:854

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/73
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De bewijslast dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt, ligt bij appellante. Appellante heeft daaraan niet voldaan nu zij in beroep alleen heeft aangevoerd dát er sprake is van een zodanige individuele en buitensporige last en heeft verwezen naar hetgeen zij in bezwaar heeft uiteengezet. Appellante heeft daarbij niet onderbouwd in welk opzicht verweerders motivering in het bestreden besluit ontoereikend is. Gelet daarop faalt bovendien de beroepsgrond dat het bestreden besluit op dat punt onvoldoende is gemotiveerd. Van een motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar kan pas sprake zijn als minimaal een begin van een argumentatie is verschaft waarom de in dat besluit gegeven motivering onjuist zou zijn.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/73

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Meijer).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 26 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante is een vennootschap onder firma en exploiteert een melkveehouderij. Op 1 april 2012 hield zij 156 melk- en kalfkoeien en 133 stuks jongvee op het bedrijf. Vanaf januari 2015 heeft appellante voorbereidingen getroffen voor de nieuwbouw van een ligboxenstal met onder andere een tanklokaal, grote melktank en extra ruwvoeropslag. Appellante was voornemens uit te breiden naar 240 melk- en kalfkoeien en 120 stuks jongvee. In juni 2015 is appellante begonnen met bouw van de nieuwe ligboxenstal. Op 2 juli 2015 hield appellante 185 melk- en kalfkoeien en 136 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 10.209 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

4.1

Appellante heeft aangevoerd dat artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn geen grondslag kan bieden voor de invoering van het fosfaatrechtenstelsel, omdat het stelsel niet noodzakelijk is om de doelstellingen uit die richtlijn te behalen. Onder verwijzing naar vooral parlementaire geschiedenis, betoogt appellante dat zich geen noodzaak tot aanvullende maatregelen voordoet.

4.2

Voor zover de noodzaak tot aanvullende maatregelen wel aanwezig is, betoogt appellante dat het fosfaatrechtenstelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert, omdat klaarblijkelijk niet aan de EU‑nitraatnorm van 50 mg/l wordt voldaan

4.3

Verder voert appellante aan dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP en van een individuele en buitensporige last. Het bestreden besluit is op dat punt onvoldoende gemotiveerd. Appellante heeft fors geïnvesteerd en ondervindt groot financieel nadeel omdat zij op 2 juli 2015 nog niet de beoogde dieraantallen had bereikt. Het bedrijf lijdt grote schade, hetgeen voldoende in bezwaar is uiteengezet. De last is zonder enige twijfel buitensporig voor het bedrijf.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich onder verwijzing naar uitspraken van het College op het standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met de Nitraatrichtlijn en dat geen sprake is van ongeoorloofde staatsteun.

5.2

Verder betwist verweerder dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Er doen zich volgens verweerder in het geval van appellante geen bijzondere omstandigheden voor die maken dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Verweerder benadrukt dat het fosfaatrechtenstelsel voorzienbaar was.

Beoordeling

6.1

Het betoog dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun faalt. Het College verwijst naar zijn eerdere uitspraken hierover, bijvoorbeeld van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) en 26 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:615).

6.2

De bewijslast dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt, ligt bij appellante. Appellante heeft daaraan niet voldaan nu zij in beroep alleen heeft aangevoerd dát er sprake is van een zodanige individuele en buitensporige last en heeft verwezen naar hetgeen zij in bezwaar heeft uiteengezet. Appellante heeft daarbij niet onderbouwd in welk opzicht verweerders motivering in het bestreden besluit ontoereikend is. Gelet daarop faalt bovendien de beroepsgrond dat het bestreden besluit op dat punt onvoldoende is gemotiveerd. Van een motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar kan pas sprake zijn als minimaal een begin van een argumentatie is verschaft waarom de in dat besluit gegeven motivering onjuist zou zijn.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.