Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:853

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet: artikel 23, derde en zesde lid

Diergezondheidsproblemen als de mastitis bij de melkkoeien van appellante vormen een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Verweerder heeft het beroep op de knelgevallenregeling echter terecht afgewezen, omdat het aantal fosfaatrechten dat op 2 juli 2015 aan appellante is toegekend, niet minimaal vijf procent lager was dan zonder de bijzondere omstandigheid het geval zou zijn geweest.

De alternatieve peildatum is een datum die de situatie op het bedrijf weergeeft vóór het intreden van de bijzondere omstandigheid. Indien, zoals in het geval van appellante, de diergezondheidsproblemen van invloed zijn geweest op zowel de melkproductie als op de dieraantallen op haar bedrijf, geven in beginsel de dieraantallen en de melkproductie voorafgaand aan de alternatieve peildatum de reguliere situatie van het bedrijf weer. Met deze reguliere situatie wordt de bedrijfssituatie op 2 juli 2015 vergeleken. Het College is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval aanleiding bestaat om uit te gaan van de dieraantallen op 2 juli 2015 in plaats van die op 11 september 2011. De beroepsgrond faalt dan ook.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/538

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , appellante

(gemachtigde: J. Mol MSc)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Stockmann en mr. M. Leegsma).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 14 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht verhoogd.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2020. Namens appellante is verschenen [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Indien een landbouwer voor een datum die bij ministeriele regeling wordt vastgesteld, meldt en aantoont dat het krachtens het derde lid op het bedrijf rustende fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, wordt ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw het fosfaatrecht door de minister bepaald aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt.

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante, een vennootschap onder firma, exploiteert een melkveebedrijf in het buitengebied van [plaats 1] . Aanvankelijk had zij ook een locatie in [plaats 2] .

2.2

Appellante is in 2010/2011 begonnen met de bouw van een nieuwe stal. Het eerste stalgedeelte is op 11 november 2011 opgeleverd, waarna de koeien van de locatie [plaats 2] als eerste zijn verhuisd naar de nieuwe stal. De koeien uit de oude stal in [plaats 1] zijn medio december 2011 naar de nieuwe stal verhuisd. Bij de ingebruikname van de nieuwe stal is appellante overgestapt van een Lely melkrobot naar drie BouMatic melkrobots. Na problemen met de nieuwe melkrobots is appellante in de nazomer van 2015 terug overgegaan op de Lely melkrobots.

2.3

Op 2 juli 2015 hield appellante 171 melk- en kalfkoeien en 114 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante in het primaire besluit vastgesteld op 7.744 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante verhoogd naar 7.806 kg en de melding bijzondere omstandigheden van appellant afgewezen.

Beroepsgronden

4.1

Appellante meent dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling. Gelet op de tekst van artikel 23, zesde lid, Msw moet bij de berekening van de 5%-norm niet alleen gekeken worden naar het aantal dieren en de melkproductie op een alternatieve peildatum in vergelijking met 2 juli 2015. Ook de afvoer van dieren kan ervoor zorgen dat een landbouwer minimaal 5% minder fosfaatrechten heeft gekregen dan zonder diergezondheidsproblemen het geval zou zijn geweest. Dat is het geval bij appellante. Door de overstap naar de nieuwe melkrobots kreeg zij te maken met diergezondheidsproblemen op haar bedrijf. Een steeds groter aantal melkingen mislukte. Doordat de koeien niet goed werden uitgemolken daalde de diergezondheid. Meer koeien kregen mastitis en moesten worden afgevoerd. Door de diergezondheidsproblemen heeft appellante in 2013 9 melkkoeien meer moeten afvoeren dan in andere jaren. Wanneer de diergezondheidsproblemen zich niet hadden voorgedaan had zij op 2 juli 2015 dus 9 dieren meer gehad dan nu het geval is. Daarnaast zouden deze dieren nog tweemaal een kalf hebben gekregen. Wanneer met deze dieren rekening zou zijn gehouden, zouden aan haar meer fosfaatrechten zijn toegekend, aldus appellante.

4.2

In haar aanvullend beroepschrift van 6 oktober 2020 heeft appellante nog aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling of zij aan de 5%-voorwaarde voldoet had moeten uitgaan van het aantal dieren dat zij op 2 juli 2015 op haar bedrijf hield en de melkproductie per koe in de periode 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2011. Volgens appellante voldoet zij in dat geval wel aan de voorwaarde dat het aantal fosfaatrechten op de peildatum minimaal 5% procent lager zou zijn en zou haar fosfaatrecht op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw moeten worden verhoogd. Zij verwijst daarbij naar de uitspraken van het College van 16 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:289, onder 3.1) en 9 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:280).

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de knelgevallenregeling in de bestreden beslissing juist is toegepast door de niet-gerealiseerde groei voor 2 juli 2015 niet in de beoordeling van het beroep op de knelgevallenregeling te betrekken. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van het College van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232), waarin het College in navolging van zijn uitspraak van 9 januari 2019 (onder ECLI:NL:CBB:2019:4, onder 5.2) heeft geoordeeld dat voor de invulling van de 5%-drempel van de knelgevallenregeling er teruggekeken wordt naar het verleden en dat niet-gerealiseerde uitbreidingen op of na 2 juli 2015 niet worden betrokken. Volgens verweerder heeft het College hiermee aangesloten bij de uitdrukkelijke wens van de wetgever om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht. Verweerder verwijst daartoe naar Kamerstukken II, 2015-2016, 34532, nr. 3, p. 40 en Kamerstukken II, 2016-2017, 34532, nr. 7, p. 47.

5.2

Verweerder merkt nog op dat in de beslissing op bezwaar de 5% berekening niet geheel correct is uitgevoerd. Appellante heeft op 28 maart 2017 via splitsing een deel van een ander bedrijf overgenomen, met de volgende dieraantallen: 17 melk- en kalfkoeien, 2 dieren jonger dan 1 jaar en 1 dier ouder dan 1 jaar. Om een zuivere 5% vergelijking te maken hadden deze dieren niet betrokken moeten worden in de berekening. Appellante zou op peildatum 2 juli 2015, zonder het overgenomen bedrijf, 7.738,9 kg fosfaatrechten hebben zonder generieke korting. Op de alternatieve peildatum 11 september 2011 met de melkproductie van 2011 zou appellant 4.595,1 kg fosfaatrechten hebben zonder generieke korting. Verweerder concludeert dat appellante ook dan niet aan de 5% voorwaarde voldoet. Er zijn immers meer rechten op 2 juli 2015 toegekend. Verder heeft appellante in de bezwaarprocedure nog verzocht om te rekenen met de melkproductie van 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2011. Verweerder merkt hierover op dat appellante in dat geval evenmin de 5%-drempel haalt, zelfs als hij met de hoogste excretie (49,3) rekent. Nu aan appellante op 2 juli 2015 meer fosfaatrechten zijn toegekend kan ook een gebroken jaar voor de melkproductie appellante niet baten.

Beoordeling

6.1

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of verweerder de knelgevallenregeling ten aanzien van de dierziekte op het bedrijf van appellante juist heeft toegepast. Het College is van oordeel dat dit het geval is. Diergezondheidsproblemen als de mastitis bij de melkkoeien van appellante vormen een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Verweerder heeft het beroep op deze knelgevallenregeling echter terecht afgewezen, omdat het aantal fosfaatrechten dat op 2 juli 2015 aan appellante is toegekend, niet minimaal vijf procent lager was dan zonder de bijzondere omstandigheid het geval zou zijn geweest. In vergelijking met de door appellante opgegeven alternatieve peildatum
11 september 2011 komt het aantal fosfaatrechten dat op 2 juli 2015 aan appellante is toegekend hoger uit.

6.2

Het College is van oordeel dat verweerder terecht van deze door appellante opgegeven alternatieve peildatum is uitgegaan. Het College ziet geen aanleiding appellante te volgen in de stelling dat alsdan moet worden gerekend met de dieraantallen van 2 juli 2015 en met de melkproductie van het MPR-jaar 2010-2011.

6.3

De alternatieve peildatum is een datum die de situatie op het bedrijf weergeeft vóór het intreden van de bijzondere omstandigheid. Indien, zoals in het geval van appellante, de diergezondheidsproblemen van invloed zijn geweest op zowel de melkproductie als op de dieraantallen op haar bedrijf, geven in beginsel de dieraantallen en de melkproductie voorafgaand aan de alternatieve peildatum de reguliere situatie van het bedrijf weer. Met deze reguliere situatie wordt de bedrijfssituatie op 2 juli 2015 vergeleken. Het College is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval aanleiding bestaat om uit te gaan van de dieraantallen op 2 juli 2015 in plaats van die op 11 september 2011. De beroepsgrond faalt dan ook.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.