Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:843

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/119
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Appellante heeft een causaal verband tussen het aanwezige aantal stuks vee op de door haar gekozen alternatieve peildatum van 1 maart 2015 en de gestelde buitengewone omstandigheid (ziekte/overlijden) niet aangetoond. Het beroep op de knelgevallenregeling – nu appellante niet heeft betwist dat op basis van de situatie op de door verweerder gehanteerde alternatieve peildatum van 16 juni 2015 niet aan de 5%-drempel wordt voldaan – heeft verweerder terecht afgewezen.

Ook de beroepsgrond dat verweerder appellante ten onrechte niet als grondgebonden heeft aangemerkt faalt. Voor zover appellante ter zitting heeft bedoeld een (subsidiair) beroep te doen op artikel 1 van het EP, kan dat niet slagen alleen al omdat een nadere toelichting over de feitelijke gevolgen van het bestreden besluit voor het bedrijf van appellante ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/119

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2020 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. ir. J.M.M. Kroon),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

gemachtigde: mr. T. Meijer).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 3 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2020. Namens appellante is verschenen [naam 2] (junior), vennoot van appellante, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, van de Msw bepaalt dat de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond is, die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is.

1.2

Artikel 1, eerste lid, onder ll, van de Msw bepaalt dat fosfaatruimte is de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar

1°. ingevolge artikel 8, onderdeel c, mag worden gebracht op of in de tot het desbetreffende bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, en

2°. ingevolge de krachtens de artikelen 7 en 15 van de Wet bodembescherming geldende voorschriften mag worden aangebracht op een in Nederland gelegen natuurterrein dat de hoofdfunctie natuur heeft en dat in het desbetreffende kalenderjaar op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen datum bij het bedrijf in gebruik is.

1.3

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.4

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.5

De tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in enig kalenderjaar is de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei van dat jaar tot het bedrijf behoort (artikel 24, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit)).

1.6

Het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Msw wordt ingevolge artikel 72b, eerste lid, van Uitvoeringsbesluit verminderd met 8,3% (de generieke korting). Grondgebonden bedrijven – dit zijn bedrijven waarvan de productie van dierlijke meststoffen door melkvee in kilogrammen fosfaat in het kalenderjaar 2015, verminderd met de fosfaatruimte in dat kalenderjaar, negatief of nul is – zijn uitgezonderd van de generieke korting.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij en bestond op de peildatum uit twee vennoten, te weten [naam 2] (senior) en [naam 3] . In 2017 is [naam 2] (junior) tot de vennootschap toegetreden.

2.2

Appellante heeft op 10 april 2015 twee private overeenkomsten met [naam 4] Akkerbouw gesloten; één waarbij appellante (afgerond) 5,5 ha grond verhuurt aan [naam 4] Akkerbouw, en één waarbij zij 4,5 ha grond huurt van [naam 4] Akkerbouw. Daarnaast hebben appellante en [naam 4] Akkerbouw op dezelfde datum een regionale mestverwerkingsovereenkomst ondertekend met daarin de afspraak dat appellante in 2015 330 kg fosfaat in de vorm van rundveemest (dit is circa 220 ton mest) zal leveren aan [naam 4] Akkerbouw, die tot afname daarvan verplicht is.

2.3

Appellante heeft (in aanvulling op het eerder door haar gemaakte bezwaar) bij brief van

28 februari 2018 een beroep op de knelgevallenregeling gedaan. Daarnaast heeft zij op

24 maart 2018 een melding bijzondere omstandigheden ingediend. Als bijzondere omstandigheid is gesteld ‘ziekte/overlijden’, en als aanvangsdatum is 1 maart 2015 aangegeven.

Besluiten van verweerder

3.1

Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 2.848 kg. Daarbij is verweerder wat betreft de dieraantallen uitgegaan van de aantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren, te weten 53 melk- en kalfkoeien en 37 stuks jongvee. Bij het berekenen van de fosfaatruimte is verweerder uitgegaan van 29,68 ha grasland en 4,5 ha bouwland. De totale fosfaatruimte in 2015 is door verweerder berekend op 2.848 kg. Omdat de fosfaatproductie in 2015 (3.029,61 kg) de berekende fosfaatruimte in 2015 overstijgt, is het op grond van artikel 23, derde lid van de Msw berekende fosfaatrecht verminderd met 71,2 kg.

3.2.1

Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Het primaire besluit is – met aanpassing van de motivering – gehandhaafd.

Aan het verzoek van appellante om uit te gaan van een hogere melkproductie in 2015 wordt tegemoetgekomen. De aanpassing van de (totale) melkproductie (van 514.841 kg naar 518.670 kg) leidt evenwel niet tot een wijziging van het bij het primaire besluit vastgestelde fosfaatrecht.

3.2.2

Verweerder handhaaft zijn standpunt dat het bedrijf van appellante niet grondgebonden is. Het enkele feit dat appellante mest op door haar verhuurde grond mag plaatsen, brengt niet met zich dat zij de feitelijke beschikkingsmacht over die grond bezit. Daarom is de verhuurde grond bij de bepaling of het bedrijf grondgebonden is, buiten beschouwing gelaten.

3.2.3

Hoewel verweerder aangetoond acht dat sprake was van ziekte van de ondernemer, is van een causaal verband tussen de dieraantallen op (de door appellant voorgestelde alternatieve peildatum van) 1 maart 2015 en de op 17 juni 2015 bij [naam 2] (senior) vastgestelde liesbreuk, niet gebleken. Een vergelijking tussen de situatie op 2 juli 2015 en die op

16 juni 2015, zijnde de datum voordat de bijzondere omstandigheid zich voordeed, laat zien dat niet wordt voldaan aan de 5%-drempel. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat toepassing te geven aan de knelgevallenregeling van het zesde lid van artikel 23 van de Msw.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat verweerder bij de toepassing van de knelgevallenregeling niet 16 juni 2015, maar 1 maart 2015, zijnde de datum voordat appellante ter verlaging van de werklast melkvee ging afvoeren, als alternatieve peildatum had moeten hanteren. Op laatstgenoemde datum produceerde appellante bijna 10% meer fosfaat dan op 2 juli 2015, waarmee ruimschoots aan de 5%-drempel wordt voldaan.

4.2

Verder voert appellante aan dat haar bedrijf als grondgebonden bedrijf moet worden aangemerkt. Verweerder is bij het berekenen van de fosfaatruimte in 2015 uitgegaan van 34,18 ha grond, terwijl appellante eigenaar is van 39,68 ha grond. Weliswaar was een deel van de grond – in het kader van vruchtwisseling – uit gebruik gegeven, maar daarbij gold de afspraak dat appellante haar eigen mest mocht uitrijden op die door een derde bewerkte grond. In die zin had appellante steeds zeggenschap over haar eigen grond. Dit maakt dat 39,68 ha als tot het bedrijf behorend landbouwgrond moet worden aangemerkt en dat geen aanleiding bestaat tot toepassing van een korting op het berekende aantal fosfaatrechten.

Standpunt van verweerder

5.1

Wat betreft het beroep op de knelgevallenregeling stelt verweerder zich op het standpunt dat bij het vaststellen van een alternatieve peildatum het – objectief te bepalen – moment waarop de ziekte zich bij [naam 2] (senior) manifesteerde van belang is. In dezen blijkt onder meer uit de overgelegde doktersverklaringen dat dit op 17 juni 2015 was. Aan de omstandigheid dat appellante al begin 2015 dieren heeft afgevoerd komt hier dan ook geen betekenis toe. Uit de gemaakte vergelijking tussen de situatie op 2 juli 2015 en die op

16 juni 2015 volgt dat aan de in het zesde lid van artikel 23 van de Msw neergelegde

5%-drempel niet wordt voldaan.

5.2

Nu niet is gebleken dat appellante de feitelijke beschikkingsmacht had over de op de peildatum van 15 mei 2015 aan [naam 4] Akkerbouw verhuurde 5,5 ha landbouwgrond, ziet verweerder geen reden appellante te volgen in haar stelling dat bij de bepaling van de fosfaatruime in 2015 niet van 34,18 ha maar van 39,68 ha landbouwgrond moet worden uitgegaan.

Beoordeling

6.1.1

Ter beoordeling ligt voor het antwoord op de vraag of verweerder het beroep van appellante op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw terecht heeft afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat de ziekte van [naam 2] (senior) heeft geleid tot een 5% lager vastgesteld aantal fosfaatrechten. Voorop staat dat de bewijslast hiervan op appellante rust. Bij toepassing van de knelgevallenregeling moet onder meer een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie op 2 juli 2015 en de situatie die zonder de buitengewone omstandigheid (op een alternatieve peildatum) in redelijkheid voor het bedrijf mocht worden verwacht. Appellante heeft in het kader van deze vergelijking 1 maart 2015 als alternatieve peildatum opgegeven, terwijl verweerder stelt dat van 16 juni 2015 als alternatieve peildatum moet worden uitgegaan.

6.1.2

Het College stelt vast dat uit de verklaringen van Gezondheidscentrum [naam 5] van

17 juni 2015 en 13 oktober 2017 blijkt dat [naam 2] (senior) zich op 17 juni 2015 bij de spoedeisende hulp van het [naam 6] ziekenhuis heeft gemeld wegens een sinds de ochtend van 17 juni 2015 aanwezige pijnlijke zwelling in de lies. Dezelfde maand is bij [naam 2] (senior) een operatie aan een beknelde liesbreuk uitgevoerd. In de verklaring van 13 oktober 2017 staat vermeld dat [naam 2] (senior) op laatstgenoemde datum een gesprek wil voeren over de klachten naar aanleiding van de liesbreuk, nu achteraf gezien – aldus [naam 2] (senior) – de klachten al vanaf het voorjaar 2013 aanwezig waren. Omdat de klachten wisselend aanwezig waren is [naam 2] (senior) daarmee niet eerder (dan op 17 juni 2015) naar een arts gegaan, aldus de verklaring.

6.1.3

Appellante is er naar het oordeel van het College niet in geslaagd aan te tonen dat [naam 2] (senior) al voor 17 juni 2015 kampte met klachten als gevolg van een (beknelde) liesbreuk. Stukken die de stelling van appellante voldoende onderbouwen ontbreken. De hiervoor genoemde verklaring van 13 oktober 2017 is daartoe onvoldoende nu deze enkel een weergave van door [naam 2] (senior) zelf benoemde feiten en omstandigheden bevat. Kennelijk waren de klachten niet van dien aard dat ze (eerder dan in 2015) aanleiding gaven tot raadpleging van een (huis)arts. Verder valt op dat – zoals verweerder ook opmerkt in zijn verweerschrift – de volgens [naam 2] (senior) sinds 2013 aanwezige klachten, eerst in 2015 zouden hebben geleid tot aanwijsbare gevolgen voor de bedrijfsvoering. Dat en in welke mate de gezondheidssituatie van [naam 2] (senior) al voor de door verweerder gehanteerde peildatum van 16 juni 2015 van invloed is geweest op het afvoeren van melkvee in maart 2015, is niet aannemelijk gemaakt. Oftewel, een causaal verband tussen het aanwezige aantal stuks vee op de door haar gekozen alternatieve peildatum van 1 maart 2015 en de gestelde buitengewone omstandigheid heeft zij niet aangetoond. Het voorgaande betekent dat verweerder terecht is uitgegaan van 16 juni 2015 als alternatieve peildatum en hij het beroep op de knelgevallenregeling – nu appellante niet heeft betwist dat op basis van de situatie op de alternatieve peildatum van 16 juni 2015 niet aan de 5%-drempel wordt voldaan – terecht heeft afgewezen.

6.2.1

De vraag of verweerder het bedrijf van appellante terecht als niet grondgebonden heeft aangemerkt, moet naar het oordeel van het College bevestigend worden beantwoord. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

6.2.2

Voor het vaststellen van de fosfaatruimte in 2015 is bepalend de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei 2015 tot het bedrijf van appellante behoorde (artikelen 21a en 24, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit). Zoals het College eerder heeft overwogen volgt uit de begripsomschrijving van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, van de Msw dat grond voor de toepassing van de Msw uitsluitend mag worden opgevoerd als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond wanneer deze in het kader van een normale bedrijfsvoering bij dat bedrijf in gebruik is. Deze laatste eis brengt, zoals ook blijkt uit de wetsgeschiedenis, met zich dat de landbouwer over de grond feitelijke beschikkingsmacht moet hebben, in die zin dat hij in de praktijk in staat was teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren (zie onder meer de uitspraken van 20 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:361 en ECLI:NL:CBB:2019:362).

Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt voorts dat de grond op 15 mei 2015 tot het bedrijf moet behoren.

6.2.3

Vaststaat dat op grond van een met appellante gesloten overeenkomst de hier van belang zijnde 5,5 ha grond op de peildatum van 15 mei 2015 bij [naam 4] Akkerbouw in gebruik was voor de teelt van pootaardappelen. Uit de ter zitting geven door appellant gegeven toelichting blijkt overigens dat op die datum ook daadwerkelijk pootaardappelen in de verhuurde grond aanwezig waren. Het standpunt van appellante dat zij eigenaar is van de door haar aan [naam 4] Akkerbouw verhuurde 5,5 ha grond en zij (volgens een met de huurder gesloten overeenkomst) gerechtigd is haar mest – in de periode voorafgaand en nadat de pootaardappelen zich in de grond bevinden – over de verhuurde grond uit te rijden, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat zij op 15 mei 2015 de feitelijke beschikkingsmacht over die grond had, in de zin dat zij feitelijk in staat was het teelt- en bemestingsplan op elkaar af te stemmen (zie vergelijkbaar de uitspraak van het College van 1 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:469, onder 4). Dit wordt ondersteund door de inhoud van het ten behoeve van appellante opgestelde bemestingsplan 2015, met dagtekening 29 februari 2016, dat slechts betrekking heeft op 34,18 ha grond en benoemt dat 5,5 ha grond uit gebruik is gegeven, en de gecombineerde opgave 2015, waarin appellante heeft ingevuld in totaal 34,18 ha grond in gebruik of beheer te hebben op 15 mei 2015.

6.2.4

Het beroep van appellante op de uitspraken van het College van 3 september 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:389) en 17 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:168), gaat niet op. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 3 september 2019 ging het om een eenmalige

verpachting, terwijl appellante in onderhavige zaak structureel grond verhuurt dan wel verruilt. Met betrekking tot de uitspraak van 17 maart 2020 wordt vastgesteld dat het verschil met de daar aan de orde zijnde feiten en omstandigheden (te weten, een tijdelijke verpachting om daarmee de arbeidsbeperkingen van een van de maten enigszins te kunnen opvangen) reeds maakt dat een vergelijking niet opgaat. De beroepsgrond dat verweerder appellante ten onrechte niet als grondgebonden heeft aangemerkt faalt.

6.3

Voor zover appellante ter zitting heeft bedoeld een (subsidiair) beroep te doen op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door te betogen dat zij als gevolg van de (wegens verhuur van 5,5 ha grond) toegepaste korting op het aantal fosfaatrechten een individuele en buitensporige last draagt, is het College van oordeel dat alleen al omdat een nadere toelichting over de feitelijke gevolgen van het bestreden besluit voor het bedrijf van appellante ontbreekt, dit beroep niet kan slagen.

Slotsom

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.