Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:841

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/123
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verweerder is bij de beoordeling van het beroep op de knelgevallenregeling is uitgegaan van de juiste gegevens en heeft dat beroep – nu appellante niet heeft betwist dat op basis van de door verweerder gehanteerde gegevens niet aan de 5%-drempel wordt voldaan – terecht afgewezen.

Gelet op de erkenning van verweerder dat ten onrechte een op de peildatum afgevoerd stuk jongvee van jonger dan 1 jaar niet is betrokken bij de vaststelling van het aantal fosfaatrecht, wordt het beroep gegrond verklaard. Het College zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak en het fosfaatrecht – conform de door verweerder als bijlage bij het verweerschrift overgelegde berekening – vaststellen. Verweerder wordt veroordeeld in de kosten die appellante voor het bezwaar en het beroep heeft moeten maken.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/123

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.C.H. Peters),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Meijer).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 9 maart 2018 heeft appellante een melding bijzondere omstandigheden bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 6 juli 2018 heeft verweerder het verzoek om het vastgestelde fosfaatrecht met toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw te verhogen, afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juli 2018 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het besluit van 4 december 2018 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2020. Namens appellante zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , maten van appellante, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij en bestaat uit voornoemde twee maten,

[naam 1] ( [naam 1] ) en [naam 2] .

2.2

In de op 9 maart 2018 ingediende melding bijzondere omstandigheden heeft appellante gesteld dat op het bedrijf sprake is (geweest) van ‘ziekte/overlijden’. Als aanvangsdatum daarvan is 1 april 2015 aangegeven.

Besluiten van verweerder

3.1

Bij besluit van 5 januari 2018 is het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4.379 kg. Daarbij is uitgegaan van – de op de peildatum van 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezige –

85 melk- en kalfkoeien, 35 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 27 stuks jongvee van 1 jaar en ouder. Verder is uitgegaan van een totale melkproductie in 2015 van 687.973 kg, een gemiddelde melkproductie per koe in 2015 van 8.056 kg en een excretieforfait van 40,6 kg. Het bedrijf van appellante is als grondgebonden aangemerkt.

3.2

Het verzoek van appellante om het vastgestelde fosfaatrecht met toepassing van de knelgevallenregeling te verhogen, is bij besluit van 6 juli 2018 afgewezen. Weliswaar heeft appellante volgens verweerder aangetoond dat sprake is geweest van ziekte op het bedrijf, een bijzondere omstandigheid als genoemd in het zesde lid van artikel 23 van de Msw, maar niet dat het fosfaatrecht daardoor minimaal 5% lager is vastgesteld.

3.3

Bij besluit van 4 december 2018 is het tegen het besluit van 6 juli 2018 gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard en is laatstgenoemd besluit gehandhaafd.

Beroepsgronden

4.1

Appellante verwijst allereerst naar de in de bezwaarprocedure ingebrachte gronden en stukken en verzoekt deze in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen.

4.2

Verder stelt appellante zich op het standpunt dat verweerder bij toepassing van de knelgevallenregeling van het zesde lid van artikel 23 van de Msw ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aan de daarin genoemde 5%-drempel is voldaan. Hiertoe voert appellante – gelet op het aanvullend beroepschrift van 15 mei 2020 – aan dat verweerder bij de beoordeling wat betreft de melkproductie niet 2015, maar 2013 als representatief jaar in aanmerking had moeten nemen. Dit omdat de melkproductie in 2013, anders dan die in 2015, niet werd beïnvloed door de ziekte van [naam 1] . Tevens dient naast de aan de fabriek geleverde melk, rekening te worden gehouden met de aan kalveren vervoederde melk en de wegens het gebruik van antibiotica gesepareerde melk. De totale melkproductie in 2013 wordt door appellante aldus berekend op 715.476 kg en de gemiddelde melkproductie in 2013 op 8.651 kg (715.476:82,7).

4.3

Wat betreft de dieraantallen had verweerder voor het aantal melk- en kalfkoeien uit moeten gaan van de op 1 april 2015 op het bedrijf aanwezige dieren (91), omdat op

2 april 2015 zes melkkoeien als gevolg van de gezondheidstoestand van [naam 1] (zijnde de bijzondere omstandigheid) zijn verkocht. Het aantal stuks jongvee is niet direct beïnvloed door die bijzondere omstandigheid, daarom dient daarvoor van de op de peildatum van

2 juli 2015 aanwezige dieren (35 en 27) uitgegaan te worden.

4.4

Tot slot voert appellante aan dat het besluit van 4 december 2018 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Doordat verweerder het bezwaar gericht tegen de door hem bij de vaststelling van het fosfaatrecht in aanmerking genomen melkproductie niet bij de beoordeling heeft betrokken, is niet op de (gehele) grondslag van het bezwaar beslist. Om die reden kan het besluit van 4 december 2018 niet in stand blijven.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt ambtshalve vast dat een op 2 juli 2015 van het bedrijf afgevoerd stuk jongvee ten onrechte niet is meegenomen bij de vaststelling van het aantal fosfaatrecht en verzoekt het College het aantal fosfaatrecht (uitgaande van 85 melk- en kalfkoeien, 36 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 27 stuks jongvee van 1 jaar en ouder) vast te stellen op 4.388 kg.

5.2

De door appellante gestelde bijzondere omstandigheid van ziekte van de ondernemer, acht verweerder aangetoond. Om reden dat appellante heeft aangegeven dat zij op

2 april 2015 zes melkkoeien heeft verkocht als gevolg van terugkerende lichamelijke klachten, is verweerder bij de beoordeling van het beroep op de knelgevallenregeling uitgegaan van de dieraantallen op 1 april 2015 (zijnde 91 melk- en kalfkoeien, 35 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 26 stuks jongvee van 1 jaar en ouder). Wat betreft het betoog van appellante dat, anders dan voor de melk- en kalfkoeien, 2 juli 2015 als peildatum voor het aantal aanwezige stuks jongvee gehanteerd dient te worden, wijst verweerder erop dat ziekte van de ondernemer altijd van invloed is op al het vee; appellante kan niet per diercategorie een peildatum kiezen die voor haar het meest gunstig uitpakt.

5.3

Verder is verweerder bij de beoordeling uitgegaan van de gemiddelde melkproductie van 2015 (zijnde 8.056 kg). Appellante heeft onvoldoende onderbouwd dat 2015 geen representatieve periode zou betreffen en daarnaast sluit het door appellante voorgestelde jaar van 2013 niet aan bij de bijzondere omstandigheid die zich op 2 april 2015 heeft voorgedaan.

Op basis van de hiervoor genoemde gegevens wordt het fosfaatrecht op 1 april 2015 berekend op 4.600 kg. Ten opzichte van het (nog nader vast te stellen) fosfaatrecht van 4.388 kg is dit een afname van 4,61%. Daarmee wordt niet voldaan aan de in het zesde lid van artikel 23 van de Msw genoemde 5%-drempel.

5.4

Tot slot bestrijdt verweerder dat het besluit van 4 december 2018 niet zorgvuldig zou zijn voorbereid. In dat besluit is voldoende ingegaan op hetgeen door appellante in bezwaar is aangevoerd. Voor zover al sprake zou zijn van een gebrek is dit middels het ingediende verweerschrift hersteld.

Beoordeling

6.1

Vooropgesteld wordt dat verweerder heeft erkend dat ten onrechte een op de peildatum afgevoerd stuk jongvee van jonger dan 1 jaar niet is betrokken bij de vaststelling van het aantal fosfaatrecht. Gelet daarop is het beroep reeds gegrond.

6.2

Appellante heeft opgemerkt dat de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Omdat appellante daarbij niet heeft onderbouwd in welk opzicht, in haar visie, de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend was, is deze opmerking echter onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waar het College op dient in te gaan (zie ook de uitspraken van het College van 4 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:391, onder 3, en 21 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:132, onder 3).

6.3.1

Partijen zijn het erover eens dat bij de toepassing van de knelgevallenregeling het aantal melk- en kalfkoeien op 1 april 2015 (direct voorafgaand aan de – als gevolg van de ziekte van [naam 1] – verkoop van zes melkkoeien) bepalend is. Verweerder betwist echter de stelling van appellante dat de ziekte van [naam 1] geen invloed heeft gehad op het aantal door appellante gehouden stuks jongvee en dat daarom voor het jongvee 2 juli 2015 als peildatum moet gehanteerd.

Het College stelt vast dat het verschil tussen het op 1 april 2015 en het op 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezige jongvee, concreet ziet op 1 stuk jongvee van 1 jaar en ouder. Hoewel eerder door het College is geoordeeld dat de wet zich er niet tegen verzet om twee peildata, een voor de melk- en kalfkoeien en een voor het jongvee, te hanteren, bestaat daar hier geen aanleiding voor nu appellante er niet in is geslaagd aan te tonen dat de ziekte van [naam 1] geen invloed heeft gehad op het aantal stuks jongvee. De op zitting gegeven verklaring dat [naam 1] niet betrokken was bij de verzorging van het jongvee is daartoe onvoldoende. Dat door de maten gekozen is voor een bepaalde werkverdeling op het bedrijf kan zo zijn, maar maakt niet dat daarmee vaststaat dat geen andere verdeling of andere keuze mogelijk was. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat het, mede gezien het geringe verschil, hier gaat om een gangbare fluctuatie in de omvang en/of samenstelling van het aanwezige jongvee.

6.3.2

Wat betreft de periode die – bij toepassing van de knelgevallenregeling – als representatief voor de gemiddelde melkproductie in aanmerking dient te worden genomen, wordt voorop gesteld dat uit jurisprudentie van het College volgt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 augustus 2019, ECLI:CBB:NL:2019:336) dat indien geen aanleiding bestaat aan te nemen dat de bijzondere omstandigheid de gemiddelde melkproductie heeft beïnvloed, er geen reden is om af te wijken van het voor de gemiddelde melkproductie aangewezen wettelijk peiljaar 2015. Die situatie doet zich hier naar het oordeel van het College voor. Niet aannemelijk is gemaakt dat de ziekte van [naam 1] de gemiddelde melkproductie in 2015 heeft beïnvloed en dat om die reden 2015 niet als representatieve periode kan worden gezien. Weliswaar heeft appellante gesteld dat de op 2 april 2015 afgevoerde zes melkkoeien hoog productieve koeien waren die daarnaast van januari 2015 tot maart 2015 ook nog drooggezet waren waardoor de gemiddelde melkproductie in 2015 is beïnvloed, maar – nog daargelaten dat appellante eerder de stelling had ingenomen dat de eerste drie maanden van 2015 juist representatief waren voor de in aanmerking te nemen gemiddelde melkproductie – een voldoende (cijfermatige) onderbouwing van die stelling ontbreekt. En voor zover al aangenomen zou kunnen worden dat de ziekte van [naam 1] heeft geleid tot een daling van de gemiddelde melkproductie in 2015, geldt hetzelfde als hiervoor met betrekking tot (de verzorging van) het jongvee is overwogen dat niet is gebleken dat een andere werkverdeling tussen de maten dan wel bijvoorbeeld het inschakelen van bedrijfshulp (financieel) onmogelijk was.

6.3.3

Het voorgaande betekent dat verweerder bij de beoordeling van het beroep op de knelgevallenregeling is uitgegaan van de juiste gegevens en hij dat beroep – nu appellante niet heeft betwist dat op basis van de door verweerder gehanteerde gegevens niet aan de 5%-drempel wordt voldaan – terecht heeft afgewezen. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat met betrekking tot 2015 door appellante niets is gesteld en/of overgelegd wat ziet op aan kalveren vervoederde melk en wegens het gebruik van antibiotica gesepareerde melk, zodat verweerder niet gehouden was daarmee rekening te houden.

6.4

Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, behoeft de beroepsgrond met betrekking tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel geen bespreking meer.

Slotsom

7. Het beroep is gegrond, gelet op rechtsoverweging 6.1. Het College zal het besluit van 4 december 2018 vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door het besluit van

5 januari 2018 te herroepen en het fosfaatrecht – conform de door verweerder als bijlage bij het verweerschrift overgelegde berekening – vast te stellen op 4.388 kg.

Proceskosten

8. Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die appellante voor het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het College die kosten voor de aan appellante verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de (telefonische) hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 4 december 2018;

  • -

    herroept het besluit van 5 januari 2018;

  • -

    stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 4.388 kg en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellante van het bezwaar en het beroep tot een bedrag van € 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.