Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:840

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/516
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet, artikel 23, derde en zesde lid. Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 1.

Verweerder heeft het beroep op de knelgevallenregeling terecht afgewezen, omdat het causaal verband tussen de buitengewone omstandigheid en de hoogte van het reguliere fosfaatrecht op 2 juli 2015 ontbreekt.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt, omdat zij dit niet heeft onderbouwd.

Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/516

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. H. Sikkema),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Stockmann).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 30 maart 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden van appellante ontvangen.

Bij besluit van 8 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor appellante zijn verder nog verschenen
[naam 3] , [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert sinds 1 mei 2003 een melkveehouderij. De maatschap bestaat uit de ouders ( [naam 1] , hierna: [naam 1] , en [naam 2] ) en een zoon ( [naam 3] , hierna: zoon). De zoon is op 15 mei 2015 toegetreden tot de maatschap.

2.2.

[naam 1] kampt sinds 1992 met gezondheidsproblemen, waaronder schouderklachten.

2.3.

Appellante heeft op 17 mei 2014 een deel van haar jongvee verkocht. Zij hield op 14 april 2015 91 melk- en kalfkoeien en 49 stuks jongvee op haar bedrijf. Appellante heeft op 15 april 2015 het grootste gedeelte van haar resterende veestapel verkocht, namelijk 89 melk- en kalfkoeien en 3 stuks jongvee. Op de peildatum, 2 juli 2015 hield appellante 46 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 504 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren.

3.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn primaire besluit gehandhaafd en het beroep van appellante op de knelgevallenregeling afgewezen.

Beroepsgronden

4.1

Appellante stelt dat haar beroep op de knelgevallenregeling ten onrechte is afgewezen. Er is anders dan verweerder stelt sprake van een causaal verband tussen de ziekte van [naam 1] en het lage aantal dieren op het bedrijf op de peildatum. [naam 1] kampt al sinds 1992 met gezondheidsproblemen en heeft sinds 2008 schouderklachten. Appellante heeft ter onderbouwing daarvan een uitdraai van een huisartsenjournaal over de periode 25 september 2006 tot en met 10 maart 2016, een brief van de orthopedisch chirurg van 10 maart 2016 en een brief van de fysiotherapeut van 23 mei 2019 overgelegd. Met behulp van zijn echtgenote heeft hij de dagelijkse werkzaamheden op het bedrijf tot mei 2014 steeds voort kunnen zetten, totdat het melken niet meer ging. Toen bleek dat de schouderklachten niet over zouden gaan hebben [naam 1] en zijn echtgenote in die maand een deel van het jongvee verkocht. Begin 2015 verergerden de klachten. Appellante heeft toen besloten het vee te verkopen en tijdelijk met het bedrijf te stoppen, om de zoon de kans te geven het bedrijf later voort te zetten.

4.2

Verder stelt appellante dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Deze buitensporige last kan naar redelijkheid en billijkheid niet voor rekening van appellante komen. Appellante heeft niet kunnen anticiperen op de peildatum van 2 juli 2015, omdat de invoering van het fosfaatrechtenstelsel voor haar niet voorzienbaar was. Zij heeft hier geen rekening mee kunnen houden bij de keuze om kort voor de peildatum het grootste gedeelte van de veestapel te verkopen. De droom van de zoon om ooit het bedrijf over te kunnen nemen is door het hanteren van deze peildatum in duigen gevallen.

4.3

Appellante voert verder aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de knelgevallenregeling juist heeft toegepast. Verweerder heeft het fosfaatrecht op 2 juli 2015 vergeleken met het fosfaatrecht op 14 april 2015, de door appellant aangedragen alternatieve peildatum, te weten de dag vóórdat het vee is verkocht. Uit deze vergelijking blijkt dat de 5%-drempel wordt gehaald. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat er geen causaal verband bestaat tussen de bijzondere omstandigheid (de ziekte van [naam 1] ) en het lagere aantal fosfaatrechten op de peildatum 2 juli 2015. De gezondheidsproblemen waren er al voor 14 april 2015 en zijn onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering geworden. Appellante heeft niet aangetoond of op enige wijze onderbouwd dat de gezondheidsproblemen zich eerst ten tijde van de (gedeeltelijke) verkoop van haar veestapel op 17 mei 2014 en op 15 april 2015 hebben voorgedaan.

5.2

Verweerder betwist dat het stelsel een individuele en buitensporige last op appellante legt. Het financiële belang van appellante weegt niet op tegen het algemene belang om de productie van dierlijke meststoffen te beheersen. De gevolgen van de introductie van het fosfaatrechtenstelsel voor appellante vloeien louter voort uit de beslissing om de bedrijfsvoering te wijzigen in een periode waarin regulering van de mestproductie voorzienbaar was.

5.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de bestreden beslissing afdoende is

gereageerd op hetgeen appellante heeft aangevoerd.

Beoordeling

6.1

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken van een causaal verband in de zin van artikel 23, zesde lid, van de Msw, tussen de gezondheidsproblemen van [naam 1] en de hoogte van het reguliere fosfaatrecht van appellante op 2 juli 2015.

6.2

Verweerder heeft terecht overwogen dat de schouderklachten van [naam 1] deel zijn gaan uitmaken van de reguliere bedrijfsvoering van appellante. Uit de overgelegde medische stukken, als hiervoor onder 4.1 vermeld, blijkt dat [naam 1] sinds 2008 schouderklachten heeft, dat hij hiermee in november 2012 en november 2015 bij de huisarts is geweest en dat hij eind 2012 drie keer bij de fysiotherapeut is geweest. Hieruit blijkt dus niet dat er op of rond 17 mei 2014 en 15 april 2015 – de data waarop de dieren zijn verkocht – sprake was van nieuwe klachten of een verergering van de bestaande klachten. Uit de beschikbare gegevens blijkt bovendien niet dat, zoals appellante stelt, het op voormelde data verkopen van vee als een tijdelijke situatie was bedoeld. Weliswaar is de zoon op 1 mei 2015 tot de maatschap toegetreden maar niet valt in te zien waarom appellante het grootste deel van haar veestapel heeft verkocht als het op dat moment al de bedoeling was dat het bedrijf op korte termijn door de zoon zou worden voortgezet. Het College wijst er in dit verband op dat de zoon op 1 augustus 2015 aan een driejarige opleiding is begonnen, hetgeen er evenmin op wijst dat op 2 juli 2015 de intentie bestond dat hij het bedrijf zou voortzetten. In de stukken wordt ook telkens gesproken over de ‘eventuele overname’ en in het beroepschrift van 15 mei 2019 is namens appellante aangevoerd dat de zoon er ‘inmiddels van overtuigd is dat hij het bedrijf van zijn ouders wil voortzetten’. De ter zitting door appellante gegeven verklaring, te weten dat de zoon eerst een opleiding moest volgen omdat hij nog leerplichtig was, vindt geen steun in de stukken. Het College gaat er op grond van de beschikbare gegevens van uit dat de zoon in april 2015 18 jaar is geworden en dus niet meer leerplichtig was.

6.3

Het College is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder het beroep op de knelgevallenregeling terecht en op goede gronden heeft afgewezen.

7. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt, omdat zij dit niet heeft onderbouwd. De enkele stelling dat voortzetting van het bedrijf (door de zoon) ernstig zal worden bemoeilijkt als er geen extra fosfaatrechten worden toegekend is daarvoor onvoldoende. Het bestreden besluit is in niet in strijd met artikel 1 van het EP.

8. Naar het oordeel van het College is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig voorbereid. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op alle door appellante aangevoerde gronden in bezwaar en heeft alle betrokken belangen bij dat besluit betrokken.

Slotsom

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

De voorzitter is verhinderd w.g. A.A. Dijk

de uitspraak te ondertekenen.