Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:835

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/474
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Tussenuitspraak. Jongveegetal niet geactiveerd door afvoer gevlagd rund.

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/474

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en haar maten [naam 2] en [naam 3] , gevestigd dan wel wonend te [plaats] , gemeente [gemeente] (hierna tezamen en in enkelvoud: appellante),

(gemachtigde: mr. B.D. Bos)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjens).

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 2 december 2017, 6 december 2017,
9 december 2017, 16 december 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante solidariteitsgeldsommen opgelegd van € 2.159,- voor periode 1 en van € 1.836,-voor periode 2, een hoge geldsom van € 8.131,- voor periode 3, en solidariteitsgeldsommen van € 1.611,- voor periode 4 en van € 822,- voor periode 5.

Bij besluit van 6 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten gegrond verklaard voor zover deze bezwaren zich richten tegen de I&R gegevens, de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard voor zover de bezwaren gericht zijn tegen het mandaatbesluit als zodanig en de bezwaren ongegrond verklaard voor het overige. Verweerder heeft de primaire besluiten herroepen en solidariteitsgeldsommen opgelegd van € 2.047,36 voor periode 1 en van € 1.723,68 voor periode 2, een hoge geldsom van € 7.651,20 voor periode 3 en solidariteitsgeldsommen van
€ 1.498,56 voor periode 4 en van € 710,08 voor periode 5.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 1 juli 2020 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder op grond van de Regeling solidariteitsgeldsommen opgelegd van € 2.047,- voor periode 1 en van € 1.711,- voor periode 2, een hoge geldsom van € 7.651,- voor periode 3 en solidariteitsgeldsommen van € 1.499,- voor periode 4 en van € 710,- voor periode 5.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2020. Namens appellante heeft [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante, via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op
    2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Appellante exploiteert een biologische vlees- en melkveehouderij. Op haar bedrijf houdt zij onder meer runderen van het Groninger blaarkop ras. De vanaf 1 oktober 2016 door een houder gehouden aanwas van Groninger blaarkop runderen is in artikel 13 van de Regeling uitgezonderd voor de maandgemiddelden. Deze uitgezonderde runderen worden door partijen ook wel ‘gevlagde’ runderen genoemd. Het College zal deze term hierna ook gebruiken. In het geval van appellante is het jongveegetal vanaf periode 3 geactiveerd omdat appellante zo’n gevlagd rund heeft afgevoerd. Appellante is het niet eens met de toepassing van het jongveegetal en vindt dat artikel 13 van de Regeling daaraan in de weg staat.
    Omvang geding

  3. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het besluit van 6 februari 2019 mede betrekking op het besluit van 1 juli 2020. Nu het besluit van 6 februari 2019 is vervangen door het besluit van 1 juli 2020 en niet gesteld of gebleken is dat appellant nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 6 februari 2019, moet het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.
    Gronden van bezwaar herhaald

  4. Appellante heeft gesteld dat de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Omdat zij daarbij niet heeft onderbouwd in welk opzicht, in haar visie, de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend was, is deze opmerking onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waar het College op dient in te gaan (zie ook de uitspraak van het College van 4 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:391). Het College gaat daar dan ook aan voorbij.
    Onduidelijkheid Regeling

  5. Voor zover appellante in zijn algemeenheid betoogt dat de Regeling onduidelijk en complex is, faalt dit betoog. De voor melkveehouders relevante regelgeving is in een korte tijd een aantal keer gewijzigd. Het College begrijpt dat het voor melkveehouders lastig moet zijn geweest steeds op de hoogte te blijven van de wijzigingen. Toch is het de verantwoordelijkheid van appellante als ondernemer zich op de hoogte te (laten) stellen van de gevolgen van de Regeling voor haar bedrijfsvoering.
    Zorgvuldige besluitvorming

  6. Gelet op de vervanging van het bestreden besluit, betoogt appellante terecht dat in zoverre sprake is van onzorgvuldige besluitvorming.
    Voor zover appellante klaagt dat tevens sprake is van onzorgvuldigheid, omdat verweerder in zijn verweerschrift aangeeft dat de gevlagde runderen per abuis zijn uitgezonderd van de rundaantallen op 28 april 2017, heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat de runderen van appellante die voldoen aan de voorwaarden voor het uitzonderen van bijzondere rassen (de gevlagde runderen) abusievelijk zijn uitgezonderd van de rundaantallen op 28 april 2017. Verweerder geeft aan dat hij deze fout niet heeft gecorrigeerd omdat dit appellante in een nadeliger positie zou brengen. Dit heeft appellante niet weersproken. Het College ziet daarom geen aanleiding hieraan gevolgen te verbinden.
    Het jongveegetal

  7. Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte het jongveegetal heeft toegepast. Volgens appellante is het jongveegetal geactiveerd door een gevlagd rund dat op 11 juli 2017 is afgevoerd. Volgens appellante telt dit gevlagde rund op grond van artikel 13 van de Regeling niet mee bij de berekening van het gemiddeld aantal runderen (het maandgemiddelde) en bij de berekening van het jongveegetal. De afvoer van dit rund kan dan ook niet zorgen voor activering van het jongveegetal, aldus appellante.
    Voor zover verweerder stelt dat het jongveegetal toch zou zijn geactiveerd door een rund dat op 12 juli 2017 is afgevoerd, betoogt appellante dat dit een gemankeerd en ongeschikt rund betrof dat is afgevoerd naar een hobbyboer die het zou laten slachten. Dat dit pas in 2018 is gebeurd, is niet de verantwoordelijkheid van appellante en het toepassen van de Regeling zou dan ook onevenredig zijn. Appellante doet in dit verband een beroep op de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet.

7.1.

Artikel 13 van de Regeling luidt:
“Bij het gemiddeld aantal runderen, bedoeld in de artikelen 4, 6 en 9, is niet inbegrepen:
1. (…)
b. de vanaf 1 oktober 2016 door de houder gehouden aanwas van runderen die behoren tot de volgende rassen: Brandrood rund, Fries Hollands vee, Roodbont Fries vee, Groninger blaarkop, Lakenvelder.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is uitsluitend van toepassing indien de houder van de runderen op een door de minister aangegeven wijze meldt welke runderen het betreft.”

7.2.

Niet-melkproducerende bedrijven vallen niet onder de Regeling. Om tegen te gaan dat melkproducerende bedrijven runderen onderbrengen op niet‑melkproducerende bedrijven, om daarmee niet over te hoeven gaan tot reductie in 2017, is het zogenoemde jongveegetal ingevoerd (Stcrt. 2017, nr. 25117). Het jongveegetal is het getal dat wordt berekend door het aantal runderen van de houder op 28 april 2017 van 0 tot 1 jaar en van 1 jaar en ouder dat niet heeft gekalfd te delen door het aantal runderen van de houder op die datum dat tenminste eenmaal heeft gekalfd.

7.3.

Partijen zijn het eens dat op 11 juli 2017 het rund met levensnummer
NL 725845784 is afgevoerd en dat dit een gevlagd rund betrof.Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de invoering van het jongveegetal en de voorwaarden voor de activering ervan geen uitzonderingspositie voor runderen van een bijzonder ras is opgenomen in de Regeling en dat daarom het jongveegetal terecht is toegepast. Het doel van de uitzondering voor bijzondere rassen is het stimuleren van het aanhouden van (drachtig) jongvee van een bijzonder ras, aldus verweerder. Het jongveegetal heeft volgens verweerder een ander doel, namelijk het in stand houden van de jongveeverhouding op het bedrijf, zodat er niet enkel met jongvee wordt gereduceerd. Het jongveegetal staat daarmee volgens verweerder los van de uitzondering voor bijzondere rassen gelegen in artikel 13 van de Regeling.

7.4.

In de artikelen 4, vierde lid en 6, tweede lid van de Regeling is bepaald hoe de hoogte van een hoge geldsom en een solidariteitsgeldsom wordt berekend. In beide gevallen zijn er twee mogelijkheden: een berekening met en een berekening zonder toepassing van het jongveegetal. Bij beide berekeningen vormt het gemiddeld aantal runderen in de betreffende periode de basis. Uit deze gemiddelden kan immers worden afgeleid in hoeverre een houder heeft gereduceerd. Uit artikel 13 van de Regeling volgt dat gevlagde runderen niet meetellen bij de bepaling van het gemiddeld aantal runderen als hiervoor bedoeld.
Ter nadere uitwerking van de onderdelen die gaan over de berekening van de geldsommen, is in de artikelen 4, vijfde lid en 6, vierde lid, van de Regeling bepaald wanneer het jongveegetal wordt geactiveerd. Gezien de samenhang tussen deze verschillende onderdelen moet het ervoor worden gehouden dat artikel 13 van de Regeling ook heeft te gelden voor de activering van het jongveegetal. Dit betekent dat het jongveegetal niet is geactiveerd door de afvoer van het gevlagde rund op 11 juli 2017.

7.5.

Vervolgens ligt de vraag voor of het jongveegetal wél is geactiveerd door de afvoer van het rund dat op 12 juli 2017 is afgevoerd. Verweerder stelt zich voor het eerst in het verweerschrift op het standpunt dat dit geen gevlagd rund betreft. Appellante weerspreekt dit niet maar betoogt dat dit rund iets mankeerde en ongeschikt was voor de melkveehouderij en daarom is afgevoerd voor de slacht en dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Deze reactie op het verweerschrift is ter zitting naar voren gebracht en verweerder heeft daar nog niet goed op kunnen reageren. Het College kan daarom nog geen oordeel geven over de betekenis van dit tweede afgevoerde rund en zal verweerder hierna de gelegenheid geven zijn standpunt hierover nader te bepalen.

7.6.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het College van oordeel dat verweerder zonder nadere motivering niet heeft kunnen overgaan tot het activeren van het jongveegetal. Daarom is sprake van strijd met artikel 7:12 van Awb.
Beginselen van behoorlijk bestuur

8. Appellante betoogt dat verweerder het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit heeft genomen in strijd met verschillende beginselen van behoorlijk bestuur. Appellante wijst hierbij onder meer op het gelijkheidsbeginsel en stelt dat zij voor een vijfde deel vrijgesteld moet worden van de Regeling omdat een vijfde deel van haar inkomsten uit de verkoop van vlees komt.

8.1.

Dit betoog slaagt niet. Verweerder heeft zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat de situatie van appellante niet gelijk is aan de situatie van zuivere vleesveebedrijven die geen melk produceren. Verweerder heeft daarbij terecht verwezen naar de uitspraak van 30 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:429, waarin het College heeft geoordeeld dat bij de toepassing van de Regeling naar het bedrijf als geheel wordt gekeken.
Omdat het College in overweging 7.4 tot het oordeel is gekomen dat het gevlagde rund het jongveegetal niet heeft geactiveerd, gaat het College niet in op het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel met betrekking tot de toepassing van het jongveegetal door het afgevoerde, gevlagde rund.
Slotsom

9. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal het College verweerder op grond van artikel 8:51d van de Awb opdragen het hiervoor geconstateerde gebrek binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen dan wel een nieuw besluit te nemen.

10. Dit betekent dat verweerder met betrekking tot het op 12 juli 2017 afgevoerde rund moet bezien of in dit geval aanleiding bestaat voor het toepassen van de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 13, derde lid van de Landbouwwet. Verweerder moet bij deze beoordeling ook de uitspraak van het College van 14 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:453, betrekken. Hiertoe zal een termijn van zes weken worden gesteld na verzending van deze tussenuitspraak. Het College zal vervolgens appellante in de gelegenheid stellen om binnen zes weken schriftelijk haar zienswijze te geven over de wijze waarop het gebrek is hersteld. In dat geval en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal het College in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

11. In de einduitspraak zal het College een oordeel geven over de door appellante aangevoerde grond met betrekking tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens zal het College in de einduitspraak een beslissing nemen over de proceskosten en het griffierecht.

Beslissing

Het College

- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in aanwezigheid van
mr. B. van Dokkum, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.