Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:821

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
19/62
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Zoals volgt uit de uitspraak van het College van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4, onder 5.2) wordt bij de toepassing van de knelgevallenregeling een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid, in dit geval de dierziekte, en de bedrijfssituatie op de peildatum van 2 juli 2015. Voor de door appellante bepleite uitleg bestaat geen ruimte. Het betoog van appellante slaagt niet.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/62

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. T. Meijer en mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 28 maart 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante kennelijk ongegrond verklaard.

Bij besluit van 14 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder zijn besluit van 28 maart 2018 vervangen, het bezwaar van appellante gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020. Namens appellante is verschenen maat [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het fosfaatrecht vermeld in het derde lid minimaal vijf procent lager is door – voor zover van belang – diergezondheidsproblemen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Eind 2013 is een dierziekte, Bovine Virus Diarree (BVD), geconstateerd op het bedrijf van appellante. Op 2 juli 2015 hield zij 103 melk- en kalfkoeien en 75 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante bij het primaire besluit vastgesteld op 5.586 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van de knelgevallenregeling het fosfaatrecht van appellante verhoogd tot 6.332 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 1 september 2013 op het bedrijf aanwezig waren, 113 melk- en kalfkoeien en 104 stuks jongvee.

Beroepsgronden

4. Appellante heeft aangevoerd dat met de alternatieve peildatum 1 september 2013 geen recht wordt gedaan aan het sluimerende effect van de BVD. Zij heeft verwezen naar de letterlijke tekst van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Volgens haar sluit deze tekst niet uit dat het fosfaatrecht waarover zij zonder de buitengewone omstandigheid, in dit geval de dierziekte, zou hebben beschikt op een andere wijze wordt bepaald dan door hantering van een alternatieve peildatum. Als gevolg van de BVD heeft appellante in 2014 65 melk- en kalfkoeien en 31 stuks jongvee moeten afvoeren. Indien dit wordt opgeteld bij de dieraantallen die appellante op 2 juli 2015 hield, verminderd met het gemiddelde aantal dieren dat appellante jaarlijks afvoert, kan volgens haar worden vastgesteld over welke dieraantallen zij zonder deze buitengewone omstandigheid zou hebben beschikt.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder heeft zich – onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het College – op het standpunt gesteld dat hij geen rekening kan houden met een hypothetische situatie en dat hij de knelgevallenregeling juist heeft toegepast. Wel heeft hij erkend dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is gerekend met de melkproductie over 2015. Het fosfaatrecht van appellante dient te worden vastgesteld op 6.660 kg.

Beoordeling

6.1

Zoals volgt uit de uitspraak van het College van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4, onder 5.2) wordt bij de toepassing van de knelgevallenregeling een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid, in dit geval de dierziekte, en de bedrijfssituatie op de peildatum van 2 juli 2015. Voor de door appellante bepleite uitleg bestaat geen ruimte. Het betoog van appellante slaagt niet.

6.2

Verweerder heeft erkend dat hij het fosfaatrecht bij het bestreden besluit te laag heeft vastgesteld en dat het fosfaatrecht moet worden vastgesteld op 6.660 kg. Het College zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 23, derde lid, van de Msw. Het College ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en het fosfaatrecht van appellante vast te stellen op 6.660 kg.

Slotsom

7.1

Het beroep is gegrond.

7.2

Het College veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 6.660 kg en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.