Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:818

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
19/1989
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar niet-ontvankelijk. Bezwaar te laat. Niet verschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1989

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2020 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. C.W.I. van Vlokhoven),

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. E. Goos).

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerster appellante ontbonden op grond van artikel 2:19a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Bij besluit van 12 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] . Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellante heeft haar bezwaarschrift niet binnen de wettelijke bezwaartermijn ingediend. Appellante bestrijdt dit niet. Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft niet-ontvankelijkverklaring van een te laat ingediend bezwaarschrift achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 6:11 van de Awb ziet op gevallen waarin appellante redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden.

2. Appellante voert in beroep aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zij stelt dat het haar niet duidelijk was wat de rechtsgevolgen waren van het besluit, omdat zij niet in de gaten had dat verweerster niet tot deregistratie had besloten, maar tot een ontbinding. Zij was daarom in de veronderstelling dat herinschrijving te allen tijde kon geschieden. Daarom heeft zij pas nadat er duidelijkheid bestond over de afwikkeling van de faillissementen van haar deelnemingen bezwaar gemaakt. Appellante stelt na de faillissementen van haar deelnemingen steeds actief te zijn geweest. Daarnaast stelt appellante dat de termijnoverschrijding niet in de weg staat aan de toetsing van het besluit aan artikel 2:19a BW.

3. Het College ziet in de door appellante aangevoerde omstandigheid geen reden voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De bezwaartermijn waarborgt de rechtszekerheid. Als de termijn is verlopen, moet van de in het primaire besluit neergelegde rechtsbetrekking uitgegaan kunnen worden. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan worden afgeweken.

4. In dat wat appellante heeft aangevoerd, heeft verweerster geen aanleiding behoeven te zien om een uitzonderlijk geval aan te nemen. Het ligt immers op de weg van appellante om, als zij daar behoefte aan heeft, tijdig over de inhoud en de mogelijke consequenties van het primaire besluit advies in te winnen. De omstandigheid dat voor de afloop van de bezwaartermijn nog geen duidelijkheid bestond over de afhandeling van de faillissementen van haar deelnemingen had haar er niet van hoeven te weerhouden om tijdig een pro forma bezwaarschrift in te dienen. De bezwaartermijn is, anders dan de aan verweerster gegeven termijn voor het indienen van een verweerschrift, een fatale termijn. De vergelijking die appellante maakt tussen het door haar niet tijdig indienen van het bezwaarschrift en het door verweerder niet binnen de termijn indienen van het verweerschrift en de conclusie die appellante daaraan verbindt deelt het College daarom niet.

5. Verweerster heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het College komt daarom niet toe aan de bespreking van wat appellante in beroep heeft aangevoerd tegen de ontbinding.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2020.

De raadsheer is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen.