Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:815

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
19/1321
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB; uitbetaling basis- en vergroeningsbetaling 2018; percelen ook na inundatieperiode (van beheerspakket plasdras) nog deels onder water. Geen sprake van landbouwgrond.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1321

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2020 in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2] gezamenlijk h.o.d.n. Maatschap [naam 3], te [plaats] , appellante

(gemachtigden: mrs. R.A. Bakker en H. Sikkema),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. van der Zwaard en mr. M. van den Brink).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (basisbetaling) en vergroeningsbetaling voor het jaar 2018.

Bij besluit van 17 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling gewijzigd vastgesteld.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Op 9 april 2018 heeft verweerder de Gecombineerde opgave 2018 van appellante ontvangen, waarin zij om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2018 heeft verzocht.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder een bedrag van € 27.802,10 vastgesteld aan basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2018. Daarbij heeft verweerder van de voor uitbetaling opgegeven oppervlakte van 82,86 hectare (ha) slechts 79,46 ha in aanmerking genomen. Verweerder heeft de oppervlakte van een aantal percelen, waaronder de in geschil zijnde percelen 59, 60 en 61, kleiner vastgesteld dan door appellante is opgegeven.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het bedrag dat appellante aan basis- en vergroeningsbetaling ontvangt gewijzigd vastgesteld op € 27.900,17. Verweerder heeft de percelen 59, 60 en 61 opnieuw beoordeeld en geconcludeerd dat deze percelen terecht niet zijn aan te merken als subsidiabele landbouwgrond als bedoeld in artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Uit het door appellante overgelegde ‘overzicht beheereenheden’ van de Subsidieregeling SNL blijkt dat de inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 mei. Verweerder leidt uit de luchtfoto’s en satellietbeelden af dat op de percelen 59, 60 en 61 buiten deze periode geen gewas te zien is.

3. In beroep voert appellante aan dat zij op de percelen 59, 60 en 61 plasdrasbeheer uitvoert in het kader van weidevogelbeheer, waarbij de percelen tussen 15 februari en 15 mei onder water worden gezet. Na deze periode, als alle vogels sterk genoeg zijn om uit te vliegen, wordt het water afgevloeid en wordt de oppervlakte van de percelen 59, 60 en 61 agrarisch gebruikt (om gras te winnen). Dit betekent dat de oppervlakte van deze percelen gedurende zeven maanden van het jaar – zo ook in het jaar 2018 – als grasland in gebruik is. Omdat de landbouwgrond ook geen ruigte en/of pitrus bevat, kunnen deze percelen volgens appellante worden aangemerkt als (blijvend) grasland. Appellante wijst in dit verband nog op artikel 2.10, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, waarin is bepaald dat landbouwactiviteiten geen noemenswaardige hinder ondervinden als er gedurende meer dan 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van contracten op basis van de subsidieregeling SNL, waarvan het beheerpakket ‘vochtig weidevogelgrasland’ deel uitmaakt. Bovendien is deze uitleg in overeenstemming met de e-mail van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van 11 mei 2017, waaruit blijkt dat ook RVO van mening is dat plasdras kan worden gezien als een landbouwactiviteit. Na de periode dat het plasdras is, moeten er wel landbouwactiviteiten op het perceel worden uitgevoerd of een opbrengst van het perceel wordt gehaald. In dat geval blijft het perceel landbouwgrond en subsidiabel voor (de uitbetaling van) betalingsrechten.

4. In het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet dat appellante voor de percelen 59, 60 en 61 weliswaar een contract op basis van de Subsidieregeling SNL heeft afgesloten, maar dat geen sprake is van landbouwgrond waarop na de inundatieperiode (van 15 februari 2018 tot 15 mei 2018) teelt of begrazing mogelijk is. Uit het ter beschikking staand beeldmateriaal blijkt dat de percelen buiten de inundatieperiode ook (deels) onder water staan.
Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat percelen, die enige tijd onder water hebben gestaan in verband met plasdrasbeheer, binnen een redelijke periode weer geschikt moeten zijn voor landbouwactiviteiten, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van Verordening 1307/2013. Verweerder hanteert daarbij een termijn van één of twee maanden waarbinnen op deze percelen weer gras moet (kunnen) groeien, afhankelijk van de ligging van de percelen in natte(re) of droge gebieden en hoe lang het duurt voordat het water is afgevloeid. Een beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de e-mail van 11 mei 2017 kan volgens verweerder niet slagen, omdat er geen beroep kan worden gedaan op het vertrouwensbeginsel tegen een duidelijke bepaling van het Unierecht. Tevens wijst verweerder erop dat de (juistheid van de) door een medewerker verstrekte informatie in het algemeen nauw samenhangt met de vraagstelling, die in het onderhavige geval algemeen van aard was en niet zag op de specifieke situatie van appellante en evenmin op het hier aan de orde zijnde (aanvraag-)jaar 2018.

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

Voor de vaststelling van het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt. Onder 'landbouwareaal' wordt verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013). De oppervlakte moet daarom, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), Demmer van 2 juli 2015, C-684/13 (ECLI:EU:C:2015:439), punt 54).

5.2

In artikel 2.10, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, zoals deze gold ten tijde van belang, is bepaald dat voor de toepassing van artikel 32, derde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geen sprake is van noemenswaardige hinder voor de uitoefening van landbouwactiviteiten, indien de duur van de niet-landbouwactiviteiten op een landbouwareaal 90 dagen in het jaar van aanvraag niet overschrijdt en dat er evenmin sprake is van noemenswaardige hinder indien op een landbouwareaal voor meer dan 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van contracten op basis van subsidieregelingen ANLB of SNL, mits de landbouwgrond na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is als bedoeld in artikel 4 eerste lid, onderdeel c, onder ii, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

5.3

Vast staat dat appellante op grond van de door haar afgesloten SNL-overeenkomst verplicht is om de percelen 59, 60 en 61 in de periode van 15 februari en 15 mei onder water te laten staan. Uit het door verweerder overgelegde en ter zitting digitaal getoond beeldmateriaal, waaronder winter- en zomerfoto’s en (panoramische) beelden op straatniveau van Cyclomedia, die op verschillende momenten in het jaar 2018 zijn genomen, blijkt echter dat (grote) delen van de percelen die in geschil zijn vrijwel steeds onder water staan, dan wel vernat of verruigd zijn, zodat van (subsidiabele) landbouwgrond geen sprake is. De door appellante overgelegde satellietfoto’s van mei 2018 tot en met september 2018 geven geen ander beeld. De op die satellietfoto’s zichtbare kleur (zwart- en grijsachtig) en structuur van de percelen wijkt af van de kleur en structuur die de percelen behoren te hebben als sprake is van grasland.

6. Nog los van het feit dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder ter zake uitdrukkelijke, ongeclausuleerde toezeggingen heeft gedaan over de (subsidiabiliteit van de) percelen 59, 60 en 61, kan hetgeen appellante heeft aangevoerd niet ertoe leiden dat verweerder de door hem afgekeurde percelen in weerwil van de artikelen 4 en 32 van Verordening 1307/2013 als subsidiabele landbouwgrond moet aanmerken en dat appellante de betalingsrechten voor deze percelen alsnog krijgt uitbetaald. Het gaat namelijk om volledig Unierechtelijk geregelde betalingen waarop het ongeschreven Unierechtelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is. Zoals het College eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:489), kan op grond van de rechtspraak van het Hof het vertrouwensbeginsel niet tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling worden aangevoerd en kan een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit bij een marktdeelnemer geen gewettigd vertrouwen op een met het Unierecht strijdige behandeling opwekken (zie het arrest van 20 juni 2013, zaak C‑568/11, Agroferm (ECLI:EU:C:2013:407), punt 52 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak). Appellante kan zich reeds hierom niet met succes beroepen op het vertrouwensbeginsel.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2020.

De Voorzitter is verhinderd te ondertekenen. De griffier is verhinderd te ondertekenen.