Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:811

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
17/1536
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:6913, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Boete. Varkens zijn aangehaakt terwijl zij nog bij bewustzijn waren en de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid is niet aangehouden tot de dood was ingetreden. Artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 15, lid 3, aanhef en onder a van Verordening (EG) 1099/2009.

Wetsverwijzingen
Wet dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 17/1536

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2020 op het hoger beroep van:

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2017, kenmerk

ROT 16/3623, in het geding tussen

appellante


en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister,

(gemachtigde: mr. E.M. Scheffer).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 8 september 2017 (niet gepubliceerd).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voor appellante is tevens verschenen [naam 2] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor de minister zijn tevens verschenen [naam 3] en [naam 4] , toezichthouders bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Grondslag van het geschil

1.1

Op 12 juni 2015 heeft een toezichthouder van de NVWA een controle verricht in het slachthuis van appellante. De bevindingen van deze controle zijn door de toezichthouder neergelegd in het rapport van bevindingen van 16 juni 2015 (rapport van bevindingen). Het rapport van bevindingen vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Datum en tijdstip van de bevinding: vrijdag, 12-06-2015 omstreeks 15:30 uur.
In het bedrijf aangesproken : de heer [naam 5] , functie: Halchef.

Tijdens mijn regulier toezicht belast met de AM-keuring op het slachthuis van [naam 1] B.V. bevond ik mij in de vuile hal ter plaatse waar de varkens aangehaakt en gestoken worden als ze uit de samson (CO₂ –verdovingsunit) komen.

Ik hoorde daar dat de opgehangen varkens gilden en zag dat deze varkens rondkeken en knipperden met de ogen en aan de pootketting hingen te spartelen terwijl 2 medewerkers van [naam 1] B.V. bezig waren met het elektrisch nabedwelmen aan de hangbaan van deze varkens.

Ik stelde vast dat er geen controles werden uitgevoerd om te waarborgen dat de dieren na de CO₂ –bedwelming geen tekenen van bewustzijn of gevoeligheid meer vertonen, want ondanks dat men kon horen en zien dat de varkens slecht bedwelmd waren bleef men gewoon doorgaan met het aanhaken van de varkens die uit de samson (CO₂ –verdovingsunit) kwamen zonder te controleren of deze goed bedwelmd waren.

Ik stelde vast dat het bewustzijnsverlies na de bedwelming niet aanhield tot het dier dood was. Ik zag namelijk ook dat meerdere varkens tijdens het verbloeden met de ogen knipperden, ritmische ademhaling vertoonden en zich probeerden op te richten. De dieren zijn daarmee ernstig vermijdbaar lijden berokkend.”

1.2

Bij besluit van 2 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft de minister aan appellante een boete opgelegd van in totaal € 3.000,- vanwege drie beboetbare feiten. Het eerste beboetbare feit is dat bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten er niet voor werd gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werd bespaard. Volgens de minister handelde appellante daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (Verordening 1099/2009). Het tweede beboetbare feit is dat de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid niet werd aangehouden tot bij het dier de dood was ingetreden. Volgens de minister handelde appellante daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 4, lid 1, van Verordening 1099/2009. Het derde beboetbare feit is, na wijziging van de wettelijke grondslag in het hierna te noemen bestreden besluit II, dat appellante een verboden fixatiemethode heeft toegepast, door het ophangen of optakelen van dieren die bij bewustzijn zijn. Volgens de minister overtrad appellante daarmee het bepaalde in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 15, lid 3, aanhef en onder a, van Verordening 1099/2009. De minister heeft voor de beboetbare feiten 1 en 2 zodanige samenhang aangenomen dat appellante daarvoor slechts éénmaal is beboet.

1.3

Bij besluit van 21 april 2016 (het bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

1.4

Bij zijn besluit van 10 februari 2017 (het bestreden besluit II) heeft de minister het besluit van 21 april 2016 herzien en het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante, voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit I, niet-ontvankelijk verklaard en voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiser en verweerder respectievelijk appellante en de minister moet worden gelezen.

“4.2. Met de uiteenzetting ter zitting dat de werkelijke gang van zaken anders is geweest, heeft eiseres geen aanknopingspunten aangedragen voor twijfel aan de juistheid van het rapport van bevindingen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het rapport van bevindingen voldoende uitgangspunten biedt voor de conclusie dat de dieren niet of in onvoldoende mate waren bedwelmd. Hoewel in het rapport van bevindingen wellicht onvoldoende tot uitdrukking is gekomen dat de toezichthouder tijdens de controle heeft vastgesteld dat in de CO₂-verdovingsunit de concentratie van koolstofdioxide niet het vereiste minimum van 80% was, kan deze omstandigheid eiseres niet baten. Uit het rapport blijkt immers duidelijk dat de varkens bij bewustzijn waren toen zij werden aangehaakt. Dat kan worden afgeleid uit de vaststelling van de toezichthouder dat de varkens gilden, rondkeken, met de ogen knipperden, ritmische ademhaling vertoonden en zich probeerden op te richten. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de varkens bij bewustzijn waren, heeft verweerder verwezen naar het rapport “Indicatoren voor Bewusteloosheid” van de Wageningen Universiteit uit 2009. In dat rapport zijn indicatoren vermeld die hoog scoren en die redelijk unaniem hoog worden gescoord als indicator voor bewusteloosheid: afwezigheid van ritmische ademhaling, direct verlies van houding (collaps) en afwezigheid van oprichtreflex. De betreffende varkens vertoonden deze symptomen juist wel. Daarnaast heeft verweerder verwezen naar een rapport van de European Food Safety Authority (EFSA) uit 2013 waaruit blijkt dat het EFSA Panel on Animal Health and Welfare concludeert dat ademhaling en ooglidreflex indicatoren zijn voor bewustzijn (pagina 46). Gelet op de bevindingen van de toezichthouder is niet voldaan aan de indicatoren voor bewusteloosheid.

4.3.

Nu de dieren in dit geval zijn aangehaakt terwijl zij nog bij bewustzijn waren, heeft eiseres een verboden fixatiemethode toegepast als bedoeld in artikel 15, derde lid, aanhef en onder a, van Verordening 1099/2009. Het betoog van eiseres ter zitting dat het aanhaken en ophangen van een onvoldoende verdoofd dier valt onder artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van Verordening 1099/2009 volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van Verordening 1099/2009 betrekking op het buiten bewustzijn houden van het dier totdat de dood is ingetreden en ziet deze bepaling niet, zoals door eiseres ter zitting is betoogd, op het net zo lang bedwelmen van een dier totdat de dood intreedt. Op het doden ziet de tweede alinea van artikel 4, eerste lid, van Verordening 1099/2009. Uit die alinea volgt dat het (eenvoudig) bedwelmen altijd wordt gevolgd door een methode die de dood garandeert.

Artikel 15, derde lid, aanhef en onder a, van Verordening 1099/2009 bepaalt dat het verboden is om dieren die nog bij bewustzijn zijn te fixeren door middel van ophangen of optakelen. Anders dan eiseres ter zitting heeft betoogd, ziet fixatie niet uitsluitend op een handeling voordat je tot verdoving overgaat. Onder “fixeren” wordt blijkens artikel 2, aanhef en onder p, van Verordening 1099/2009 verstaan het toepassen op een dier van iedere methode die erop is gericht de bewegingen van het dier te beperken en het tegelijk vermijdbare pijn, vermijdbare angst of vermijdbare opwinding te besparen, teneinde het doeltreffend bedwelmen en doden te vergemakkelijken (cursivering door de rechtbank). Hieruit volgt dat fixatie ook betrekking kan hebben op het (bedwelmd) doden van dieren. Dat de varkens elektronisch aan de hangbaan werden nabedwelmd, zoals de toezichthouder blijkens het rapport van bevindingen heeft geconstateerd, duidt erop dat de dieren nog bij bewustzijn waren toen ze aan de hangbaan werden opgehangen.

4.4.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres in strijd heeft gehandeld met artikel 15, derde lid, aanhef en onder a, van Verordening 1099/2009 en tevens in strijd heeft gehandeld met artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van Verordening 1099/2009. Eiseres heeft daarmee artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in samenhang gelezen met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren overtreden, zodat verweerder bevoegd was om eiseres daarvoor een boete op te leggen. Eiseres heeft de hoogte van de boete niet betwist.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Appellante keert zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister op grond van het rapport van bevindingen terecht heeft vastgesteld dat zij artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 15, lid 3, aanhef en onder a, van Verordening 1099/2009 heeft overtreden. De varkens worden bedwelmd met een CO₂-verdovingsunit (Samson). Deze stopt automatisch als de concentratie CO₂ lager is dan 80%. Het is volgens appellante dan ook niet mogelijk dat varkens met een te lage concentratie CO₂ zijn bedwelmd. Vanwege een storing van de CO₂-verdovingsunit heeft appellante de varkens, conform het door de NVWA getoetste protocol, bedwelmd met een elektrische verdovingstang. Dit verklaart de waargenomen stuiptrekkingen en weergegeven tekenen. De toezichthouder die het rapport van bevindingen heeft opgesteld, heeft in een schriftelijke verklaring bevestigd dat hij niet heeft geconstateerd dat appellante varkens de CO₂-verdovingsunit in heeft laten lopen terwijl de machine aangaf dat het CO₂ gehalte nog onder de 80% was. Vanwege het achtergrondgeluid in de slachthal is het volgens appellante onwaarschijnlijk dat het gillen van de varkens duidelijk te horen was voor de toezichthouder. Hieruit blijkt volgens appellante dat de gang van zaken anders is geweest dan is beschreven in het rapport van bevindingen.

4. Voor de beoordeling van deze zaak gaat het College uit van het wettelijk kader zoals dat is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

5.1

Het College overweegt als volgt. In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. De minister moet daarom het bewijs leveren dat appellante artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 15, lid 3, aanhef en onder a van Verordening 1099/2009 heeft overtreden en daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Voor het bewijs dat appellante voornoemde bepalingen heeft overtreden steunt de minister op de in het rapport van bevindingen beschreven waarnemingen van de toezichthouder.

5.2

Het rapport van bevindingen vermeldt, voor zover hier van belang, dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat opgehangen varkens gilden, dat deze varkens rondkeken en knipperden met de ogen en aan de pootketting hingen te spartelen terwijl twee medewerkers bezig waren met het elektrisch nabedwelmen aan de hangbaan van deze varkens. De toezichthouder stelde vast dat er geen controles werden uitgevoerd om te waarborgen dat de dieren na de bedwelming geen tekenen van bewustzijn of gevoeligheid meer vertoonden. Verder stelde de toezichthouder vast dat het bewustzijnsverlies na de bedwelming niet aanhield tot het dier dood was. Hij zag dat meerdere varkens tijdens het verbloeden met de ogen knipperden, ritmische ademhaling vertoonden en zich probeerden op te richten. Ter zitting heeft de toezichthouder toegelicht dat er ten tijde van de controle een storing was van de CO₂-verdovingsunit. Er konden geen varkens de machine in, maar er kwamen nog wel varkens uit. Hij heeft niet gezien dat varkens de CO₂-verdovingsunit in zijn gegaan terwijl de machine aangaf dat het CO₂ gehalte nog onder de 80% was, maar hij heeft wel gezien dat de varkens die uit de CO₂-verdovingsunit kwamen onvoldoende waren bedwelmd. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de in het rapport van bevindingen beschreven - en ter zitting nader toegelichte - gang van zaken. Deze beschrijving is ook niet tegenstrijdig met de door appellante in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van de toezichthouder. Voor wat betreft de in het bestreden besluit genoemde overtredingen is bovendien niet van belang of de varkens bedwelmd werden met een elektrische verdovingstang of afkomstig waren uit de CO₂-verdovingsunit. In beide gevallen dient appellante er zorg voor te dragen dat de varkens in voldoende mate zijn bedwelmd voordat zij aan de hangbaan worden opgehangen en dient de toestand van bewusteloosheid aan te houden totdat de dood is ingetreden. De stelling van appellante dat de waargenomen stuiptrekkingen verklaard kunnen worden doordat de varkens ten tijde van de controle bedwelmd werden met een elektrische verdovingstang in plaats van met de CO₂-verdovingsunit doet niet af aan de geconstateerde overtredingen. Bovendien blijkt uit de gedetailleerd beschreven waarnemingen in het rapport van bevindingen dat niet alleen sprake was van stuiptrekkingen, maar dat er meer indicatoren waren dat de varkens onvoldoende verdoofd waren. Het rapport van bevindingen vermeldt dat de varkens gilden, rondkeken, met de ogen knipperden, ritmische ademhaling vertoonden en zich probeerden op te richten. Het betoog van appellante dat het vanwege het achtergrondgeluid in de slachthal onwaarschijnlijk is dat het gillen van de varkens duidelijk te horen was voor de toezichthouder volgt het College niet. Appellante heeft haar stelling onvoldoende concreet onderbouwd en bovendien heeft de toezichthouder voldoende toegelicht dat het gillen duidelijk te horen was, ondanks het aanwezige achtergrondgeluid en dat hij bij het gillen ook de bek van de varkens open zag gaan. Het College ziet geen aanknopingspunten om aan de juistheid van deze toelichting van de toezichthouder te twijfelen.

5.3.

Gelet op het voorgaande heeft de minister op grond van het rapport van bevindingen terecht vastgesteld dat de varkens zijn aangehaakt terwijl zij nog bij bewustzijn waren en dat de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid niet is aangehouden tot de dood was ingetreden. Daarmee heeft appellante er niet voor gezorgd dat bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Appellante heeft dan ook in strijd gehandeld met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in samenhang gelezen met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 15, lid 3, aanhef en onder a van Verordening 1099/2009. Verweerder was vanwege die overtredingen bevoegd om appellante een boete op te leggen.

5.4

Appellante heeft de hoogte van de boete niet betwist. Overigens zijn het College geen feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven het boetebedrag te matigen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. J.L.W. Aerts en mr. M.M. Smorenburg in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.

Bijlage

Verordening 1099/2009

Artikel 3 Algemene voorschriften voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten

1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard.
(…)

Artikel 4 Verdovingsmethoden

1. Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden.
De in bijlage I vermelde methoden die niet de onmiddellijke dood tot gevolg hebben (hierna „eenvoudige bedwelming” genoemd), worden zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert, zoals verbloeden, pithing, elektrocutie of langdurige blootstelling aan zuurstoftekort.
(…)

Artikel 15 Behandeling van dieren en fixatieactiviteiten in slachthuizen

(…)

3. De volgende fixatiemethoden zijn verboden:

a) het ophangen of optakelen van dieren die bij bewustzijn zijn;
(…)

Bijlage I, Hoofdstuk II Specifieke voorschriften voor bepaalde methoden

(…)

7. 7. Koolstofdioxide in hoge concentratie

Bij varkens, marterachtigen en chinchilla’s bedraagt de minimale concentratie koolstofdioxide 80 %.

Wet dieren

Artikel 6.2 Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen

1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

Regeling houders van dieren

Artikel 5.8 Verbodsbepaling

Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, 9, 12, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste, tweede en derde lid, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, 19, 21, zesde lid, 24 en 28, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.