Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:803

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
19/182
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet artikel 23, derde lid, Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet artikel 72, eerste lid, Eerste Protocol bij het EVRM artikel 1, Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6

Appellant voldoet niet aan (de letter van) artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit (nieuw gestart bedrijf). Hij kan hieraan dan ook geen aanspraken op extra fosfaatrechten ontlenen. Het baat appellant niet, gelet op de inmiddels gewijzigde regelgeving, dat hij eerder, in het kader van de Regeling, wel als knelgeval en startend bedrijf is aangemerkt. Appellant heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM wordt toegewezen.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/182

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2020 in de zaak tussen

Melkveehouderij [naam 1] , te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: ing. J. Pot)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kuiper).

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 7 december 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, de op 27 maart 2018 ontvangen melding bijzondere omstandigheden afgewezen en het primaire besluit gehandhaafd.

Appellant heeft op 15 januari 2019 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2020. Appellant en de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Appellant heeft zich verder doen vergezellen door [naam 2] (verpachter) en [naam 3] .

Appellant heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dat verband heeft het College de Staat als partij aangemerkt.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2.

Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoerings-besluit) verhoogt de minister, op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf, het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de wet. Ingevolge artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit is een nieuw gestart bedrijf een bedrijf dat aantoonbaar:

a. beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevings-vergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee;

b. onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015;

c. tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking;

d. op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 1°, van de wet;

e. geen aanspraak maakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de wet.

1.3.

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1.

Appellant pacht sinds 14 juli 2014 de boerderij met stallen en grond aan de [adres 1] te [plaats 1] en exploiteert daar als eenmanszaak een melkveebedrijf. Appellant pacht sinds 1 januari 2017 ook de locatie [adres 2] te [plaats 2] . Hij heeft op 29 maart 2017 bij verweerder een melding bedrijfsoverdracht gedaan waarin hij heeft vermeld dat de verpachter een gedeelte aan hem overdraagt en dat hij dat samenvoegt met zijn bedrijf aan de [adres 1] .

2.2.

Bij besluit van 12 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders (B&W) van [gemeente] (het bevoegd gezag) aan [naam 4] een vergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer, voor het oprichten en in werking hebben van een melkrundvee- en varkenshouderij met 91 melkkoeien, 15 stuks jongvee en 49 mestvarkens op de locatie [adres 1] te [plaats 1] . Bij besluit van 10 september 2009 is aan Maatschap [naam 5] een vergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een agrarische inrichting met 60 melkkoeien, 77 stuks jongvee, paarden en pony’s, op de locatie [adres 2] te [plaats 2] .

2.3.

Op 21 maart 2018 heeft appellant een melding Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan voor aanpassingen aan de stal in 2010. Appellant heeft op 21 maart 2019 een melding Activiteitenbesluit gedaan, waarin hij heeft vermeld dat [naam 1] op 14 juli 2014 is gestart met Melkveehouderij [naam 6] , op het adres [adres 1] , [plaats 1] en dat de reden van de melding was het veranderen van het bedrijf.

2.4.

Bij besluiten op bezwaar van 8 mei 2018 en 11 mei 2018 (thans niet in geding) heeft verweerder vastgesteld dat appellant voldoet aan artikel 12 van de Regeling fosfaatreductie-plan 2017 (Regeling) en de aanvulling van het rapport van de Commissie Kalden (nieuw gestart bedrijf). Ervan uitgaande dat appellant op 2 juli 2015 een stalcapaciteit had van 198,86 GVE en toen in totaal 72,31 GVE hield, heeft verweerder appellant in die besluiten de helft van het verschil, 63,28 GVE, extra toegewezen. Het referentieaantal is, met een korting van 4% wegens het niet grondgebonden zijn in die besluiten vastgesteld op 130,17 GVE.

Besluiten van verweerder

3.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant, met toepassing van een korting van 169,5 kg, vastgesteld op 2.761 kg. Hij is daarbij uitgegaan van het aantal dieren dat op 2 juli 2015 op het bedrijf van appellant aanwezig was, te weten 58 melk- en kalfkoeien en 43 stuks jongvee.

3.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hij merkt appellant niet aan als nieuw gestart bedrijf in de zin van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit. Hij volgt appellant niet in zijn standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt.

Beroepsgronden

4.1.

Appellant wilde in 2014 een melkveebedrijf starten met als doel door te groeien naar 150 melkkoeien inclusief bijbehorend jongvee. Dat was voor hem financieel alleen mogelijk op een pachtlocatie als de [adres 1] met gebouwen voor het huisvesten van koeien, waaronder een ligboxenstal voor 91 melkkoeien. Toen de veestapel groter werd is een tweede locatie aan de (pacht)overeenkomst toegevoegd, [adres 2] te [plaats 2] , die hij vanaf 2017 in gebruik heeft genomen. Banken wilden hem geen geld lenen omdat er sprake is van een pachtbedrijf. Hij heeft geld geleend van familie en vrienden om in 2014 een deel van de veestapel aan te kopen en om deze in 2015 en 2016 uit te breiden. Hij heeft in 2014 ruim
€ 110.000,- en in 2015 € 98.000,- geïnvesteerd in vee, installaties en machines voor zijn bedrijf. In 2014, 2015 en 2016 was de melkprijs lager dan begroot en was een snellere uitbreiding van de veestapel financieel niet haalbaar. Hij moest uitbreiden met eigen aanwas. In 2017 ging het beter.

4.2.

Appellant stelt dat hij voldoet aan alle voorwaarden van de startersregeling van artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. De boerderij die hij op 14 juli 2014 heeft gepacht werd al vier jaar niet meer bewoond. Hij heeft zich toen meteen gemeld bij de gemeente [gemeente] met de vraag wat hij moest doen om met zijn melkveehouderij te beginnen en kreeg te horen dat er op de locatie van de boerderij een milieuvergunning van 12 januari 2004 lag op grond waarvan hij meteen kon beginnen. Dat verweerder hem aanrekent dat hij toen geen eigen omgevingsvergunning heeft aangevraagd of zelf een melding Activiteitenbesluit heeft gedaan, is in strijd met het redelijkheidsbeginsel en het rechtvaardigheidsbeginsel. De vergunning is locatiegebonden. Aan alle andere vereisten om te worden aangemerkt als een nieuw gestart bedrijf voldoet hij wel. Hij is in juli 2014 feitelijk een nieuw bedrijf gestart. Hij heeft melkvee aangekocht, heeft zich per 6 oktober 2014 aangemeld bij DOC-kaas B.A. en is toen melk gaan leveren. Omdat hij eind 2014 is gestart, had hij op de peildatum 2 juli 2015 nog niet het maximaal aantal melkkoeien dat hij zou moeten en kunnen hebben voor een gezonde bedrijfsvoering. Dat aantal heeft hij inmiddels wel, maar omdat hij niet als nieuw gestart bedrijf wordt aangemerkt heeft hij te weinig fosfaatrechten om zijn veehouderij te kunnen voortzetten. Dat zal leiden tot zijn faillissement. Het is voor hem niet te begrijpen dat hij in het kader van de Regeling wel en in het kader van het fosfaatrechtenstelsel niet als nieuw gestart bedrijf is aangemerkt. Er moet volgens appellant niet gekeken worden naar de letter van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit maar naar het doel van deze regeling. De reden waarom - anders dan het advies van de Commissie Kalden - artikel 72 bepaalt dat de omgevingsvergunning moet zijn verleend aan de landbouwer zelf en de melding door hem zelf moet zijn gedaan is niet duidelijk en wordt nergens toegelicht. Appellant behoort volledig tot de doelgroep van de startersregeling. Hij wil alsnog worden aangemerkt als nieuw gestart bedrijf. Voor beide locaties tezamen heeft hij vergunningen voor 151 melk- en kalfkoeien en 105 stuks jongvee.

4.3.1.

Appellant stelt dat, indien zijn beroep de startersregeling niet wordt gehonoreerd, er sprake is van een individuele en buitensporige last en strijd met artikel 1 van het EP. Hij vindt voor dit standpunt steun in het arrest van het Hof Den Haag van 31 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3067, r.o. 41.

4.3.2.

Verder stelt appellant dat het fosfaatrechtenstelsel ten onrechte geen rekening houdt met melkveehouders als hij, die de opbouw of uitbreiding van hun bedrijf, waarin zij hebben geïnvesteerd, door bijzondere omstandigheden nog niet (volledig) hadden gerealiseerd op 2 juli 2015. Voorafgaand aan die datum was het fosfaatrechtenstelsel niet voorzienbaar. In zijn geval is bovendien geen sprake van uitbreiding van huisvesting, maar van het opnieuw in gebruik nemen van bestaande huisvesting. Het fosfaatrechtenstelsel is buitenproportioneel. De investeringen kunnen door appellant en de verpachter niet worden terugverdiend. Appellant wordt niet als nieuw gestart bedrijf aangemerkt omdat de door het bevoegd gezag verleende vergunning op grond van de Wet milieubeheer niet op zijn naam staat. Dat is echter in de praktijk niet voorgeschreven. Degene die de activiteit uitvoert is volgens appellant formeel als houder van de vergunning aan te merken. Appellant valt onder de startersregeling, maar zijn fosfaatrecht wordt niet verhoogd. Dit betekent dat hij onevenredig hard wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel. De jarenlange onzekerheid over het voortbestaan van zijn bedrijf heeft zijn gezondheid geschaad. Daardoor moet hij arbeid van derden inhuren, wat weer leidt tot extra kosten.

4.3.3.

Appellant stelt dat er een bedrijfseconomische noodzaak is, zowel financieel als praktisch, bijvoorbeeld om voldoende melk te kunnen leveren aan de fabriek, voor het houden van tenminste 115 melkkoeien. Het is voor hem niet mogelijk om fosfaatrechten te kopen of te leasen. Indien zijn fosfaatrecht niet hoger wordt vastgesteld, heeft het bedrijf geen toekomst meer en moet hij stoppen. In dat geval raakt de individuele buitensporige last niet alleen hem maar ook de investeerders en de leveranciers.

4.3.4.

Appellant heeft een berekening laten opstellen om te bepalen hoeveel fosfaatrechten hij nodig heeft. Daaruit blijkt dat er minimaal 103 melkkoeien en 60 stuks jongvee nodig zijn om aan de jaarlijkse verplichtingen te voldoen. Daarbij is geen rekening gehouden met het aflossen van openstaande kortlopende schulden of het opbouwen van een buffer. Het aantal dieren dat hem bij het fosfaatreductieplan 2017 is toegewezen vanuit de startersregeling, te weten 114 melkkoeien en 60 stuks jongvee (5.458 kg fosfaat), zal het bedrijf weer toekomst geven. Met toepassing van de generieke korting van 8,3% blijft er een fosfaatrecht over om 103 melkkoeien en 60 stuks jongvee te houden. Een hoger fosfaatrecht zou appellant nog meer helpen.

4.4.

Appellant stelt dat verweerder het aantal melkkoeien dat hij op 2 juli 2015 op zijn bedrijf had niet juist heeft vastgesteld. Verweerder is er van uitgegaan hij op 2 juli 2015 in totaal 101 dieren had. Er waren toen echter 103 runderen aanwezig, waaronder één fokstier ouder dan twee jaar. Dan blijft er nog een verschil van één dier over, wat naar schatting van appellant een melkkoe moet zijn.

Standpunten van verweerder

5.1.

Verweerder stelt dat appellant niet kan worden aangemerkt als nieuw gestart bedrijf als bedoeld in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit. Dat appellant in het kader van de Regeling, wel als nieuw gestart bedrijf is aangemerkt maakt dat niet anders.

5.2.

Verweerder stelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fosfaatrechten-stelsel een individuele en buitensporige last op hem legt.

5.3.

Verweerder gaat ervan uit dat hij bij het primaire besluit van de juiste dieraantallen is uitgegaan. Nu appellant geen rundveestaat heeft overgelegd, kan verweerder de juistheid van het andersluidende standpunt van appellant niet beoordelen.

5.4.

Verweerder erkent dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden.

Beoordeling

nieuw gestart bedrijf

6.1.1.

De wetgever heeft er voor gekozen om slechts met een beperkt aantal knelgevallen rekening te houden, waaronder dat van een nieuw gestart bedrijf als vermeld in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit. Wat onder een nieuw gestart bedrijf wordt verstaan is vermeld in artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Indien niet aan alle voorwaarden in die bepaling wordt voldaan, is geen sprake van een nieuw gestart bedrijf in de zin van artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit en is verweerder niet bevoegd het fosfaatrecht met toepassing van artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit hoger vast te stellen.

6.1.2

Tussen partijen is niet in geschil, en ook het College gaat er vanuit, dat appellant niet voldoet aan (de letter van) artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit. Hij kan hieraan dan ook geen aanspraken op extra fosfaatrechten ontlenen. Verder faalt het beroep van appellant op een door hem veronderstelde ruimere bedoeling van deze bepaling. Hiervan blijkt immers niet. De voorwaarde dat de landbouwer moet beschikken over een aan hemzelf verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer zelf ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het houden van melkvee is welbewust in de startersregeling opgenomen. De nota van toelichting op het Uitvoeringsbesluit merkt hieromtrent op dat een omgevingsvergunning die voor 2 juli 2015 is verleend aan een andere (rechts)persoon of een melding gedaan door een andere (rechts)persoon niet voldoende is om aan deze voorwaarde te voldoen. Het College volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat het pachten van een bestaand bedrijf, waarbij gebruik wordt gemaakt van een reeds verleende vergunning die is verleend aan de vorige pachter, maakt dat er geen sprake is van een nieuw gestart bedrijf.

6.1.3.

Het College volgt verweerder verder in het standpunt dat het appellant, gelet op de inmiddels gewijzigde regelgeving, in dit geding niet baat dat hij eerder, in het kader van de Regeling, wel als knelgeval en startend bedrijf is aangemerkt. Dit betoog faalt derhalve.

gestelde strijd met artikel 1 van het EP

6.2

Het betoog van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP en buitenproportioneel is, faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd. De verwijzing naar het door appellant geciteerde deel van rechtsoverweging 41 van het arrest van het Hof Den Haag van 31 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3067 treft geen doel reeds omdat deze overweging ziet op de Regeling en niet op het fosfaatrechtenstelsel.

6.3.

Het College is met verweerder van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt en overweegt hiertoe als volgt.

6.3.1.

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.3.2.

Voorop staat dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden (wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd) navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4, heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder. Zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9.

6.3.3.

De door appellant gestelde last als gevolg van het stelsel is 5.458 kg fosfaat. Het College wil wel aannemen dat appellant door het fosfaatrechtenstelsel financieel stevig wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals hiervoor is overwogen, draagt appellant zelf de risico’s die zijn verbonden aan zijn investeringsbeslissingen en kan hij de nadelige gevolgen van een door hem genomen beslissing om een melkveebedrijf te beginnen en uit te breiden in beginsel niet afwentelen op het collectief. In wat appellant heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.3.4.

Gezien het tijdstip waarop appellant zijn investeringen heeft gedaan, te weten in 2014 en 2015, zijn de beslissingen van appellant ter zake, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren, waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019, onder 6.7.5.4, heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Appellant had de in een eerder stadium genomen beslissingen dienaangaande in die periode opnieuw moeten bezien in het licht van de toen geldende omstandigheden. Appellant had ten tijde van de daadwerkelijke uitvoering van zijn plannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat deze, nu zij ook een aanzienlijke groei van de veestapel impliceerden, voor hem meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Voor zover er nog investeringen zijn gedaan na 2 juli 2015 geldt dat het fosfaatrechtenstelsel toen kenbaar was en dat het tot de verantwoordelijkheid van appellant behoorde om hiermee rekening te houden.

6.3.5.

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellant. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP. De onder 4.2 vermelde beroepsgrond slaagt niet.

aantal dieren op 2 juli 2015

6.4.

De ter zitting van het College voor het eerst aangevoerde beroepsgrond dat verweerder bij het vaststellen van het fosfaatrecht van appellant van een onjuist aantal dieren is uitgegaan acht het College tardief. Niet valt in te zien dat appellant, ook al had hij eerder een andere gemachtigde, deze grond niet eerder had kunnen aanvoeren, zodat verweerder de juistheid daarvan had kunnen beoordelen. Het College ziet geen aanleiding het onderzoek in deze zaak te heropenen om verweerder dat alsnog te laten doen. Bovendien strookt het door verweerder in aanmerking genomen aantal dieren met de eigen opgave van appellant naar aanleiding van de servicemelding van 6 augustus 2016, waarmee verweerder appellant in de gelegenheid heeft gesteld om te controleren en aan te geven of de bij verweerder geregistreerde gegevens van het bedrijf van appellant juist zijn. De onder 4.4 vermelde beroepsgrond slaagt niet.

overschrijding redelijke termijn

7.1.

Met betrekking tot het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM, overweegt het College dat in zaken als in dit geding aan de orde als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar (redelijke termijn). Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. De toe te kennen schadevergoeding bedraagt € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

7.2.

Het bezwaarschrift is op 12 februari 2018 door verweerder ontvangen. Op de datum van deze uitspraak is de termijn van twee jaar met ruim acht maanden overschreden. Appellant heeft daarom recht op € 1000,- schadevergoeding. Omdat de overschrijding zowel aan verweerder als aan het College is toe te rekenen, zal het College, nu de bezwaarprocedure langer dan zes maanden, te weten bijna 10 maanden, heeft geduurd en de beroepsprocedure langer dan 18 maanden, te weten ruim 21 maanden, heeft geduurd, verweerder en de Staat naar evenredigheid veroordelen tot de door hen te vergoeden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor de berekening daarvan wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, waarbij, na afronding, vier maanden van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van verweerder komt en het resterende deel, in dit geval ook vier maanden, voor rekening van de Staat. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- (1/2 x € 1.000,-) aan appellant en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van eveneens € 500,- (1/2 x € 1.000,-) aan appellant.

Slotsom

8.1.

Het College zal het beroep ongegrond verklaren. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in verband met de behandeling van het beroep.

8.2.

Het College zal het verzoek om immateriële schadevergoeding toewijzen. Gelet hierop bestaat wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de behandeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding. Het College zal verweerder en de Staat (elk voor de helft) veroordelen in die kosten, die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van een immateriële schadevergoeding van € 500,- ;

  • -

    veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een immateriële schadevergoeding van € 500,-;

  • -

    veroordeelt verweerder en de Staat, ieder voor de helft, in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2020.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen