Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:797

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
20/830
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Handelsregisterbesluit 2008 artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a; artikel 51, derde lid, aanhef en onder a.

De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding verweerster te volgen in haar standpunt dat een bezoekadres van een stichting, als dat gelijk is aan het woonadres van een natuurlijke persoon, niet met toepassing van artikel 51, derde lid, van het Hrb 2008, kan worden afgeschermd. Het bestreden besluit zal in beroep mogelijk niet in stand blijven. Het belang van verzoeker bij onmiddellijke afscherming van het bezoekadres weegt zwaarder dan het door verweerster gestelde belang van rechtszekerheid en het door een ieder kunnen raadplegen van dat adres in het handelsregister. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat verweerster het bezoekadres van de Stichting in het handelsregister afschermt totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/830

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 november 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , verzoeker

en

de Kamer van Koophandel (KvK), verweerster

(gemachtigde: mr. E. Goos).

Procesverloop

Verzoeker heeft op 9 september 2020 bezwaar gemaakt tegen de vermelding van zijn woonadres als bezoekadres (en postadres) van de [Stichting] (Stichting) in het handelsregister.

Verzoeker heeft op 18 september 2020 de voorzieningenrechter verzocht om (hangende bezwaar) een voorlopige voorziening te treffen door verweerster de vermelding van zijn woonadres als bezoekadres van de Stichting uit het handelsregister te laten verwijderen.

Verweerster heeft het bezwaar opgevat als een verzoek om afscherming van het bezoekadres van de Stichting en heeft dat verzoek bij besluit van 15 september 2020 (primair besluit) afgewezen.

Verweerster heeft een reactie op het verzoek om een voorlopige voorziening gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2020. Verzoeker is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De behandeling van het verzoek is in overleg met partijen ter zitting geschorst, om eventueel hangende het beroep tegen het binnen enkele dagen te verwachten besluit op bezwaar, te worden voortgezet.

Bij besluit van 28 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer 20/935).

Verzoeker heeft op 28 oktober 2020 de voorzieningenrechter verzocht om de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening voort te zetten en (hangende beroep) de voorlopige voorziening te treffen dat verweerster de vermelding van zijn woonadres als bezoekadres van de Stichting uit het handelsregister moet verwijderen zolang op zijn beroep nog niet is beslist.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens, zoals ter zitting met partijen besproken, zonder nadere zitting het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

1.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door verzoeker gestelde belang bij het verwijderen van zijn woonadres als bezoekadres van de Stichting uit het openbaar gedeelte van het handelsregister, te weten zijn persoonlijke veiligheid met het oog op de acties die de Stichting voornemens is op korte termijn te gaan voeren, een spoedeisend belang is.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

De Stichting is op verzoek van verzoeker, met tussenkomst van een notaris, sinds 31 juli 2020 ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Daarbij zijn als voor een ieder te raadplegen gegevens vermeld: de naam van verzoeker als (enig) bestuurder en het bezoekadres van de Stichting (bezoekadres). Het bezoekadres is gelijk aan het woonadres van verzoeker (woonadres). Het woonadres van verzoeker als bestuurder is niet openbaar; het is alleen zichtbaar voor de in artikel 51 van het Handelsregisterbesluit 2008 (Hrb 2008) genoemde bestuursorganen, advocaten, deurwaarders, notarissen en instanties.

2.2.

De Stichting is blijkens de registratie in het handelsregister een ideële organisatie die het tegengaan van de gehele of gedeeltelijke vernietiging (door verzoeker genocide genoemd) van, kort gezegd, de Nederlandse nationale, etnische, raciale en godsdienstige identiteit tot doel heeft. Verzoeker is bijvoorbeeld tegen de afschaffing van Zwarte Piet. Hij voert acties en rechtszaken en zoekt daarvoor media-aandacht. In 2019 heeft hij een rechtszaak gevoerd tegen het gebruik van roetveegpieten bij de landelijke intocht van Sinterklaas. Een reactie op internet was: “Kastreren dee gast! Graag minder Nazis op aarde.”

3. Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt tot het afschermen in het openbare deel van het handelsregister van het bezoekadres van de Stichting. Verweerster heeft zich desgevraagd niet bereid verklaard om dat voorlopig uit eigen beweging te doen zolang in rechte nog niet vaststaat of zij daartoe al dan niet is gehouden.

3.1.

Verzoeker stelt dat het op grond van de artikel 51, derde lid, van het Hrb 2008 mogelijk is het bezoekadres van de Stichting, nu dat gelijk is aan zijn woonadres, af te schermen en stelt dat aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan. Volgens hem gaat van de openbare registratie van zijn woonadres een onaanvaardbaar gevaar uit waar geen rechtvaardigingsgrond tegenover staat. Kwaadwillende mensen zullen hem daardoor weten te vinden en zullen hem makkelijker als slachtoffer uitkiezen. In 2019 is hij bedreigd via internet. In 2020 is het aantal bedreigingen toegenomen. Verzoeker noemt concrete voorbeelden van bedreigingen tegen Nederlanders die “weerstand bieden of hebben geboden tegen aspecten of facetten van de multiculturele samenleving”. Volgens hem is in zijn geval sprake van een concrete dreiging. Het is hem niet gelukt om een ander bezoekadres, bijvoorbeeld bij een Stichting met eenzelfde ideële doelstelling, te regelen. Het ontbreekt hem aan financiële middelen om zelf een ander bezoekadres te huren. Volgens verzoeker is het ook in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) om zonder zijn toestemming zijn woonadres openbaar te maken.

3.2.

Verweerster stelt dat het bezoekadres van een stichting in beginsel niet kan worden afgeschermd omdat daarvoor geen wettelijke grondslag is. Uit artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, van het Hrb 2008, volgt dat het bezoekadres van een stichting in het handelsregister moet worden vermeld. Naar aanleiding van de beantwoording van 3 juni 2009 van Kamervragen door (toentertijd) staatssecretaris Heemskerk van Economische Zaken (TK 2008-2009, Aanhangsel 2818, KVR36427), schermt de KvK het bezoekadres in uitzonderlijke gevallen toch af. Dat is het geval als het bezoekadres gelijk is aan het woonadres van een functionaris en sprake is van een concreet bedreigende situatie die maakt dat het belang van de rechtszekerheid, die het handelsregister beoogt te bevorderen, moet wijken voor het belang van de betrokken persoon bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Daarnaast moet blijken dat er geen mogelijkheid is tot het registreren van een ander bezoekadres. In het geval van verzoeker is aan geen van beide voorwaarden voldaan. Van een concreet bedreigende situatie is geen sprake. Voor zover uit de antwoorden van de staatssecretaris volgt dat artikel 51, derde lid, van het Hrb 2008 wel de wettelijke grondslag kan zijn voor het afschermen van een bezoekadres van een stichting, is dat in strijd met de wet en komt daaraan niet de betekenis toe die verzoeker daaraan toekent. Die bepaling ziet, gelet op de systematiek van dat artikel, uitsluitend op woonadressen. Het woonadres van verzoeker is afgeschermd. Als hij een ander bezoekadres kiest, is zijn probleem opgelost. Volgens verweerster is geen sprake van strijd met de AVG.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1.

In dit geding zijn de volgende bepalingen uit het Hrb 2008 van belang :

“Artikel 15

(…)
2. In het handelsregister worden over een rechtspersoon waaraan geen onderneming toebehoort en die geen vestiging heeft, opgenomen:

a. het bezoekadres; (..)

Artikel 51

(…)
3. Het adres van een natuurlijk persoon kan op zijn verzoek worden afgeschermd tegen inzage door anderen dan bestuursorganen, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht, advocaten, deurwaarders, notarissen en de in artikel 28, derde lid, van de wet genoemde organisaties, indien:

a. er sprake is van een waarschijnlijke dreiging;

b. het woonadres in het handelsregister niet kan worden ingezien met betrekking tot een andere onderneming;

c. betrokkene niet beschikt over een openbaar telefoonnummer;

d. deze persoon zelf maatregelen heeft genomen om de bekendheid van zijn adres te verminderen, en

e. het belang van afscherming zwaarder weegt dan de rechtszekerheid in het economisch verkeer.”

4.2.

Verder zijn de volgende passages uit het in 3.2 genoemde Kamerstuk van belang:

“Antwoord van staatssecretaris Heemskerk (Economische Zaken)
(..)

3
Krachtens art. 51, eerste lid, Handelsregisterbesluit 2008 vindt afscherming van woonadressen van functionarissen die aan rechtspersonen zijn verbonden standaard plaats. Afscherming van het woonadres van een natuurlijk persoon aan wie een onderneming (mede) toebehoort kan op verzoek plaatsvinden onder de lid 3 van genoemd artikel genoemde omstandigheden, waarvan de kern is dat er sprake moet zijn van een waarschijnlijke dreiging. (..) Indien het zaakadres een adres is waarop een natuurlijk persoon woonachtig is, is dat zakenadres evengoed een adres dat valt onder de bescherming die artikel 51 derde lid, Handelsregisterbesluit 2008 te bieden heeft.

4
(..) Daarnaast worden, zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven, de meeste privé-adressen van bestuurders en andere functionarissen afgeschermd en kunnen de adressen van natuurlijke personen worden afgeschermd. Die afscherming is ook van toepassing op uittreksels uit het handelsregister. Het door de Kamer van Koophandel verstrekken van gevoelige gegevens zoals privé-adressen wordt dus waar mogelijk en in lijn met de doelen van het handelsregister beperkt. (..)

7
(..) Een onderneming die toebehoort aan een of meer natuurlijke personen, dus een eenmanszaak of maatschap, wordt vaak gevoerd vanuit het woonadres van de eigenaar(s). Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven kan in bijzondere situaties het woonadres, en indien dat daarmee samenvalt ook het zaakadres, van een natuurlijk

persoon aan wie een onderneming (mede) toebehoort worden afgeschermd. Die mogelijkheid is in het Handelsregisterbesluit 2008 opgenomen op verzoek van het

College bescherming persoonsgegevens. (..)

8
(..) De afscherming van de gegevens van natuurlijke personen zoals deze thans is vormgegeven in artikel 51, derde lid, Handelsregisterbesluit 2008 is gelet op de rechtszekerheidsfunctie van het register het hoogst haalbare. (..)”

4.3.

Het is de voorzieningenrechter vooralsnog niet gebleken dat er geen wettelijke grondslag is voor het afschermen van het bezoekadres van een stichting, zoals verweerster stelt. Uit 4.2 volgt dat destijds de staatssecretaris van Economische Zaken de Tweede Kamer heeft meegedeeld dat een zaakadres van een onderneming, indien dat een adres is waarop een natuurlijk persoon woonachtig is, ook valt onder de bescherming die artikel 51, derde lid, van het Hrb 2008, biedt. De staatssecretaris acht de afscherming van gegevens van natuurlijke personen op grond van die bepaling, blijkens zijn antwoord op vraag 8, niet in strijd met de rechtszekerheidsfunctie van het handelsregister. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat niet valt in te zien dat het bezoekadres van een stichting, indien dat een adres is waarop een natuurlijk persoon woonachtig is, niet ook onder de bescherming valt van artikel 51, derde lid, van het Hrb 2008.

4.4.

Dat volgens verweerster uit de tekst en de systematiek van artikel 51, derde lid, van het Hrb 2008, volgt dat die bepaling uitsluitend ziet op afscherming van een woonadres van een natuurlijk persoon, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander dan voormeld oordeel. De tekst van die bepaling laat ruimte voor de interpretatie dat onder het daarin vermelde begrip “adres van een natuurlijk persoon” niet alleen wordt verstaan het (afgeschermde) adres dat in het handelsregister is vermeld als (woon)adres van een persoon, maar ook datzelfde adres als dat in het handelsregister is vermeld als (bezoek)adres van een stichting. Hoewel uit artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a van het Hrb 2008 volgt dat een bezoekadres van een stichting in het handelsregister wordt vermeld, volgt uit die bepaling niet dat het bezoekadres openbaar moet zijn en niet kan worden afgeschermd. Verweerster heeft geen bepaling genoemd waaruit volgt dat, zoals zij stelt, het bezoekadres van een stichting niet kan worden afgeschermd.

4.5.

De wettelijke grondslag voor de mogelijkheid tot het afschermen van het in geding zijnde bezoekadres, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook artikel 51, derde lid, van het Hrb 2008, zodat op basis van de thans voorhanden informatie niet valt in te zien waarom het verzoek zou moeten worden getoetst aan het criterium van een concreet bedreigende situatie.

4.6.

Verweerster had het verzoek om afscherming van het (woonadres als) bezoekadres van de Stichting moeten toetsen aan de voorwaarden daarvoor van artikel 51, derde lid, onder a tot en met e, van het Hrb 2008, waaronder de voorwaarde van een waarschijnlijke dreiging. Dat heeft verweerster niet gedaan. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter gaat ervan uit, dat in het in dit geding aan de orde zijnde geval van verzoeker aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor afscherming van het bezoekadres is voldaan. De voorzieningenrechter is ook van oordeel dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om op korte termijn voor de Stichting een ander bezoekadres te laten registreren.

4.7.

De conclusie is dat het bestreden besluit in beroep mogelijk niet in stand zal blijven. Het belang van verzoeker bij onmiddellijke afscherming van het bezoekadres weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het door verweerster gestelde belang van rechtszekerheid en het door een ieder kunnen raadplegen van dat adres in het handelsregister. De voorzieningenrechter zal daarom bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat het bestreden besluit en het primaire besluit worden geschorst en dat verweerster het verzoek tot afscherming van het bezoekadres toewijst en uitvoert totdat op het door verzoeker ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is beslist dan wel het beroep op andere wijze is beëindigd. Wat partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft daarom thans geen verdere bespreking en kan in de bodemprocedure aan de orde komen.

4.8.

Voor het opleggen van een dwangsom per dag dat verweerster deze uitspraak niet nakomt, zoals verzoeker heeft verzocht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

5. Van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit en het primaire besluit en bepaalt dat verweerster het bezoekadres van de Stichting in het handelsregister afschermt totdat met een uitspraak van het College op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist, dan wel de beroepsprocedure op een andere wijze is beëindigd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2020.

de voorzieningenrechter is verhinderd de griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: