Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:791

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
19/787
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

Artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet

Artikel 72, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Fosfaatrechten. Startersregeling. Appellant is geen nieuw bedrijf gestart, maar heeft zijn onderneming voortgezet op een nieuwe locatie door de aankoop van een bestaand melkveehouderijbedrijf op die locatie. Dit is niet op één lijn te stellen met een nieuw gestart bedrijf. Nu de vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het beginnen van een melkveehouderij op de nieuwe locatie in 2003 aan de toenmalige exploitant is verleend, wordt dan ook niet voldaan aan de onder artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit genoemde (limitatieve) voorwaarde. Het wijzigen van de tenaamstelling van deze vergunning, zoals appellant heeft gedaan, brengt daarin geen verandering omdat appellant immers niet degene is geweest die op deze locatie destijds een melkveehouderij heeft opgericht.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Appellant heeft in 2013 fors heeft geïnvesteerd in de aankoop van een melkveehouderij. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan acht het College die investeringsbeslissing, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren, niet navolgbaar. Dat appellant heeft meegewerkt aan “Ruimte voor de Rivier” en zijn oude bedrijf heeft verkocht om een onteigening af te wenden, is begrijpelijk maar de beslissing om een locatie aan te kopen waarmee een investering gemoeid was die een autonome groei van 90 melk- en kalfkoeien en bijbehorend jongvee naar 150 melk- en kalfkoeien en bijbehorend jongvee noodzakelijk maakte, is dat niet. Appellant heeft met een dergelijke forse uitbreiding een groot risico genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/787

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. H.J.M. van Gellekom en mr. R. Kuiper)

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Op 30 maart 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij besluit van 26 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor appellant heeft tevens deelgenomen aan de zitting [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.3

Ingevolge artikel 72, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) verhoogt verweerder het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Msw op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf (de startersregeling). Op grond van het tweede lid is een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in het eerste lid, een bedrijf dat aantoonbaar:

a. beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee;

b. onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015;

c. tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking;

d. op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 1°, van de wet;

e. geen aanspraak maakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de wet.

1.4

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellant exploiteerde in een samenwerkingsverband, tot 2013 een melkveehouderij in [plaats 2] met twee locaties. Daarnaast werkte hij ook buitenshuis. In 2013 is het bedrijf gesplitst en heeft appellant op 1 juli 2013 zijn deel van het bedrijf verkocht met oog op het rijksproject “Ruimte voor de Rivier” en om onteigening te voorkomen. Het samenwerkingsverband is hiermee beëindigd.

2.2

Op 22 augustus 2013 heeft appellant een overeenkomst gesloten inzake de koop van een melkveehouderijbedrijf in [plaats 1] , bestaande uit een bedrijfswoning, bedrijfsopstallen, erf en diverse percelen cultuurgrond, voor een bedrag van € 3.800.000,-. Op 1 september 2013 heeft appellant zich met zijn nieuwe bedrijf ingeschreven in de Kamer van Koophandel. De overdracht vond plaats op 1 november 2013. Op 7 oktober 2013 is appellant een financieringsovereenkomst aangegaan voor een bedrag van € 1.750.000,- voor de aankoop van het bedrijf. Appellant heeft 90 melk- en kalfkoeien en bijhorend jongvee van zijn oude bedrijf in [plaats 2] meegenomen naar zijn nieuwe bedrijf in [plaats 1] . Op 31 maart 2014 heeft appellant koeien aangekocht en vanaf 1 april 2014 is appellant begonnen met melken op het nieuwe bedrijf.

2.3

Op 12 mei 2003 is aan het bedrijf in [plaats 1] op grond van de Wet milieubeheer een vergunning (milieuvergunning) verleend voor het houden van 150 melk- en kalfkoeien en 120 stuks jongvee. Op 15 november 2013 is aan het bedrijf een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor het houden van 150 melk- en kalfkoeien en 120 stuks jongvee. De tenaamstelling van de milieuvergunning en de Nbw-vergunning is op 24 januari 2018, respectievelijk 31 januari 2018 op verzoek van appellant gewijzigd in die van appellant.

2.4

Op de peildatum, 2 juli 2015, hield appellant op zijn bedrijf 101 melk- en kalfkoeien en 119 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 5.377 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting niet toegepast omdat appellant grondgebonden is. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerder heeft het beroep van appellant op de startersregeling en op de knelgevallenregeling met oog op dierziekte, niet gehonoreerd. Van een individuele disproportionele last is volgens verweerder geen sprake.

Beroepsgronden

4.1.1

Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte haar beroep op de startersregeling niet heeft gehonoreerd. Hij wijst er op dat hij in [plaats 1] is begonnen met een leeg bedrijf. Er waren alleen gebouwen, inventaris, grond en vergunningen. Dat de milieuvergunning en de Nbw-vergunning niet op zijn naam stonden, komt omdat hij ten tijde van de aanvraag geen eigenaar was. Dat kan hem niet worden tegengeworpen. Bovendien gaat het bij deze vergunningen om de locatie en niet de tenaamstelling. Appellant stelt dat geen sprake is van een doorstart van een reeds bestaand bedrijf met een andere eigendomsstructuur, zoals verweerder betoogt. Hij benadrukt dat hij vanwege overheidsingrijpen genoodzaakt is geweest zijn bestaande bedrijf te verlaten en het samenwerkingsverband dat hij toen had, te beëindigen. Hij is, teneinde zijn werkzaamheden voort te zetten, een nieuw bedrijf gestart. Daarvoor heeft hij geen vee overgenomen, maar enkel de faciliteiten om op die locatie dieren te kunnen houden. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij niet kan worden geconfronteerd met de gevolgen van het door overheidsingrijpen noodzakelijk handelen.

4.1.2

Appellant voert aan dat ook de diergezondheidsproblemen die speelden rond de start van het bedrijf in [plaats 1] in ogenschouw moeten worden genomen. Als gevolg van stress rondom de verhuizing en een mogelijke BVD infectie onder de dieren was de melkproductie op de peildatum in negatieve zin beïnvloed. Bij verhoging van het fosfaatrecht op grond van de startersregeling dient verweerder voor een representatief beeld van de melkproductie dan ook uitgaan van de melkproductie in april 2014.

4.1.3

Gelet op deze bijzondere omstandigheden, uitgaand van het vergunde aantal dieren (150 melk- en kalfkoeien en 60 stuks jongvee categorie 101 en 60 stuks jongvee categorie 102) en de redelijkerwijs te verwachten melkproductie zou appellant redelijkerwijs 2.603 kg fosfaatrechten meer – te weten in totaal 7.980 kg fosfaatrechten – toekomen. Appellant verzoekt verweerder 50% van deze hoeveelheid – 1.302 kg – extra fosfaatrechten toe te kennen tot een totaal van 6.679 kg.

4.2

Appellant heeft verder aangevoerd dat het fosfaatrechtenstelsel het ongestoord genot van zijn eigendom aantast. Het stelsel kan de ‘fair balance’ toets niet doorstaan, omdat dit niet voorzienbaar was. Verder is er in zijn geval sprake van een individuele en buitensporige last. Na de ingebruikname van de nieuwe locatie wilde appellant vanwege ontbreken van financiële middelen groeien met eigen aanwas. Op de peildatum had hij de beoogde omvang van zijn veestapel daarom nog niet bereikt. Met de vastgestelde hoeveelheid fosfaatrechten komt de bedrijfsvoering van appellant in de problemen. Appellant wijst er op dat hij – vóór de peildatum 2 juli 2015 – vanwege het overheidsingrijpen, de beëindiging van het samenwerkingsverband en het starten van een nieuw bedrijf, een volledig nieuwe financiering is aangegaan. Appellant heeft zich genoodzaakt gezien zijn investeringen rendabel te maken en te moeten groeien naar een veestapel met een omvang gelijk aan het vergunde aantal dieren. Hij is daarmee uitdrukkelijk niet gelijk te stellen aan melkveehouders met een uitbreidingsdrang. Bovendien onderscheidt appellant zich van andere melkproducerende bedrijven, nu de financiële gevolgen van het fosfaatrechtenstelsel op zijn bedrijf een buitensporig effect hebben. Hij verwijst daartoe naar de door hem overgelegde financiële rapportage van 23 mei 2018 van Alfa accountants. Met de toegekende fosfaatrechten is sprake van een fors liquiditeitstekort. Bijkopen van fosfaatrechten is geen optie. De continuïteit van zijn bedrijf komt hierdoor in gevaar. De gevolgen daarvan kunnen, volgens appellant, dan ook niet worden geacht tot het gewone ondernemersrisico te behoren. Verweerder is in het bestreden besluit ten onrechte niet op de individuele belangen van appellant ingegaan. Het bestreden besluit is gelet daarop in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel genomen, volgens appellant.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een nieuw gestart bedrijf, maar van een bedrijfsovername. Op de locatie in [plaats 1] was namelijk al eerder een melkveehouderij gevestigd. Appellant heeft het perceel en bijbehorende ligboxenstal gekocht met het voornemen zijn melkveehouderij voort te zetten. Dat appellant naar eigen zeggen genoodzaakt was een andere locatie voor zijn bedrijf te zoeken vanwege een natuurproject maakt, volgens verweerder, niet dat geen sprake is van een overname.

Bovendien voldoet appellant in ieder geval niet aan het vereiste genoemd in artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a, van de Msw nu niet is gebleken dat hij beschikt over de vereiste omgevingsvergunning of melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dat vergunningen verleend voor het bedrijf van appellant inmiddels in 2018 op zijn naam zijn gesteld, doet daaraan volgens verweerder niet af nu deze destijds verleend zijn aan een andere (rechts)persoon. Verweerder verwijst in dit verband naar uitspraken van het College van 6 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:331) en 22 oktober 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:518). Voor honorering van het beroep van appellant op de startersregeling is volgens verweerder dan ook geen grond.

5.2

Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn situatie leidt tot het aannemen van een individuele en buitensporige last. Appellant heeft in 2013 een bewuste keuze gemaakt om het bedrijf na de verplaatsing uit te breiden van 90 stuks melk- en kalfkoeien en 50 stuks jongvee naar 150 stuks melk- en kalfkoeien en 120 stuks jongvee. Verweerder wijst er op dat dit een ondernemerskeuze is geweest en geen noodzaak. Niet is onderbouwd (met financiële stukken) dat de uitbreiding van de productiecapaciteit (bedrijfseconomisch) noodzakelijk was. De enkele stelling dat deze uitbreiding nodig was om het bedrijf toekomstbestendig te maken is daartoe, volgens verweerder, onvoldoende. Appellant is, volgens verweerder, bovendien in weerwil van de voorzienbare productiebeperkende maatregelen blijven vasthouden aan de geplande uitbreiding. Vergeefse investeringen als gevolg van de uitbreiding dienen daarom voor rekening van appellant te blijven. Van strijd met het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel is volgens verweerder geen sprake.

Beoordeling

6.1

Het College legt de startersregeling, in overeenstemming met de toelichting (Stb. 217, 521, § 4.3), strikt uit. Deze is bedoeld voor nieuw gestarte bedrijven en niet voor de voortzetting of doorstart van een bestaand melkveebedrijf. Uitgaande van deze regeling kan niet anders worden geoordeeld dan dat appellant geen nieuw bedrijf is gestart, maar dat hij zijn onderneming heeft voortgezet op een nieuwe locatie door de aankoop van een bestaand melkveehouderijbedrijf op die locatie. Dit is niet op één lijn te stellen met een nieuw gestart bedrijf (zie ook de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7, onder 5.6 en 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:295, onder 6.3). Dat de melkveehouderij op de nieuwe locatie al enige tijd niet meer actief was toen appellant het kocht, maakt dat niet anders. Nu de vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het beginnen van een melkveehouderij op de locatie in [plaats 1] in 2003 aan de toenmalige exploitant is verleend, wordt dan ook niet voldaan aan de onder artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit genoemde (limitatieve) voorwaarde. Het wijzigen van de tenaamstelling van deze vergunning, zoals appellant heeft gedaan, brengt daarin geen verandering omdat appellant immers niet degene is geweest die op deze locatie destijds een melkveehouderij heeft opgericht.

De reden waarom appellant op de locatie in [plaats 1] opnieuw is begonnen – de dreiging van onteigening met oog op het rijksproject “Ruimte voor de Rivier” (overheidsingrijpen) – kan evenmin een rol spelen in deze beoordeling. Verweerder heeft dan ook op goede gronden appellant niet als starter aangemerkt. Het betoog van appellant ter zitting, dat de startersregeling feitelijk niet wordt toegepast, volgt het College niet. Het feit dat de regeling een (zeer) beperkte reikwijdte heeft biedt geen grond voor een dergelijke conclusie. De beroepsgrond slaagt niet. Voor het betrekken van diergezondheidsproblemen en een andere melkproductie in het kader van de toepassing van de startersregeling is reeds daarom geen aanleiding.

6.2

Het betoog van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel en de daarin begrepen beperkte startersregeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.3.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.3.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.3.3

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat voorts voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van de risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.3.4

Over de betekenis van financiële rapportages als bewijsmiddel, heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 (hiervoor aangehaald, onder 6.13) overwogen dat hij daaraan slechts beperkte waarde toekent. Dat een rapportage aangeeft dat bedrijfscontinuering met het vastgestelde aantal fosfaatrechten niet realistisch is, laat met name zien dat de last substantieel is en vormt verder een factor van belang in de uiteindelijke beoordeling of er goede redenen zijn om de belangen van de melkveehouder zwaarder te laten wegen dan de belangen die gediend zijn met het fosfaatrechtenstelsel, maar betekent op zich zelf genomen niet dat de last ook individueel en buitensporig is. Omgekeerd is het ook niet zo dat een dergelijke last slechts wordt aangenomen indien de bedrijfscontinuïteit op het spel staat. Ten aanzien van de scenariovergelijkingen heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 overwogen dat slechts het scenario dat de ontwikkeling van het bedrijf schetst op basis van het vastgestelde fosfaatrecht (in dit geval scenario / plan 2 van het rapport van Alfa accountants van 23 mei 2018) aansluit bij de bepaling van de last zoals hiervoor onder 6.3.2 weergegeven en biedt in zoverre enig inzicht in wat de financiële gevolgen zijn van het fosfaatrechtenstelsel voor de melkveehouder.

6.3.5

Voor appellant komt de last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel op basis van de hiervoor onder 6.3.2 weergegeven vergelijking neer op neer op het verschil tussen fosfaatrechten voor 150 melk- en kalfkoeien en 120 stuks jongvee (zijnde de beoogde bedrijfsvoering aan de hand van de vergunde situatie) en de vastgestelde 5.377 kg fosfaatrecht, zijnde situatie op 2 juli 2015 (101 melk- en kalfkoeien en 119 stuks jongvee).

Het College wil, mede gelet op de overgelegde rapportage, wel aannemen dat appellant door het fosfaatrechtenstelsel stevig financieel wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last.

Zoals onder 6.3.3 is overwogen, draagt appellant zelf de risico’s die zijn verbonden aan zijn investeringsbeslissingen en kan hij de nadelige gevolgen van een door hem genomen beslissing om uit te breiden in beginsel niet afwentelen op het collectief. In wat appellant heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.3.6

In dat verband is van belang dat appellant in 2013 fors heeft geïnvesteerd in de aankoop van een melkveehouderij. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan acht het College die investeringsbeslissing, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Dat appellant heeft meegewerkt aan “Ruimte voor de Rivier” en zijn oude bedrijf heeft verkocht om een onteigening af te wenden, is begrijpelijk maar de beslissing om een locatie aan te kopen waarmee een investering gemoeid was die een autonome groei van 90 melk- en kalfkoeien en bijbehorend jongvee naar 150 melk- en kalfkoeien en bijbehorend jongvee noodzakelijk maakte, is dat niet. Appellant heeft met een dergelijke forse uitbreiding een groot risico genomen. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Reeds in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellant had daarom ten tijde van de aankoop van de nieuwe locatie een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding die hij voor ogen had voor hem meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.

6.3.7

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellant. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP. De beroepsgrond slaagt niet.

6.4

Omdat verweerder voldoende is ingegaan op de individuele omstandigheden van appellant, is geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen