Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:785

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
19/577
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet

artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Fosfaatrechten. Het beroep op de knelgevallenregeling slaagt niet. Verweerder heeft een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling door uit te gaan van een voor het intreden van de bijzondere omstandigheden gelegen alternatieve peildatum, in dit geval 3 februari 2013. Dat betekent dat verweerder uit heeft kunnen gaan van de dieraantallen op 3 februari 2013. Omdat appellante op de alternatieve peildatum 3 februari 2013 minder dieren hield dan op de peildatum 2 juli 2015 volgt reeds daaruit dat zij niet voldoet aan de 5%-drempel. Dat appellante zonder de bijzondere omstandigheid meer had kunnen groeien dan nu het geval is geweest speelt bij toepassing van de knelgevallenregeling geen rol.

Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Geen individuele en buitensporige last. Appellante heeft in 2015 geïnvesteerd in de uitbreiding van de ligboxenstal. Appellante heeft weliswaar de omgevingsvergunning voor de nieuwe ligboxenstal in 2012 verkregen, maar gezien het moment in tijd waarop de investeringen zijn gedaan acht het College die beslissingen niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Appellante had daarom ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Dat appellante de uitbreiding heeft uitgesteld vanwege de ziekte en het overlijden van de (schoon)vader is voorstelbaar. Toch neemt dit niet weg dat zij hier zelf de verantwoordelijkheid moet dragen voor de risico’s die zij daarmee heeft genomen door op dat moment in de tijd te investeren. Het College weegt daarbij mee dat appellante geen bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen heeft aangetoond.

Het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt gehonoreerd. Berekening aan de hand van de methode die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252).

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/577

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Stockmann)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 29 januari 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij besluit van 6 april 2018 heeft verweerder de melding bijzondere omstandigheden van appellante afgewezen.

Bij besluit van 15 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2020. Namens appellante zijn verschenen haar maten, [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw wordt, indien een landbouwer voor 1 april 2018, meldt en aantoont dat het krachtens het derde lid op het bedrijf rustende fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht bepaald aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling) .

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Appellante heeft plannen tot uitbreiding van haar bedrijf. Op 25 september 2012 is in verband met de gewenste uitbreiding een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een ligboxenstal. Appellante heeft op 8 mei 2015 een financieringsvoorstel ontvangen voor een lening van € 663.000,-. Op 20 april 2015 is een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) verleend voor de uitbreiding/wijziging van de veehouderij naar 200 melk- en kalfkoeien en 130 stuks jongvee. Appellante heeft op 11 mei 2015 een aannemer opdracht gegeven tot de bouw van een nieuwe ligboxenstal. Eind 2015 is de bouw van de ligboxenstal afgerond.

2.2

In 2012 is de (schoon)vader van de maten, de heer [naam 4] (destijds maat), ziek geworden. Op 3 februari 2013 is hij overleden.

2.3

Op de peildatum 2 juli 2015 hield appellante 128 melk- en kalfkoeien, 37 stuks jongvee jonger dan 1 jaar (diercategorie 101) en 46 stuks jongvee ouder dan 1 jaar (diercategorie 102).

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.520 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Het beroep van appellante op de knelgevallenregeling met oog op de ziekte en het overlijden van de maat heeft verweerder afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante niet voldoet aan de in artikel 23, zesde lid, van de Msw opgenomen voorwaarde dat op 2 juli 2015 het aantal fosfaatrechten minimaal 5% lager was als gevolg van deze bijzondere omstandigheid. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat van een individuele en buitensporige last geen sprake is.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte het beroep op de knelgevallenregeling heeft afgewezen aangezien zij aan alle voorwaarden voldoet. Appellante heeft vanwege de ziekte en het overlijden van de maat de bouw van de ligboxenstal in 2012 uitgesteld. Pas in 2014 heeft zij de bedrijfsontwikkeling hervat. Als de maat niet ziek was geworden en niet was overleden, had de bouw van de ligboxenstal niet uitgesteld hoeven worden en had appellante op de peildatum 2 juli 2015 meer vee gehad. Appellante kon namelijk 56 stuks elders opgefokt jongvee niet op haar bedrijf houden vanwege ruimtegebrek. Appellante had met de 56 stuks jongvee 9.371 kg fosfaatrechten toegekend gekregen. Volgens appellante dient vooropgesteld te worden dat de knelgevallenregeling feitelijk in alle gevallen op een hypothetische situatie ziet. Appellante benadrukt dat zij geen beroep doet op wat met de op 2 juli 2015 beschikbare productiemiddelen mogelijk zou zijn, maar op dat wat op 2 juli 2015 mogelijk zou zijn geweest als de bijzondere omstandigheid niet was voorgevallen. Volgens appellante is de knelgevallenregeling daarvoor bedoeld. Appellante wijst er bovendien op dat al voordat de (schoon)vader ziek werd de vergunning is toegekend en de bouwplannen zijn gemaakt.

4.2

Appellante acht tevens van belang dat in de tekst van de knelgevallenregeling niet wordt aangegeven ten opzichte van welke waarde de daling van 5% geldt, althans dat uit de wetstekst niet blijkt dat bij de berekening van de 5%-drempel enkel mag worden uitgegaan van de productie in het verleden. Appellante voert aan dat volgens de achterliggende gedachte van de knelgevallenregeling deze ook voor haar situatie zou moeten gelden.

4.3

Appellante voert verder aan dat het fosfaatrechtenstelsel het ongestoord genot van haar eigendom aantast. Het stelsel kan de ‘fair balance’ toets niet doorstaan, omdat een overgangstermijn ontbreekt en een te beperkte knelgevallenregeling wordt gehanteerd. Verder is er in haar geval sprake van een individuele en buitensporige last, aangezien appellante na de invoering van het fosfaatrechtenstelsel de door de bijzondere omstandigheid vertraagde groei van het veebestand niet meer kan realiseren en zodoende niet meer kan voldoen aan de financiële verplichtingen die zij voor 2 juli 2015 is aangegaan voor de uitbreiding van haar bedrijf. Als gevolg hiervan komt de voortzetting van haar bedrijf in gevaar en wordt zij onevenredig zwaar getroffen. Dat is ook van grote invloed op de privésituatie. Appellante wijst erop dat reeds in 2012 een omgevingsvergunning voor de bouw van de stal is verleend en dat in mei 2015 de financieringsovereenkomst is getekend en de aannemer opdracht heeft gekregen om te starten met de bouw van de stal. Dus al vóór de inwerkingtreding van het fosfaatrechtstelsel en de afschaffing van het melkquotum. Bovendien is in het geval van appellante geen sprake van ongeremde groei. De uitbreiding van 128 melkkoeien naar 160 melkkoeien kan geenszins worden gezien als ongeremde groei. De betrekkelijke uitbreiding van het veebestand was gezien de kostenstijgingen noodzakelijk voor het gezond houden van het bedrijf. Desgevraagd heeft appellante ter zitting toegelicht te hebben ingezet op een uitbreiding van de veestapel naar een omvang van 173 melk- en kalfkoeien, 37 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 57 stuks jongvee ouder dan 1 jaar, zoals ook is aangegeven bij de melding bijzondere omstandigheden. Daarnaast was de stal 40 jaar oud en daarmee gedateerd, waardoor een nieuwe stal nodig was. Bovendien zou renovatie van de stal, volgens de op de zitting door appellante overhandigde begroting, ook niet tot een beperking van de last leiden. Appellante voert verder aan dat arbeid en grond niet kunnen worden gezien als overtollige bedrijfsmiddelen, aangezien al extra arbeidskrachten worden ingekocht en extra grond wordt aangeschaft om het bedrijf draaiende te houden. Er is geen capaciteit om door middel van arbeid andere inkomsten te genereren buiten het bedrijf om. De ligboxenstal is gezien de gedeeltelijke bezetting en het geldende bestemmingsplan ook niet geschikt voor een andere bestemming. Ter onderbouwing van haar betoog dat sprake is van een individuele en buitensporige last heeft appellante een brief van de Rabobank overgelegd van 6 november 2018 en een financiële rapportage van A2C Accountants van 21 november 2018.

4.4

Appellante is van mening dat de feiten en omstandigheden van haar individuele geval onvoldoende zijn meegewogen bij het bestreden besluit, althans dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

4.5

Appellante verzoekt tot slot om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat op 2 juli 2015 de productie van fosfaat van het melkvee minimaal 5% lager was als gevolg van de buitengewone omstandigheden, te weten het overlijden van een van de maten op het bedrijf. Verweerder is daarbij uitgegaan van de door appellante aangegeven alternatieve peildatum van 3 februari 2013. Verweerder merkt op dat de vastgestelde fosfaatrechten op de peildatum 2 juli 2015 (zonder korting 7.109,8 kg) hoger zijn dan het aantal fosfaatrechten dat zou zijn vastgesteld op de alternatieve peildatum 3 februari 2013 (zonder korting 5.948,1 kg). De verkoop van de 56 dieren in de periode 2012 – 2014 vanwege ruimtegebrek op het bedrijf door de opgelopen vertraging in het gereedkomen van de nieuwe stal heeft dus geen negatieve gevolgen gehad voor de vaststelling van de fosfaatrechten. Verweerder is van mening dat niet gerealiseerde groei niet kan worden meegenomen bij toepassing van de knelgevallenregeling. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen de feitelijke situatie op 2 juli 2015 en de situatie op een alternatieve peildatum gelegen voor het intreden van de bijzondere omstandigheid. De knelgevallenregeling is uitdrukkelijk niet bedoeld voor uitbreidingsplannen die (nog) niet voor de peildatum zijn gerealiseerd. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van het College van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:246, onder 3.2. Dat appellante op 2 juli 2015 niet beschikte over het aantal stuks vee dat zij op grond van haar vergunning kon en mocht houden, maakt dat volgens verweerder niet anders.

5.2

Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel voorts niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Voorts betwist verweerder dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Verweerder acht de investeringen die appellante heeft gedaan maar waaraan geen recht wordt gedaan door de toegekende fosfaatrechten geen bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot een individuele en buitensporige last. Appellante onderscheidt zich immers niet van andere bedrijven die in het zicht van het aflopen van het melkquotum zijn gaan uitbreiden. Appellante had volgens verweerder een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten met betrekking tot uitbreiding van haar veestapel en zich moeten realiseren dat een dergelijke uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Verweerder wijst erop dat appellante weliswaar in 2012 de eerste stappen heeft gezet om de bedrijfsuitbreiding in gang te zetten, maar de benodigde Nbw-vergunning pas op 3 april 2015 is verleend en de belangrijkste investeringsbeslissingen heeft appellante pas in mei 2015 genomen. Verweerder benadrukt in dit verband dat op het moment dat appellante ervoor koos om uit te breiden (medio 2015) het einde van het melkquotum steeds dichterbij kwam en nadere productiebeperkende maatregelen voorzienbaar waren (ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.2.).Verweerder is van mening dat de investeringen gelet op het moment waarop die zijn gedaan niet navolgbaar zijn. Het overlijden van de maat maakt dit volgens verweerder niet anders. Voor die omstandigheid is de knelgevallenregeling bedoeld. Verweerder merkt daarnaast op dat appellante de noodzaak om uit te breiden onvoldoende heeft aangetoond, noch heeft onderbouwd.

5.3

Verweerder meent dat in het bestreden besluit afdoende is ingegaan op hetgeen door appellante in haar bezwaarschrift is aangevoerd, daarmee is het besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd tot stand gekomen. De motivering is voor zover nodig aangevuld in dit verweerschrift.

Beoordeling

Knelgevallenregeling

6.1

Naar het oordeel van het College heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling door uit te gaan van een voor het intreden van de bijzondere omstandigheden gelegen alternatieve peildatum, in dit geval 3 februari 2013. Dat betekent dat verweerder uit heeft kunnen gaan van de dieraantallen op 3 februari 2013. Zoals volgt uit eerdere rechtspraak van het College, bijvoorbeeld de uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) en 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232), moet bij beoordeling van de knelgevallenregeling een vergelijking worden gemaakt tussen de bedrijfssituatie voor het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum. Dat kan tot gevolg hebben dat de stagnatie in de groei ten gevolge van buitengewone omstandigheden, niet meer kan worden gecompenseerd. Hiermee wordt aangesloten bij de uitdrukkelijke wens van de wetgever om (nog) niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht. Omdat appellante op de alternatieve peildatum 3 februari 2013 minder dieren hield dan op de peildatum 2 juli 2015 volgt reeds daaruit dat zij niet voldoet aan de 5%-drempel. Dat appellante zonder de bijzondere omstandigheid meer had kunnen groeien dan nu het geval is geweest speelt bij toepassing van de knelgevallenregeling geen rol. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Individuele en buitensporige last

6.2

Voor zover appellante heeft beoogd te betogen dat het fosfaatrechtenstelsel (in het bijzonder de beperkte knelgevallenregeling en het ontbreken van een overgangstermijn) op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt dit betoog. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.

6.3

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.4.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.4.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.4.3

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat voorts voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die de risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.4.4

Voor appellante komt de last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel op basis van de hiervoor onder 6.4.2 weergegeven vergelijking neer op 2.851 kg fosfaatrechten (9.371 kg de beoogde omvang – de toegekende hoeveelheid fosfaatrechten 6.520 kg). Het College wil wel aannemen dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel financieel (fors) wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Over de betekenis van financiële rapportages als bewijsmiddel, heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 (hiervoor aangehaald, onder 6.13) overwogen dat hij daaraan slechts beperkte waarde toekent. Zoals onder 6.4.3 is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen en kan zij de nadelige gevolgen van een door haar genomen beslissing om uit te breiden in beginsel niet afwentelen. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.4.5

In dat verband is van belang dat appellante in 2015 heeft geïnvesteerd om de uitbreiding en verbouwing van de ligboxenstal mogelijk te maken. Appellante heeft weliswaar de omgevingsvergunning voor de nieuwe ligboxenstal in 2012 verkregen, maar gezien het moment in tijd waarop de investeringen zijn gedaan acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren (waarover het College heeft geoordeeld in de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.7.5), niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Al in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had daarom ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Dat appellante de uitbreiding heeft uitgesteld vanwege de ziekte en het overlijden van (schoon)vader is voorstelbaar. Toch neemt dit niet weg dat zij hier zelf de verantwoordelijkheid moet dragen voor de risico’s die zij daarmee heeft genomen door op dat moment in de tijd te investeren. Het College weegt daarbij mee dat appellante geen bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen heeft aangetoond. De ter zitting door appellante overgelegde begroting van de renovatie van de stal toont een dergelijke noodzaak niet aan, maar toont enkel aan dat zowel bij renovatie als bij nieuwbouw sprake is van een last.

6.4.6

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellante. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.5

Voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, is geen aanleiding. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Beroep op schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

7.1

Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is verstreken. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 14 mei 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar – te weten 9 maanden – in beslag heeft genomen en tevens de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar – te weten 1 jaar en 7 maanden – heeft geduurd. Appellante heeft daarom recht op € 500,- schadevergoeding.

7.2

In zaken waarin de bestuurlijke en de rechterlijke fase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bestuurlijke en aan de rechterlijke fase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Van de overschrijding is na afronden een periode van 3 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Deze fase komt voor rekening van verweerder. Een periode van 1 maand is toe te rekenen aan de beroepsfase en komt voor rekening van de Staat. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 375,- (3/4 x € 500) aan appellante en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 125,- (1/4 x € 500) aan appellante.

Slotsom

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 375,-;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 125,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

De raadsheer is verhinderd te tekenen De griffier is verhinderd te tekenen