Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:783

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
19/709
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB; te late melding overdracht betalingsrechten; te late ontvangst TAN-codes; geen overmacht

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/709

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2020 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.J.C. Mol),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Wullink).

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2018 afgewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 5 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de kant van appellante is ook verschenen [naam 2] .

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de weigering om tot uitbetaling van inkomenssteun aan appellante over te gaan. Appellante heeft bij de Gecombineerde opgave 2018 verzocht om uitbetaling van betalingsrechten. Ten tijde van de uiterste datum voor de indiening van de Gecombineerde opgave, te weten 15 mei 2018, beschikte appellante nog niet over betalingsrechten. Een dag later, op 16 mei 2018, is aan verweerder de melding gedaan dat de moedermaatschappij van appellante, [naam 3] B.V., betalingsrechten aan appellante heeft overgedragen. Volgens verweerder leidt de te late melding ertoe dat de uitbetaling in zijn geheel moet worden geweigerd. Appellante beroept zich op overmacht, omdat zij pas op 16 mei 2018 over TAN-codes beschikte, nodig om de melding te doen.

2. Bij een overdracht overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) stelt de overdrager de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vast te stellen periode in kennis van de overdracht, zo is bepaald in artikel 8, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014 van de Commissie van 16 juni 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 641/2014). De aanspraak op betaling in enig jaar van aanvraag op basis van een overdracht van betalingsrechten als bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, kan slechts worden gemaakt indien de landbouwer die de betalingsrechten heeft overgedragen de minister uiterlijk op de uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, in het desbetreffende jaar van aanvraag met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld in kennis heeft gesteld van de overdracht, zo is bepaald in artikel 2.12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. De uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag was dinsdag 15 mei 2018, zo volgt uit artikel 4.2, derde lid, van de Uitvoeringsregeling.

3. Voor rechtstreekse betalingen geldt dat, indien een begunstigde door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet aan de subsidiabiliteitscriteria of andere verplichtingen heeft kunnen voldoen, hij zijn recht op steun behoudt voor de arealen of dieren die subsidiabel waren toen de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheid zich voordeed, zo is bepaald in artikel 4, eerste lid, eerste alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014).

4. Het College is met verweerder van oordeel dat het beroep van appellante op overmacht niet opgaat. Daarbij laat het College in het midden of appellante zich kan beroepen op overmacht van haar moedermaatschappij, nu het de overdrager is die op grond van artikel 8 van Verordening 641/2014 de melding diende te doen. Ook laat het College in het midden of er bij appellante wel sprake is van overmacht, nu zij niet alle mogelijke (voorzorgs)maatregelen heeft genomen om de ontstane situatie te vermijden en of overmacht in dit geval zou kunnen leiden tot activering van de betalingsrechten, nu volgens artikel 4 van Verordening 640/2014 een geslaagd beroep op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden alleen leidt tot behoud van recht op steun, en niet tot vestiging van een nieuw recht. In ieder geval moet met verweerder worden vastgesteld dat appellante de overmacht niet binnen vijftien werkdagen heeft gemeld, maar pas in het bezwaarschrift. Het betoog van appellante dat de melding van de overdracht mede inhoudt een melding van overmacht, ontbeert feitelijke grondslag.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, mr. J.A.M. van den Berk en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

w.g. T. Pavićević w.g. M.B.L. van der Weele