Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:777

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
18/1082
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering S&O-verklaring. Aanvraag is terecht afgewezen op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het project direct en uitsluitend gericht is op technisch-wetenschappelijk onderzoek, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder p, onder 1, van de Wva.

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2993
V-N 2021/3.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1082

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2020 in de zaak tussen

Eurofins MITOX B.V., te Amsterdam, appellante

(gemachtigde: F. van der Meer),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag in het kader van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) van appellante voor het project ‘Opschaling van populatie effecten naar het ecosysteem - network modelling’, dat zou lopen van januari tot en met december 2019, afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2020. Namens appellante zijn verschenen haar gemachtigde, vergezeld door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 2] .

Overwegingen

1.1

Appellante doet onderzoek naar de effecten van bestrijdingsmiddelen in land- en tuinbouw. In het kader van de Wva heeft zij een aanvraag gedaan voor het project ‘Opschaling van populatie effecten naar het ecosysteem – network modelling’.

1.2

Het project van appellante richt zich op onderzoek naar de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en het effect daarvan op de functionaliteit van een ecosysteem met de daarbij behorende door een ecosysteem geleverde diensten, zoals bijvoorbeeld bestuiving van gewassen en beperking van gewasschade. Bekend is dat het ecosysteem in bepaalde gevallen herstelt na toepassing van een gewasbeschermingsmiddel, terwijl de aanwezige soorten en de omvang van hun populaties zouden doen vermoeden dat dat herstel niet zou plaatsvinden. Appellante constateert daarom dat bij de bepaling of een gewasbeschermingsmiddel voor gebruik kan worden toegelaten, de huidige focus op de grootte van de populatie van verschillende soorten een onvolledig beeld oplevert. De functionaliteit van het ecosysteem blijkt namelijk ook afhankelijk te zijn van eigenschappen van het netwerk van de aanwezige soorten en hun interacties (ook wel netwerkeigenschappen genoemd). Wetenschappelijk onderzoek hiernaar is noodzakelijk, omdat onbekend is op welke wijze de configuratie van een biologisch netwerk de functionaliteit beïnvloedt. Als daar meer inzicht in wordt verkregen, dan zal de toelating van gewasbeschermingsmiddelen op een aanzienlijk betere wetenschappelijke basis kunnen plaatsvinden. Appellante wil in dit licht een model ontwikkelen waarmee zij de diverse interacties in netwerken met geleedpotigen en hun structuur kan beschrijven en manipuleren. Dit wil zij doen op een zodanige manier, dat effecten van verstoringen kunnen worden geëvalueerd zonder daarbij werkelijke ecosystemen te hoeven blootstellen aan gewasbestrijdingsmiddelen.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar project direct en uitsluitend is gericht op technisch wetenschappelijk onderzoek. De werkzaamheden van appellante zijn met name gericht op het constateren, beschrijven, observeren en inventariseren van de trofische niveaus (lagen in de voedselpiramide) en onderlinge interacties tussen geleedpotigen in een weiland-ecosysteem. Het veldonderzoek levert appellante data op die in Schotland worden geanalyseerd met behulp van machine learning. Appellante stelt daarmee vast wat de abundantie (het aantal individuen in een bepaalde populatie), trofische niveaus en onderlinge interacties van geleedpotigen kunnen zijn in een weiland-ecosysteem. Hiermee zoekt appellante niet naar een verklaring van een specifiek verschijnsel. Mogelijk kunnen de uitkomsten van de data-analyse wel aanleiding zijn voor gericht verklarend onderzoek naar specifieke verschijnselen. Tijdens de hoorzitting heeft appellante niet kunnen toelichten om welke specifieke verschijnselen het in deze onderzoeksfase gaat en hoeveel S&O-uren van de aangevraagde 19.900 uren hiermee zijn gemoeid.

3. In beroep voert appellante aan dat haar onderzoeksproject wel degelijk kan worden aangemerkt als technisch-wetenschappelijk onderzoek in de zin van artikel 1, aanhef en onder p, onder 1, van de Wva. Zij wijst erop dat een verklaring wordt gezocht voor het verschijnsel dat de mate en duur waarin ecologische schade optreedt als gevolg van blootstelling aan gewasbestrijdingsmiddelen niet consequent overeenstemt met de effecten op populatieniveau. Op basis van de waarnemingen wil appellante aan kunnen geven welke samenhang van condities leidt tot welke functionaliteit om daaruit mogelijk conclusies te kunnen trekken over populaties, interacties en ‘ecosystem services’. Om inzicht te verkrijgen in de modulerende rol van de netwerkstructuur wil appellante een modelnetwerk ontwikkelen waarmee de diverse interacties zodanig kunnen worden beschreven en gemanipuleerd dat effecten van de verstoring kunnen worden geëvalueerd zonder ecosystemen daadwerkelijk te hoeven blootstellen aan gewasbeschermingsmiddelen. Dit onderzoek op macroniveau is volgens appellante noodzakelijk om een verklaring te kunnen geven voor zowel het onverwachte verlies ofwel het herstel van functionaliteit, en daarbij stabiliteit van ecosystemen, ook al zou de omvang van de populaties van de aanwezige soorten een andere verwachting rechtvaardigen. Zou appellante zich beperken tot onderzoeken op microniveau, dan zou er geen inzicht kunnen worden verkregen in de wijze waarop de onderliggende netwerkstructuur de uiteindelijk geleverde ecosysteem diensten moduleert. Appellante vindt het onduidelijk dat een onderzoek op microniveau wel zou kunnen kwalificeren als technisch wetenschappelijk onderzoek en ziet voor deze zienswijze in de wet of handleiding geen aanknopingspunt.

4. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder p, onder 1, van de Wva, wordt verstaan onder speur- en ontwikkelingswerk (S&O): door een S&O-inhoudingsplichtige of een S&O-belastingplichtige systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wva verstrekt verweerder aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten, op zijn aanvraag op de voet van artikel 22 een S&O-verklaring.

5. In de Handleiding WBSO 2019 is onder meer het volgende opgenomen:

“3.2 Technisch-wetenschappelijk onderzoek (TWO)

Onderzoeksprojecten waarmee u nieuwe technische kennis genereert kunnen onder bepaalde voorwaarden als technisch-wetenschappelijk onderzoek worden aangemerkt. Technisch-wetenschappelijk onderzoek wordt nader uitgelegd aan de hand van de begrippen “technisch” en “wetenschappelijk”.

Technisch

Technisch betekent dat het onderzoek betrekking heeft op gebieden zoals fysica, chemie, biotechnologie, productietechnologie en informatie- en communicatietechnologie. Economisch, sociaal of psychologisch onderzoek bijvoorbeeld kan niet als technisch-wetenschappelijk onderzoek worden aangemerkt.

Het is niet vereist dat de resultaten van het onderzoek toepassing kunnen vinden in een technisch nieuw fysiek product of productieproces.

Wetenschappelijk

Wetenschappelijk heeft betrekking op het doel en de resultaten van het onderzoek en op de manier waarop het onderzoek wordt opgezet en uitgevoerd:

 Doel en resultaten: wetenschappelijk onderzoek heeft tot doel een verklaring voor een verschijnsel te zoeken die niet is te geven op basis van algemeen toegankelijke kennis. U genereert zelf met uw onderzoek theoretische of praktische kennis. Enkel het verzamelen van gegevens of informatie is geen wetenschappelijk onderzoek. Wetenschappelijk onderzoek is verklarend. Onderzoek dat slechts constateert, beschrijft, observeert, inventariseert, codeert, classificeert of vertaalt is niet wetenschappelijk. Het onderzoek heeft het risico in zich dat u de verklaring voor een verschijnsel niet zult vinden. De resultaten van het onderzoek worden vastgesteld op basis van feiten.

 Opzet en uitvoering: de onderzoeksopzet moet op het moment van aanvragen bekend zijn. Wetenschappelijk onderzoek wordt systematisch en planmatig opgezet en uitgevoerd. Het onderzoek is niet routinematig van aard. Het onderzoekstraject en de resultaten moeten inzichtelijk vastgelegd worden. Het is niet vereist dat het resultaat van het onderzoek reproduceerbaar is of dat de statistische betrouwbaarheid inzichtelijk is. Ook hoeven er geen nieuwe concepten, wetmatigheden of theorieën ontwikkeld te worden of onbekende werkingsprincipes te worden verklaard.”

6. Het College ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder de aangevraagde werkzaamheden terecht niet als S&O heeft aangemerkt omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het project direct en uitsluitend is gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder p, onder 1, van de Wva.

6.1

Zoals het College eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 15 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:18) gaat het daarbij om de vraag of sprake is van technisch-wetenschappelijk onderzoek binnen de kaders van het speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva. Niet elke innovatie of niet ieder onderzoek wordt als S&O in de zin van de Wva aangemerkt. Het College wijst in dit verband naar de hiervoor onder 5 genoemde Handleiding.

6.2

Uit de omschrijving van het project, zoals weergegeven onder 1.2, het beroepschrift en de ter zitting gegeven toelichting, blijkt dat appellante in het kader van dit project onderzoek verricht naar het effect van gewasbestrijdingsmiddelen op het ecosysteem. De hypothese van appellante is dat de onderliggende netwerkstructuur van het betreffende ecosysteem een belangrijk modulerend effect heeft bij de inzet van gewasbestrijdingsmiddelen. Daarom wil appellante door middel van dataverzameling middels veldonderzoek, en een netwerkanalyse met behulp van machine learning, meer inzicht krijgen in de netwerkeigenschappen van ecosystemen. Daarmee kan zij een meer holistisch, interactief, model ontwikkelen, dat in de toekomst als basis zou kunnen dienen bij de risico-evaluatie van gewasbestrijdingsmiddelen.

6.3

Met verweerder is het College van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze werkzaamheden zijn gericht op het zoeken naar een verklaring voor een verschijnsel als bedoeld in de Handleiding. Het onderzoek is in deze fase met name gericht op het observeren en het verzamelen van gegevens van dieren, hun onderlinge interactie en andere omstandigheden in het ecosysteem, wat vervolgens wordt opgenomen in een model. Het trachten een verklaring te vinden voor een bepaald verschijnsel, zoals omschreven in de Handleiding, is in deze fase nog niet aan de orde. Het College volgt dan ook de redenering van verweerder dat het onderzoek van appellante op dit moment zich laat kenmerken als een vooronderzoek dat weliswaar zou kunnen leiden tot een wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder p, onder 1, van de Wva, maar dat op dit moment (nog) niet is. Daaraan doet niet af dat dit eerste, inventariserende, onderzoek, zoals appellante terecht stelt en verweerder ook erkent, nodig is alvorens verklaringen te kunnen zoeken voor bepaalde verschijnselen en dat uit het thans te verrichten onderzoek mogelijk wel verschijnselen kunnen voortkomen die aanleiding kunnen zijn voor wetenschappelijk (deel)onderzoek. Nu verklarend onderzoek bij het onderzoek dat voorligt evenwel (nog) niet aan de orde is, heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht geweigerd appellante daarvoor een S&O-verklaring te verlenen.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. A. Venekamp en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. M.H. van Kersbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

w.g. H.O. Kerkmeester De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.