Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:707

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-10-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
17/488, 17/511, 17/669 en 17/684
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit moet inzicht geven in de opbouw van de tarieven die zij slachthuizen in rekening brengt voor controles bij vleeskeuringen. Zonder dat inzicht valt niet te beoordelen of deze tarieven voldoen aan de Europese regels. Ook al is wel duidelijk dat zij de kosten voor de interne opleiding van de controlerende dierenartsen en assistenten niet in rekening mag brengen, net zo min als de kosten voor het vullen van de weerstandskas van Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector.

Dit zijn de belangrijkste uitkomsten in de procedures van een aantal slachthuizen tegen deze tarieven bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Eerder deed het CBb een tussenuitspraak (ECLI:NL:CBB:2018:340; ECLI:NL:CBB:2018:341) en vroeg aan het Europese Hof van Justitie of de Europese regels toestaan om de kosten van ander personeel dan de dierenartsen en assistenten door te berekenen aan de slachterijen. Het Europese Hof gaf op 19 december 2019 (ECLI:EU:C:2019:1126) antwoord op deze vragen.

De minister moet nu binnen 26 weken nieuwe beslissingen nemen op de bezwaren van de slachthuizen.

In de vele honderden soortgelijke zaken over dezelfde kwestie komt het CBb zonder zitting tot een vergelijkbare uitspraak. Ook in die zaken moet de minister nieuwe besluiten op de bezwaren van die slachthuizen nemen. Vanwege het grote aantal te nemen beslissingen krijgt de minister hiervoor 52 weken de tijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/473
NJB 2020/2578
JW 2021/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/488, 17/511, 17/669, 17/684

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2020 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats 1] , appellante 1,

[naam 2] B.V., te [plaats 2] , appellante 2,

[naam 3] B.V., te [plaats 2] , appellante 3,

[naam 4] B.V., te [plaats 3] , appellante 4,

gezamenlijk: appellanten

(gemachtigde: mr. K.J. Defares),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. T.D. van der Wal).

Procesverloop

Voor het procesverloop verwijst het College in de eerste plaats naar wat daaromtrent is vermeld in de uitspraak van het College van 17 juli 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:340) (verwijzingsuitspraak) waarbij, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) is verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in de verwijzingsuitspraak geformuleerde vragen.

Het Hof van Justitie heeft deze vragen beantwoord bij arrest van 19 december 2019 in de gevoegde prejudiciële zaken C-477/18 en C-478/18 (ECLI:EU:C:2019:1126).

Appellanten en verweerder hebben op het arrest gereageerd.

Naar aanleiding van de verwijzingsuitspraak heeft verweerder op 21 juni 2019 nieuwe besluiten genomen met betrekking tot de terugbetaling van eerder in rekening gebrachte opleidingskosten.

Op 17 juli 2020 heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Namens appellanten zijn verschenen hun gemachtigde, [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [naam 9] en [naam 10] .

Overwegingen

1. Voor een weergave van de aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, de van toepassing zijnde regelgeving, de bestreden besluiten en de in beroep door partijen ingenomen standpunten verwijst het College naar de verwijzingsuitspraak.

2. In de verwijzingsuitspraak heeft het College aan het Hof van Justitie vragen gesteld over de uitleg van unierechtelijke bepalingen. Bij het hiervoor genoemde arrest van 19 december 2019 (het arrest) heeft het Hof van Justitie, voor zover dat voor deze beroepen van belang is, het volgende voor recht verklaard:

“1) Artikel 27, lid 1 en lid 4, onder a), van verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn, gelezen in samenhang met bijlage VI, punten 1 en 2, bij die verordening, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten de (salaris)kosten van administratief en ondersteunend personeel kunnen beschouwen als kosten van officiële controles in de zin van die bepalingen en als kosten die niet hoger zijn dan de kosten die door de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 2, punt 4, van die verordening worden gedragen, naar evenredigheid van de tijd die dat personeel objectief gezien nodig heeft voor activiteiten die onlosmakelijk verbonden zijn met de uitvoering van officiële controles.

2) Artikel 27, lid 4, onder a), van verordening nr. 882/2004, gelezen in samenhang met bijlage VI bij die verordening, moet aldus worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat aan slachthuizen vergoedingen in rekening worden gebracht voor kwartieren van officiële controles die deze slachthuizen bij de bevoegde autoriteit in de zin van artikel 2, punt 4, van verordening nr. 882/2004 hebben aangevraagd, maar waarin niet daadwerkelijk is gewerkt, wanneer het aan die controle onderworpen slachthuis die autoriteit niet lang genoeg van tevoren in kennis heeft gesteld van zijn wens om de duur van de controle in te korten ten opzichte van de oorspronkelijk geplande duur.”

3. Appellanten kunnen zich vinden in de overwegingen en uitleg van het Hof van Justitie. In de visie van appellanten moeten de beroepen door het College definitief worden afgedaan door de primaire besluiten te herroepen en zelf in de zaak te voorzien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het heeft geen zin om verweerder in de gelegenheid te stellen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen, omdat volgens appellanten uitgesloten is dat verweerder alsnog voldoende inzicht kan geven in de opbouw van de tarieven en de herleidbaarheid daarvan tot de in bijlage VI van Verordening nr. 882/2004 genoemde kosten en dat verweerder de door het College in verband daarmee in de verwijzingsuitspraak geconstateerde motiveringsgebreken van de bestreden besluiten kan herstellen. Tijdens de zitting van 30 november 2017 heeft verweerder aangegeven dat het standpunt dat hij (wel) voldoende inzicht heeft gegeven in de opbouw van de tarieven uitsluitend is gebaseerd op de kostenposten van bijlage VI van Verordening nr. 882/2004 en de Onderbouwing retributietarieven 2016. Uit de reactie van verweerder op het arrest blijkt dat verweerder zich nu baseert op de Onderbouwing retributietarieven 2020. Die vlieger gaat echter niet op, aangezien die onderbouwing niet bestond ten tijde van de opgelegde facturen en de bestreden besluiten.

4. Verweerder is van mening dat de retributiesystematiek voldoet aan de in Verordening nr. 882/2004 gestelde eisen, zoals uitgelegd in het arrest. Wat betreft de door het College in de verwijzingsuitspraak in 13.1 e.v. besproken factuurposten ‘starttarief’, ‘geleidebiljet’, ‘keuring werkzaamheden’ en ‘gepland’ handhaaft verweerder zijn standpunt dat deze posten mogen worden doorberekend aan appellanten en stelt hij dat de beroepen met betrekking tot deze posten ongegrond moeten worden verklaard. Verweerder verzoekt het College hem een ruime termijn te geven voor het nemen van nieuwe besluiten op bezwaar wegens de in de verwijzingsuitspraak geconstateerde motiveringsgebreken.

5. Op grond van artikel 27, vierde lid, aanhef en onder a, van Verordening nr. 882/2004 mogen vergoedingen die ten behoeve van officiële controles worden geïnd niet hoger zijn dan de door de bevoegde autoriteit gedragen kosten in verband met de in de bij deze verordening horende bijlage VI vermelde zaken. De in die bijlage genoemde zaken zijn 1) de salarissen van het personeel dat betrokken is bij de officiële controles, 2) de kosten voor het personeel dat betrokken is bij de uitvoering van de officiële controles, inclusief kosten voor installaties, instrumenten, uitrusting, opleiding, alsmede reis- en daarmee verband houdende kosten en 3) kosten voor bemonstering en laboratoriumonderzoek.

6.1

In de verwijzingsuitspraak heeft het College onderscheid gemaakt tussen de beoordeling van de geschilpunten die kunnen worden beslecht zonder uitleg van Unierecht door het Hof van Justitie en die waarvoor een uitleg van Unierecht door het Hof van Justitie noodzakelijk wordt geacht. In het kader van eerstgenoemde beoordeling heeft het College – samengevat weergegeven – het volgende geoordeeld.

6.2.1

Beroepsgrond 1 met betrekking tot de opleidingskosten slaagt. Verweerder heeft de opleidingskosten voor de interne opleiding tot officiële assistent, officiële dierenarts en practitioner ten onrechte geïnd (zie 4.1 tot en met 4.10 van de verwijzingsuitspraak).

6.2.2

De beroepsgronden 3 (kosten van toezicht) en 4 (identieke tarieven) falen (zie respectievelijk 5.1 tot en met 5.3 en 6.1 tot en met 6.3 van de verwijzingsuitspraak).

6.2.3

Met betrekking tot beroepsgrond 5 over het achterwege laten van het horen in bezwaar heeft het College in 9.1 tot en met 9.3 van de verwijzingsuitspraak geoordeeld dat deze beroepsgrond alleen relevant is ten aanzien van appellante 3, dat appellante 3 in strijd met artikel 7:2 van de Awb niet is gehoord en dat in zoverre sprake is van een gebrek in het bestreden besluit 3. Het College heeft overwogen dat aanleiding bestaat om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

6.2.4

Met betrekking tot beroepsgrond 2, die in de verwijzingsuitspraak onder meer in 7.1 tot en met 8.3.4 aan de orde komt onder het kopje “Opbouw tarieven en juridische grondslag voor doorberekening bepaalde kostenposten”, heeft het College in 7.3, 7.7.4 en 7.8.1 van die uitspraak geoordeeld dat niet kan worden nagegaan of sprake is van kosten in de zin van bijlage VI bij Verordening nr. 882/2004, omdat verweerder onvoldoende inzicht heeft gegeven in de opbouw van de tarieven. Het gaat hierbij om de tarieven in de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 20 februari 2014, nr. WJZ/14033284, houdende vaststelling van tarieven voor werkzaamheden van de NVWA, zoals deze luidde tot en met 31 december 2016 (Regeling NVWA-tarieven) en de herleidbaarheid daarvan tot genoemde bijlage. In 8.3.1 tot en met 8.3.4 van de verwijzingsuitspraak heeft het College dit oordeel betrokken op een aantal specifieke factuurposten, waartegen appellanten meer in het bijzonder nog beroepsgronden hebben aangevoerd. Het betreft de factuurposten ‘toeslag buiten opening', ‘uitlooptoeslag’, ‘toeslag te late afmelding’ en ‘extra kwartieren’. Met betrekking tot de factuurpost ‘residucontrole’ heeft het College in 8.2.1 tot en met 8.2.3 geoordeeld dat verweerder te weinig (feitelijke) informatie heeft verstrekt om het betoog van appellanten in het kader van de specifiek tegen deze post al in bezwaar aangevoerde grond te kunnen beoordelen. Het College heeft geoordeeld dat de bestreden besluiten wegens genoemde gebreken in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb ondeugdelijk zijn gemotiveerd.

6.2.5

In punt 10.1 van de verwijzingsuitspraak heeft het College samenvattend geconcludeerd dat de beroepen in verband met de hiervoor in 6.2.1 en 6.2.4 genoemde gebreken in de einduitspraak gegrond zullen worden verklaard, dat de bestreden besluiten in zoverre zullen worden vernietigd en dat verweerder opnieuw moet beslissen op de bezwaren van appellanten, waartoe in de einduitspraak een termijn zal worden bepaald.

7.1

In deze einduitspraak zal het College uitspraak doen op de onderhavige beroepen van appellanten. Het College zal daartoe hierna ingaan op alle in de verwijzingsuitspraak besproken geschilpunten en voor zover daarbij nodig is op de gevolgen van het arrest.

7.2

Het College neemt hier allereerst de algemene overwegingen in 1 tot en met 5 van de verwijzingsuitspraak met betrekking tot de feiten, het van toepassing zijnde wettelijk kader en het arrest van het Hof van Justitie van 17 maart 2016, Kødbranchens Fællesråd

(C-112/15, ECLI:EU:C:2016:185) over.

7.3

Voorts neemt het College de hiervoor in 6.2.2 en 6.2.3 genoemde overwegingen en conclusies uit de verwijzingsuitspraak met betrekking tot de beroepsgronden 3 (kosten van toezicht), 4 (identieke tarieven) en 5 (hoorplicht) over.

7.4.1

Met betrekking tot de hiervoor in 6.2.1 genoemde beroepsgrond ten aanzien van de opleidingskosten overweegt het College als volgt.

7.4.2

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

7.4.3

Naar aanleiding van de verwijzingsuitspraak heeft verweerder op 21 juni 2019 nieuwe besluiten genomen met betrekking tot de terugbetaling van de eerder bij de in geding zijnde facturen in rekening gebrachte opleidingskosten. Zoals verweerder ook heeft aangegeven, houden de besluiten van 21 juni 2019 een gedeeltelijke wijziging in van de bij de bestreden besluiten gehandhaafde facturen. Appellanten hebben verklaard dat zij zich kunnen vinden in deze wijziging en de terugbetaling van de opleidingskosten. Het College stelt om die reden vast dat appellanten geen belang hebben bij een beoordeling van de besluiten van 21 juni 2019. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb hebben de onderhavige beroepen van appellanten daarom niet van rechtswege mede betrekking op de besluiten van 21 juni 2019. Het College zal die besluiten daarom verder buiten beschouwing laten.

7.4.4

Zoals hiervoor in 6.2.4 is vermeld, is in de verwijzingsuitspraak geoordeeld dat het vereiste inzicht in de opbouw van de tarieven uit de Regeling NVWA-tarieven ontbreekt. Zoals hierna wordt overwogen, handhaaft het College dit oordeel in deze einduitspraak. Voor het College is daarom niet duidelijk in welke elementen van de bij de bestreden besluiten gehandhaafde facturen precies de opleidingskosten zijn verdisconteerd. Voorts zijn bij deze facturen een groot aantal verschillende posten in rekening gebracht voor andere kosten die eveneens in die tarieven zijn verdisconteerd. Onder deze omstandigheden zal het College, ook al is verweerder appellanten inmiddels geheel tegemoet gekomen wat betreft de opleidingskosten, in deze einduitspraak de overwegingen 4.1 tot en met 4.10 en 10.1 van de verwijzingsuitspraak met betrekking tot deze kosten overnemen en de bestreden besluiten vanwege de op deze kosten betrekking hebbende gebreken vernietigen. Gelet op de besluiten van 21 juni 2019 hoeft verweerder echter niet opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellanten met betrekking tot de opleidingskosten.

7.4.5.

Voor zover appellanten hebben betoogd dat verweerder in de besluiten van 21 juni 2019 ten onrechte niet de facturen heeft betrokken waartegen appellanten bezwaar hebben gemaakt, maar ten aanzien waarvan zij geen beroep hebben ingesteld of het beroep hebben ingetrokken, laat het College dat betoog buiten beschouwing. Het betreft zaken die niet of niet meer bij het College aanhangig zijn, zodat het College niet bevoegd is om daarover te oordelen.

7.5

Het College neemt hier verder de overwegingen en beslissingen in 7.1 tot en met 8.3.4 en 10.1 van de verwijzingsuitspraak met betrekking tot de opbouw van de tarieven en de juridische grondslag voor de doorberekening van bepaalde kostenposten, de factuurpost residucontrole en de factuurposten toeslag buiten opening, uitlooptoeslag, toeslag te late afmelding en extra kwartieren over (zie hiervoor 6.2.4 en 6.2.5). In hetgeen partijen hebben betoogd naar aanleiding van het arrest ziet het College geen grond om anders te beslissen in verband met de in genoemde overwegingen vermelde gebreken van de bestreden besluiten. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

7.6

Zoals blijkt uit de verwijzingsuitspraak kan indien en zolang het vereiste inzicht in de opbouw van de tarieven ontbreekt niet worden nagegaan en door het College ook niet worden beoordeeld of sprake is van kosten in de zin van bijlage VI bij Verordening nr. 882/2004 en evenmin in hoeverre verweerder de gemaakte kosten mocht betrekken bij de opbouw van de aan appellanten in rekening gebrachte tarieven. Uit de verwijzingsuitspraak volgt dat verweerder dit inzicht alsnog zal moeten bieden om de daarmee verband houdende motiveringsgebreken te kunnen herstellen. Het arrest maakt dit niet anders. Verweerder stelt dat de retributiesystematiek voldoet aan de in Verordening nr. 882/2004 gestelde eisen, zoals uitgelegd in dat arrest, en dat de beroepen met betrekking tot de in de verwijzingsuitspraak in 13.1 e.v. besproken factuurposten ‘starttarief’, ‘geleidebiljet’, ‘keuring werkzaamheden’ en ‘gepland’ ongegrond moeten worden verklaard. Met dit standpunt gaat verweerder eraan voorbij dat eerst nadat vorengenoemd inzicht is gegeven kan worden toegekomen aan de beoordeling of de berekening van de bij appellanten in rekening gebrachte vergoedingen voor officiële controles in overeenstemming is met hetgeen daaromtrent is bepaald in Verordening nr. 882/2004, zoals uitgelegd in het arrest. Daarom volgt het College verweerder niet in dat standpunt.

7.7

Anders dan appellanten betogen, ziet het College onvoldoende grond om aan te nemen dat verweerder niet in staat is om bedoeld inzicht alsnog te geven. Hierbij is in aanmerking genomen dat verweerder in zijn reactie op het arrest weliswaar heeft verwezen naar de Onderbouwing retributietarieven NVWA 2020, maar dat hij ter zitting op 17 juli 2020 heeft toegelicht dat hij daarmee niet de indruk heeft willen wekken dat bij te nemen nieuwe besluiten op bezwaar ter herstel van genoemde gebreken voor de motivering enkel zou worden verwezen naar die Onderbouwing. Het College acht dit niet ongeloofwaardig, nu verweerder desgevraagd ter zitting van 17 juli 2020 meermalen heeft verklaard dat er over de in geding zijnde periodes nog gegevens beschikbaar zijn waarmee bedoeld inzicht alsnog kan worden geboden. Het College ziet dus geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, zoals door appellanten is bepleit. De vraag naar de juridische gevolgen voor de in geding zijnde facturen, indien zou blijken dat verweerder het vereiste inzicht (toch) niet, dan wel onvoldoende kan geven, is nu niet aan de orde. Dat appellanten menen dat deze vraag nu al kan en moet worden beantwoord door middel van herroeping van de primaire besluiten waarbij de facturen zijn opgelegd, is dan ook voorbarig.

7.8

Het voorgaande betekent dat de beroepen gegrond zijn, de bestreden besluiten worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellanten met inachtneming van hetgeen het College in deze uitspraak heeft overwogen. Het College zal bepalen dat verweerder deze nieuwe besluiten moet nemen binnen 26 weken na dag van verzending van deze uitspraak. Het College gaat er, zoals door verweerder ter zitting is aangegeven, van uit dat deze tijd toereikend is om de voor het bedoelde inzicht benodigde gegevens te vergaren en vervolgens per door appellanten bestreden factuurpost te beoordelen of de (berekening van de) op deze posten betrekking hebbende elementen van de gehanteerde tarieven uit de Regeling NVWA-tarieven in overeenstemming (is) zijn met hetgeen daaromtrent is bepaald in Verordening nr. 882/2004, zoals uitgelegd in het arrest van het Hof van Justitie, op de hierna door het College in 8.1 e.v. van deze einduitspraak nader uiteen te zetten wijze.

8.1

Met het oog op de te nemen nieuwe besluiten op bezwaar overweegt het College het volgende.

8.2

In deze nieuwe besluiten zal verweerder aan de hand van de door appellanten bestreden factuurposten moeten nagaan of de daarbij toegepaste (elementen van de) tarieven uit de Regeling NVWA-tarieven in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 27, eerste en vierde lid, in verbinding met bijlage VI van Verordening nr. 882/2004, zoals uitgelegd in punt 1 van de verklaring voor recht van het arrest, en moeten motiveren waarom dat in de visie van verweerder al dan niet het geval is. Met genoemde verklaring voor recht en hetgeen daartoe door het Hof van Justitie is overwogen, is duidelijk geworden dat ook (salaris)kosten van administratief en ondersteunend personeel kunnen worden beschouwd als kosten van officiële controles, als de kosten niet hoger zijn dan de kosten die door de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 2, punt 4, van Verordening nr. 882/2004 worden gedragen, naar evenredigheid van de tijd die dat personeel objectief gezien nodig heeft voor activiteiten die onlosmakelijk verbonden zijn met de uitvoering van officiële controles. Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen in punt 64 van het arrest heeft het financieringsstelsel tot doel de lidstaten in staat te stellen een integraal systeem van officiële controles in te voeren dat méér omvat dan louter de concrete uitvoering van de controletaak. Het gaat dus niet alleen om (salaris)kosten van het personeel dat de officiële controles concreet uitvoert, maar ook om (salaris)kosten van personeel dat zich bezig houdt met de organisatie van deze controles. Verweerder dient hiermee rekening te houden. In dit verband merkt het College nog op dat enige mate van schatting van de hoogte van de betreffende kosten onvermijdelijk kan zijn maar dat dit niet wegneemt dat verweerder volledig inzicht moet geven in de wijze waarop en de omvang waarin de kosten zijn doorberekend in de tarieven en dat moet zijn voldaan aan de eisen van Verordening nr. 882/2004, zoals uitgelegd in onder meer punt 1 van de verklaring voor recht van het arrest. Anders dan waarvan appellanten lijken uit te gaan, is naar het oordeel van het College duidelijk dat de opsomming in punt 2 van bijlage VI bij Verordening nr. 882/2004 van de daarin nader genoemde kosten voor installaties, instrumenten enzovoorts, niet limitatief is, hoewel de term ‘daarmee verband houdende kosten’ volgens het Hof van Justitie in punt 68 van het arrest gebonden is aan een strikte uitleg. Ten slotte wijst het College er op dat verweerder er bij de beoordeling van de bezwaren van appellanten op bedacht dient te zijn dat de bewoordingen waarin de verschillende factuurposten zijn aangeduid niet naadloos aansluiten op de omschrijving van de in de Regeling NVWA-tarieven genoemde kosten en dat verduidelijking op dat punt, bijvoorbeeld door te wijzen op de van toepassing zijnde voorschriften uit de Regeling NVWA-tarieven, nodig kan zijn.

8.3

Hetgeen hiervoor in 8.2 is overwogen geldt in het bijzonder voor de in de 8.3.1 tot en met 8.3.4 van de verwijzingsuitspraak besproken factuurposten ‘toeslag buiten opening’, ‘uitlooptoeslag’, ‘toeslag te late afmelding’ en ‘extra kwartieren’. Hetzelfde geldt voor de factuurposten ‘starttarief’, ‘geleidebiljet’ en ‘keuring werkzaamheden’, ten aanzien waarvan het College in de verwijzingsuitspraak (13.1 tot en met 15.3) heeft overwogen dat de desbetreffende geschilpunten worden aangehouden tot na ontvangst van de prejudiciële beslissing. Het College wijst hierbij nog op hetgeen hiervoor in 7.6 is overwogen met betrekking tot deze posten naar aanleiding van hetgeen verweerder daarover in zijn zienswijze op het arrest heeft opgemerkt. Voor zover dit bij de ‘toeslag te late afmelding’ aan de orde is, zal verweerder hierbij tevens moeten ingaan op hetgeen in het arrest onder punt 2 van de verklaring voor recht is beslist met betrekking tot – kort gezegd – door officiële dierenartsen of officiële assistenten niet gewerkte maar wel aangevraagde kwartieren voor officiële controles. Het doorberekenen van wel aangevraagde maar niet daadwerkelijk gewerkte kwartieren voor officiële controles is volgens het Hof van Justitie toegestaan wanneer het aan die controle onderworpen slachthuis de NVWA niet lang genoeg van tevoren in kennis heeft gesteld van zijn wens om de duur van de controle in te korten ten opzichte van de oorspronkelijk geplande duur.

8.4.1

Met betrekking tot de in 16.1 tot en met 16.3 van de verwijzingsuitspraak besproken factuurpost ‘gepland’, overweegt het College het volgende.

8.4.2

Zoals blijkt uit 16.2 en 16.3 van die uitspraak gaat het bij deze post onder meer eveneens over de hiervoor in 8.3 al genoemde in rekening gebrachte tarieven voor door officiële dierenartsen of officiële assistenten niet gewerkte maar wel aangevraagde kwartieren voor officiële controles. De hierover in de verwijzingsuitspraak geformuleerde vraag is in het arrest beantwoord in het hiervoor in 8.3 weergegeven punt 2 van de verklaring voor recht.

8.4.3.

Verweerder heeft in zijn zienswijze op het arrest opgemerkt dat op dit punt aan het arrest wordt voldaan, omdat wel aangevraagde maar niet gewerkte kwartieren alleen in rekening worden gebracht als ze niet tijdig zijn afgemeld. Dit blijkt volgens verweerder uit artikel 20, vijfde lid, van de Regeling NVWA-tarieven.

8.4.4

Naar het oordeel van het College moet verweerder met betrekking tot de factuurpost ‘gepland’ in de nieuwe besluiten op bezwaar nader uiteenzetten waarom, gelet op artikel 20, vijfde lid, van de Regeling NVWA, is voldaan aan hetgeen het Hof van Justitie in genoemd punt 2 van het arrest voor recht heeft verklaard. Het College beschikt over onvoldoende gegevens om te kunnen vaststellen dat bij de in geding zijnde facturen in rekening gebrachte post sprake is van een situatie die valt onder de reikwijdte van artikel 20, eerste lid, van de Regeling NVWA, waarop het bepaalde van artikel 20, vijfde lid, van de Regeling NVWA van toepassing kan zijn. Bovendien kan het College aan de hand van de beschikbare informatie niet vaststellen a) wanneer in de visie van de NVWA sprake is van de situatie dat het slachthuis niet lang genoeg van tevoren heeft gemeld dat hij de duur van de controle wenst in te korten ten opzichte van de oorspronkelijk geplande duur en b) of in de aanhangige beroepen sprake is geweest van de situatie dat te laat was gemeld dat het slachthuis de duur van de controle wenste in te korten en om die reden niet gewerkte kwartieren in rekening zijn gebracht. Verweerder dient op deze punten een nadere motivering te geven.

8.5

Ten slotte dient verweerder in de nieuwe besluiten op bezwaar in te gaan op het in punt 8.2.3 van de verwijzingsuitspraak geconstateerde gebrek met betrekking tot de factuurpost ‘residucontrole’.

9. Het College veroordeelt verweerder in de door appellanten gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het College is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt het College vast op € 6.693,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 14 juni 2017, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 30 november 2017, 2 punten voor opmerkingen in de prejudiciële procedure, 2 punten voor het verschijnen ter zitting bij het Hof van Justitie, 0,5 punt voor de zienswijze op het arrest van het Hof van Justitie, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van 17 juli 2020, met een waarde per punt van € 525,-, een wegingsfactor 1 voor de zwaarte van de zaak en een wegingsfactor 1,5 omdat sprake is van 4 of meer samenhangende zaken).

10. Verweerder dient eveneens het door appellanten betaalde griffierecht te vergoeden. Voor de zaken 17/488, 17/511, 17/669 en 17/684 gezamenlijk geldt dat door appellante 2 in zaak 17/511 een bedrag van € 333,- aan griffierecht is betaald.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op binnen 26 weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van appellanten met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante 2 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van
€ 6.693,75-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. R.W.L. Koopmans en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2020.

De voorzitter is verhinderd deze De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen