Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:70

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
19/237
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB; uitbetaling 2018; actieve landbouwer; inschrijving in het handelsregister; hoofdactiviteit geen landbouwactiviteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/237

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Sluimer en mr. M. van der Zwaard).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2018 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 9 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020. Van de kant van appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante heeft op 9 april 2018 een Gecombineerde opgave bij verweerder ingediend en hierin om uitbetaling verzocht.

2. Verweerder heeft de aanvraag om uitbetaling afgewezen omdat appellante niet als actieve landbouwer kan worden aangemerkt. Appellante stond namelijk op uiterlijk 15 mei 2018 niet met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit ingeschreven. Ook heeft verweerder erop gewezen dat appellante niet met een accountantsverklaring heeft aangetoond dat haar landbouwactiviteiten een belangrijk deel zijn van haar totale economische activiteit.

3. Er worden geen rechtstreekse betalingen toegekend aan landbouwers die niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag zijn ingeschreven of waarvan de onderneming niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, onder de vermelding van de verkorte omschrijving van de landbouwactiviteit en de daarbij behorende code van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) beginnend met de cijfers 011, 012, 013, 014, 015 of 016, zo is bepaald in artikel 2.3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. Het tweede lid komt erop neer dat geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan een landbouwer indien uit de inschrijving in het handelsregister volgt dat de landbouwactiviteit geen hoofdactiviteit is. Het tweede lid is niet van toepassing indien de landbouwer aantoont door middel van een accountantsverklaring dat de landbouwactiviteit niet een onaanzienlijk deel uitmaakt van de totale economische activiteiten, zo volgt uit het derde lid.

4. Niet in geschil is dat appellante op 15 mei 2018 in het handelsregister stond ingeschreven met de activiteit 'Groothandel in akkerbouwproducten en veevoeder algemeen assortiment' (SBI-code 46218) als hoofdactiviteit. Deze activiteit kan niet worden aangemerkt als landbouwactiviteit, zodat appellante op 15 mei 2018 niet voldeed aan de eis in artikel 2.3, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling dat uit de inschrijving in het handelsregister moet volgen dat de landbouwactiviteit een hoofdactiviteit is. Dat appellante een voortzetting is van een eenmansbedrijf dat tot 7 juli 2017 in het handelsregister wel stond ingeschreven met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit, is niet relevant. Evenmin is relevant dat appellante op 14 juni 2018 de inschrijving in het handelsregister heeft gewijzigd waardoor zij per die datum wel met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit staat ingeschreven. Bepalend voor de uitbetaling in het jaar 2018 is immers de inschrijving van appellante op de peildatum 15 mei 2018.

5. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat er bij de inschrijving in het handelsregister iets is misgegaan, maar dat de feitelijke bedrijfsvoering ongewijzigd is gebleven, kan dit er niet toe leiden dat van de Uitvoeringsregeling wordt afgeweken. Van een professionele marktdeelnemer als appellante mag verwacht worden dat zij ervoor zorgt dat zij tijdig op de juiste wijze in het handelsregister geregistreerd staat.

6. Gezien het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat appellante niet heeft voldaan aan de eis in artikel 2.3, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling (zie in gelijke zin de uitspraak van het College van 4 september 2018, ECLI:NL:CBB:2018:464). Appellante heeft verder ook niet met behulp van een accountantsverklaring aangetoond dat de landbouwactiviteiten een niet onaanzienlijk deel uitmaakten van de totale economische activiteiten. Dat appellante niet zou zijn gewezen op deze mogelijkheid, zoals zij heeft betoogd en verweerder onderbouwd heeft betwist, doet er niet aan af dat appellante niet heeft voldaan aan de eis voor uitbetaling dat zij op 15 mei 2018 actief landbouwer was. Daarbij merkt het College overigens op dat appellante in de Gecombineerde opgave erop is gewezen dat volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel de hoofdactiviteit van haar bedrijf geen landbouwactiviteit was en dat zij hierdoor niet voldeed aan de voorwaarde voor actieve landbouwer. In de Gecombineerde opgave is appellante de vraag gesteld op welke manier zij zou voldoen aan de voorwaarde van actief landbouwer. Daarbij is onder meer als mogelijk antwoord vermeld 'Ik toon uiterlijk 15 mei 2018 met een accountantsverklaring aan dat mijn landbouwactiviteiten een belangrijk deel zijn van mijn totale economische activiteit'. Appellante heeft het bijbehorende vakje niet aangevinkt, maar het vakje bij het antwoord 'Mijn landbouwactiviteit is in de feitelijke situatie wel de hoofdactiviteit. Ik zorg er voor dat de inschrijving bij de KvK uiterlijk 15 mei 2018 gewijzigd is.' Dat heeft appellante vervolgens nagelaten.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2020.

w.g. T. Pavićević w.g. M.B.L. van der Weele