Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:661

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
20/704
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

artikel 29, eerste lid, Verordening 834/2007 verlenen bio-certificaat

artikel 30 Verordening 834/2007 intrekking certificaat

Decertificering

Glyfosaat, pleksgewijze bespuiting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/2440
M en R 2020/108 met annotatie van B. Arentz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/704

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: F.Th.M. Peters, werkzaam bij WZ Advies B.V.),

en

Stichting SKAL, verweerster

(gemachtigde: mr. M. Timpert - de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerster besloten tot decertificering van twee percelen (2 ha en 5 ha) van verzoekster wegens vaststelling van pleksgewijze bespuiting met glyfosaat.

Bij besluit van 21 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2020.

Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. Gelet op de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende omstandigheden.

Verzoekster houdt aan de [adres] in [plaats] een biologisch pluimveebedrijf en beschikt over een bio-certificaat, afgegeven door SKAL op basis van artikel 29, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 834/2007 van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (Verordening 834/2007) en Verordening (EG) nr. 889/2008 van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening nr. 834/2007 (Verordening 889/2008). Hiermee onderwerpt verzoekster zich aan de controles en dient zij te voldoen aan de in deze verordeningen vastgestelde voorschriften. Het certificaat brengt met zich dat de producten en/of voortbrengingsprocessen voldoen aan de eisen voor de biologische productiemethode. Voor verzoekster betreft dit - voor zover relevant - "uitloop" en "leghennen, eieren". Dit certificaat is geldig van 9 september 2019 tot en met 31 december 2020 zolang als de vastgestelde omstandigheden gelijk blijven.

Naar aanleiding van een anonieme melding heeft op 28 april 2020 bij verzoekster een inspectie plaatsgevonden. Er zijn twee monsters genomen van gras op verkleurde (geel/bruine verkleuring) plekken van de door het pluimvee te gebruiken uitloop van 5 ha. In beide monsters is glyfosaat aangetoond: 23 mg/kg en 54 mg/kg. Op 7 mei 2020 heeft nogmaals een inspectie plaatsgevonden. Er heeft tijdens die inspectie wederom monstername plaatsgevonden in een uitloop van 2 ha. Deze monsters zijn samengevoegd tot een verzamelmonster. In dit monster is eveneens glyfosaat aangetoond: 4,3 mg/kg.

Vervolgens heeft SKAL bij het primaire besluit besloten tot decertificering van deze twee percelen van 2 en 5 ha (de uitloop van verzoekster) omdat daar pleksgewijze bespuiting met glyfosaat is vastgesteld. Door decertificering van de hele uitloop kan verzoekster niet meer voldoen aan de normen voor het houden van biologische hennen. Er is immers geen biologische uitloop voor de hennen meer beschikbaar. De hennen van verzoekster verliezen hiermee onmiddellijk de biologische status. Verder mogen de eieren die verzoekster vanaf 13 mei 2020 heeft geproduceerd niet meer met biologische aanduidingen worden verkocht.


Dit besluit heeft SKAL bij het bestreden besluit gehandhaafd.

3.1

Verzoekster heeft gesteld dat zij ten gevolge van het besluit aanzienlijke schade lijdt. Deze schade is volgens de toelichting van verzoekster gelegen in de afwaardering van de eieren en van de hennen. Afname contracten kan zij niet meer nakomen. Verzoekster heeft de hennen tot op heden biologisch doorgevoerd. De geproduceerde mest is afgewaardeerd. Verder heeft verzoekster verschillende kosten gemaakt met het oog op deze procedure. Voorts heeft verzoekster biologische eieren moeten kopen. Een opgezet promotieplan voor de verkoop van haar biologisch product kan nu niet worden uitgerold.

3.2

Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in ieder geval vereist dat sprake is van een spoedeisend belang. Het hier gestelde belang van verzoekster heeft een financieel karakter. Een dergelijk belang is volgens vaste rechtspraak op zichzelf geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het treffen van een voorlopige voorziening kan, in het kader van de belangenafweging, wel in beeld komen indien het financiële belang van dien aard is dat de vermogenspositie van verzoekster zodanig wordt aangetast dat de bedrijfsvoering hierdoor in ernstige problemen zou kunnen komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster aannemelijk gemaakt dat zij in ieder geval tot een bepaalde hoogte schade lijdt ten gevolge van het bestreden besluit. Voorts heeft verzoekster gesteld dat dit tot onomkeerbare gevolgen voor het bedrijf zal leiden. Hoewel dit laatste niet concreet is onderbouwd, neemt de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij dit verzoek aan.

4.1

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat een diepgaande inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit en de gronden die daartegen zijn aangevoerd, zich niet leent voor een procedure als hier aan de orde. Dit betekent dat zal worden beoordeeld of sprake is van een in het oog springende onrechtmatigheid of onevenredigheid die zou moeten leiden tot toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan geen sprake. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat op het bedrijf van verzoekster bij de inspecties op verschillende plekken in de uitloop de aanwezigheid van de herbicide glyfosaat - veelal bekend onder de naam Roundup - is aangetoond, alsmede dat dit middel volgens artikel 5 van Verordening 889/2008 in verband met bijlage II bij die Verordening, een in de biologische productiemethode niet toegestane stof is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dit, mede gelet op de uitgangspunten van biologisch beheer en het belang van vertrouwen van de consument zoals verweerder naar voren heeft gebracht, als een ernstige inbreuk mogen kwalificeren. Met inachtneming van artikel 30 van Verordening 834/2007 gelezen in samenhang met artikel 19 van het SKAL-Reglement certificatie en toezicht is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter SKAL bevoegd tot intrekking van de certificatie.

4.3

Het beroep van verzoekster op het zorgvuldigheidsbeginsel komt er in de kern op neer dat SKAL niet dan wel onvoldoende de door verzoekster aangedragen oplossingen heeft betrokken bij haar besluitvorming. Verzoekster heeft voorgesteld de plekken waar glyfosaat is vastgesteld af te graven en/of het maken van corridors zodat de hennen de uitlooppercelen kunnen bereiken waar geen glyfosaat is vastgesteld. Er is immers na de hoorzitting niet besloten om, zoals verzoekster had aangeboden, tekeningen op te vragen van haar andere bedrijf waar (ook) corridors, met toestemming van verweerder, zijn aangelegd. Terwijl uit de door verzoekster thans overgelegde tekeningen blijkt dat de voorgestelde corridors zelfs breder zijn dan de corridors van haar andere bedrijf. In dit kader doet verzoekster tevens een beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel. Ook stelt verzoekster dat SKAL, na de hoorzitting, zes weken de tijd heeft genomen om een beslissing te nemen hetgeen niet duidt op een zorgvuldige besluitvorming.

4.4

De voorzieningenrechter is verder voorshands van oordeel dat SKAL niet het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. SKAL heeft voldoende gemotiveerd uiteengezet dat indien percelen met niet-toegestane middelen zijn bespoten, deze geheel worden gedecertificeerd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft SKAL vanwege de algemene beginselen voor biologische productie als omschreven in artikel 4 en specifieke beginselen voor landbouw omschreven in artikel 5 van de Verordening 834/2007 daartoe kunnen besluiten. Daarin is immers bepaald dat de biologische productie onder meer is gebaseerd op biologische processen, gebaseerd op ecologische systemen die gebruik maken van systeeminterne natuurlijke hulpbronnen, alsmede op de instandhouding en de bevordering van het bodemleven en de natuurlijke bodemvruchtbaarheid, de bodemstabiliteit en de bodemdiversiteit, de voorkoming en bestrijding van bodemverdichting en erosie en voeding van de gewassen hoofdzakelijk via het bodemecosysteem.

Deze beginselen verdragen zich niet met de stelling van verzoekster dat ondanks de vaststelling van glyfosaat in monsters van de uitloop van verzoekster er nog steeds sprake kan zijn van biologische productie. Het uitgangspunt is immers dat de productie van het begin tot het eind biologisch beheerd is. Vast staat dat daar geen sprake van is. De stelling van verzoekster dat het op grond van de Verordening mogelijk is om percelen te scheiden en op te delen en dat landbouwbedrijven onder specifieke voorwaarden mogen worden opgedeeld in (productie-)eenheden die niet allemaal volgens de beginselen van de biologische productie worden gehouden, miskent voornoemd uitgangspunt. Ook de omstandigheid dat SKAL geen monsters heeft genomen op andere plekken van de uitloop doet daar niet aan af. Evenals het standpunt van verzoekster dat sprake is van pleksgewijze bespuiting die geen gevolgen heeft voor de rest van de uitloop - daargelaten dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat daar in dit geval sprake van is - stuit op het voorgaande af.

Het beroep op het gelijksheids- en vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. De bedrijven zijn niet identiek, reeds nu bij het andere bedrijf van verzoekster geen sprake is van percelen waarvan gedeeltes zijn gedecertificeerd zoals verzoekster voorstelt, maar het een volwaardig gecertificeerd perceel is. Evenmin is in onderhavig geval gebleken dat SKAL concrete toezeggingen zonder enig voorbehoud heeft gedaan over het (gedeeltelijk) niet decertificeren van de uitloop.

De voorzieningenrechter kan verzoekster niet volgen in haar stelling dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming door de tijd die is verstreken tussen het indienen van het bezwaar, althans na de hoorzitting en het nemen van het bestreden besluit. SKAL heeft immers het besluit genomen ruim binnen de op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geldende termijn.

4.5

Verzoekster voert vervolgens aan dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Volgens verzoekster blijkt niet uit het bestreden besluit dat er enige afweging tegen maatschappelijke belangen heeft plaatsgevonden en is er geen dan wel onvoldoende rekening gehouden met omstandigheden die zij heeft aangevoerd.

4.6

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan niet in redelijkheid worden gezegd dat de decertificering van de uitloop niet kan worden aangemerkt als een maatregel die in verhouding staat tot het belang van het voorschrift waarop inbreuk is gemaakt en tot de aard en de specifieke omstandigheden van de onregelmatige activiteiten. SKAL heeft in redelijkheid het algemeen maatschappelijk belang te weten, het waarborgen dat producten met het predicaat biologisch op de markt komen ook daadwerkelijk aan de daarvoor geldende voorschriften voldoen, zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van verzoekster. Het gaat immers om de schending van essentiële bepalingen van de biologische productiewijze nu grote hoeveelheden glyfosaat zijn aangetroffen in twee van de drie genomen monsters. Voorts heeft SKAL bij haar besluitvorming wel degelijk gekeken naar de omstandigheden zoals verzoekster deze naar voren heeft gebracht, maar heeft deze anders gewogen. Met de stelling dat verzoekster blijvend biologisch kan produceren, miskent zij dat er sprake is van kritieke afwijkingen van de biologische productie. Vast staat dat de productie niet van het begin tot het eind biologisch is beheerd. SKAL heeft voorts naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de verklaring van verzoekster omtrent de oorzaak van de aanwezigheid van glyfosaat als onaannemelijk van de hand kunnen wijzen. De later gegeven uitleg aangaande het gebruik van azijn en (de herkomst van) het maaisel, verklaren de aanwezigheid van glyfosaat evenmin en zijn naar oordeel van de voorzieningenrechter verder niet relevant nu reeds de aanwezigheid van glyfosaat in de uitloop van verzoekster is vastgesteld. De omstandigheid dat geen financieel voordeel is beoogd en is behaald en het bedrijf een goede staat van dienst, maakt het besluit nog niet onredelijk. Met de stelling dat de achterliggende norm nagenoeg niet is geschonden miskent verzoekster (wederom) de vastgestelde feiten en de uitgangspunten van biologische productie. Met de stelling dat derden niet in hun belangen zijn geschaad miskent verzoekster eveneens het algemeen maatschappelijk belang dat SKAL dient. Dat er geen pesticide is aangetroffen in de eieren van verzoekster leidt niet tot een ander oordeel. Vast staat immers dat het proces niet biologisch is beheerd.

5. Gelet op het vorenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2020.

w.g. T. Pavićević de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: