Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:658

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
19/1860
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1860

uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante,

gemachtigde: R. Scholten,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Appellante heeft tegen de op 22 augustus 2019 gedateerde beslissing op bezwaar van verweerder bij op 21 oktober 2019 ter griffie ingekomen brief van 21 oktober 2019 beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:54, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.

2.1

In artikel 6:4, derde lid, van de Awb is bepaald dat het instellen van beroep bij een bestuursrechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, in verbinding met artikel 6:7 van de Awb, moet een beroepschrift worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een besluit op de voorgeschreven manier is bekendgemaakt. Op grond van artikel 6:9 van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn van zes weken is ontvangen of indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na het einde van de termijn is ontvangen.

2.2

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.3

De laatste dag van de beroepstermijn viel op 3 oktober 2019 en het op 21 oktober 2019 gedateerde beroepschrift is op 21 oktober 2019 ter griffie ontvangen in een niet afgestempelde envelop. Het beroep is dus niet tijdig ingediend. Gelet hierop is appellante bij aangetekende brief van 16 december 2019 in de gelegenheid gesteld om argumenten aan te dragen die redelijkerwijs kunnen leiden tot het oordeel dat zij niet in verzuim is geweest bij gebreke waarvan het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Van appellante is binnen de gestelde termijn geen reactie ontvangen.

2.4

Omdat enige onduidelijkheid bestond over de ontvangst in goede orde van de aangetekende brief van 16 december 2019 is appellante bij aangetekende brief van 14 augustus 2020 nogmaals in de gelegenheid gesteld om argumenten aan te dragen die redelijkerwijs kunnen leiden tot het oordeel dat zij niet in verzuim is geweest bij gebreke waarvan het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Van appellante is wederom binnen de gestelde termijn geen reactie ontvangen.

2.5

Appellante heeft, hoewel hiertoe voldoende in de gelegenheid te zijn gesteld, geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet aan haar kan worden toegerekend. Ook is niet gebleken dat appellante in de onmogelijkheid verkeerde om tijdig een (pro-forma) beroepschrift in te (laten) dienen. Het niet reageren op aangetekende brieven komt voor rekening en risico van appellante. Van omstandigheden die redelijkerwijs kunnen leiden tot het oordeel dat appellante niet in verzuim is geweest, is naar oordeel van het College dan ook geen sprake.

3.1

Voorts merkt het College nog op dat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, Awb is bepaald dat een beroepschrift de gronden van beroep bevat. Als niet is voldaan aan dit vereiste kan het beroep ingevolge artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.2

Bij aangetekend verzonden brieven van 16 december 2019 en 14 augustus 2020 is appellante tevens in de gelegenheid gesteld binnen vier weken haar beroepsgronden in te dienen. Appellante is er in deze brieven tevens op gewezen dat niet-tijdige ontvangst van die gronden tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep kan leiden. Van appellante is binnen de in voornoemde brieven gestelde termijn geen reactie ontvangen.

4. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D, Brugman, in aanwezigheid van

E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

29 september 2020.

w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.