Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:657

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
19/618
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/618

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , appellant

(gemachtigde: G.J. Dokter),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld. Op 20 september 2018 heeft verweerder het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 28 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 september 2018 ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 20 februari 2020 (het vervangingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit vervangen door het vervangingsbesluit en het bezwaar van appellant gegrond verklaard, onder intrekking van het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2020. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit het derde lid van dat artikel volgt dat het verzoek tot een kostenvergoeding wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar. Ingevolge het vierde lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Feiten

2. Appellant exploiteert een zoogkoeienbedrijf in [plaats] . Appellant houdt jongvee dat bestemd is om zoogkoe te worden.

Besluiten van verweerder en omvang van het geschil

3.1

Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant in het primaire besluit vastgesteld op 828 kg. Verweerder heeft het primaire besluit op 20 september 2018 herzien en het fosfaatrecht van appellant lager vastgesteld op 476 kg. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant ongewijzigd gelaten. In het vervangingsbesluit van 20 februari 2020 heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant verhoogd naar 1.025 kg.

3.2

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb heeft het beroep tegen het bestreden besluit mede betrekking op het vervangingsbesluit. Nu het bestreden besluit is vervangen door het vervangingsbesluit en gesteld noch gebleken is dat appellant nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit, zal het beroep daartegen niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beroepsgronden

4. Appellant heeft aanvankelijk aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit is uitgegaan van onjuiste dieraantallen en daardoor het aantal fosfaatrechten voor zijn bedrijf te laag heeft vastgesteld. Appellant heeft in reactie op het vervangingsbesluit aangegeven zich daarin te kunnen vinden, voor zover het besluit ziet op de vaststelling op het aantal fosfaatrechten. Appellant kan zich echter niet vinden in de afwijzende beslissing op zijn verzoek tot overdracht van zijn fosfaatrecht van 26 oktober 2018. Ter zitting heeft appellant nog aangevoerd dat verweerder in het vervangingsbesluit ten onrechte afwijzend heeft beslist op zijn verzoek om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten. Verder stelt hij recht te hebben op vergoeding van de schade die hij heeft geleden ten gevolge van het feit dat hij, naar nu blijkt ten onrechte, niet over het benodigde aantal fosfaatrechten beschikte om tijdig aan zijn contractuele verplichting tot overdracht daarvan te voldoen.


Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het onderhavige beroep zich uitsluitend richt

tegen het vervangingsbesluit van 20 februari 2020 tot toekenning van fosfaatrechten, waarmee volledig aan het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit tegemoet is

gekomen. De afwijzing van het verzoek om overdracht van fosfaatrechten van 26 oktober 2019 maakt geen deel uit van de besluitvorming omtrent de vaststelling van het fosfaatrecht van appellant. Hetgeen appellant in dat verband aanvoert is om die reden niet van belang voor de beoordeling van dit beroep. De discussie over de afwijzing van de overdracht fosfaatrechten diende te worden gevoerd in de separate procedure die uitmondde in de beslissing op bezwaar van 6 mei 2020. Appellant heeft tegen deze beslissing echter geen beroep ingesteld bij het College. Ook het verzoek om schadevergoeding is geen onderdeel van de huidige procedure.

5.2

Nu met het vervangingsbesluit volledig aan het bezwaar van appellant tegemoet is gekomen, heeft appellant ook geen belang bij een beoordeling van het beroep voor zover het tegen dit besluit is gericht. Bij het ontbreken van een procesbelang dient het beroep van appellant ook in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard. Verweerder verwijst in dit kader naar de uitspraken van het College van 9 juni 2020 (ECLI : NL: CBB: 386) en 7 april 2020 (ECLI : NL: CBB: 2020:229).

Beoordeling

6.1

Het College stelt allereerst vast dat zowel het primaire besluit van 13 januari 2018 als het bestreden besluit van 28 februari 2019 door verweerder zijn herroepen. Verweerder heeft ter zitting erkend dat deze herroepingen zijn te wijten aan onrechtmatigheid aan zijn kant. De onrechtmatigheid van die besluiten staat dan ook vast. Appellant kan ter vergoeding van de door hem gestelde schade op de voet van artikel 8:88 e.v. van de Awb een verzoek indienen. Een dergelijk verzoek is nu niet aan de orde. Vervolgens stelt het College vast dat verweerder in het vervangingsbesluit volledig aan de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit is tegemoetgekomen. Voor zover appellant zich niet kan vinden in de afwijzing van zijn verzoek tot overdracht van zijn fosfaatrecht van 26 oktober 2018 is het College met verweerder van oordeel dat die afwijzing geen onderdeel uitmaakt van de in deze procedure aan de orde zijnde besluitvorming en daarom buiten de omvang van het geschil valt. De beroepsgronden in kwestie hebben geen betrekking op het vervangingsbesluit en vallen daarom buiten het geding.

6.2

Het geschil tussen partijen ziet dan ook uitsluitend nog op de vraag of verweerder in het vervangingsbesluit terecht afwijzend heeft beslist op zijn verzoek tot vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase. Anders dan verweerder meent, heeft appellant dus nog wel een belang bij deze procedure. Ten aanzien van deze kosten overweegt het College het volgende.

6.3

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Aan dit laatste vereiste in dit geval voldaan.

6.4

Om in aanmerking te komen voor een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand dient, zo volgt uit artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), gebruik te worden gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters is sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand als het verlenen van rechtsbijstand door de rechtsbijstandverlener "een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening" is. Daarbij kan worden gedacht aan advocaten, sociale raadslieden, juristen werkzaam bij de stichtingen rechtsbijstand en vakbondsjuristen, maar ook aan juristen bij een rechtsbijstandsverzekeringsmaatschappij, bureau voor rechtshulp of een belangenorganisatie, belastingconsulenten en registeraccountants. Personen zonder enige juridische scholing vallen erbuiten, oftewel: enige relevante juridische scholing is vereist (NvT, Stb. 1993, 763, p. 6). Het vereiste van juridische scholing heeft niet uitsluitend betrekking op formele scholing. Aan dat vereiste kan ook zijn voldaan als uit door de gemachtigde ingediende processtukken of het optreden ter zitting kan worden opgemaakt dat hij enige relevante juridische scholing heeft gehad.

6.5

Het College is met verweerder van oordeel dat in dit geval geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Appellant heeft verweerders standpunt dat rechtsbijstand voor GeDo Veevoeders geen vast onderdeel van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening vormt, niet weersproken. Evenmin heeft de gemachtigde weersproken dat hij niet juridisch geschoold is. Voor de door de gemachtigde verrichte proceshandelingen hoefde verweerder derhalve geen vergoeding toe te kennen. De door de gemachtigde gestelde kosten voor bij een advocaat ingewonnen juridisch advies komen evenmin voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten moeten naar hun aard worden aangemerkt als kosten voor rechtsbijstand, doch deze kunnen uitsluitend worden vergoed voor zover het proceshandelingen, als bedoeld in de bijlage bij het Bpb, betreft. Nu niet is gebleken dat de advocaat een van deze handelingen heeft verricht, is voor vergoeding van deze kosten geen plaats. Voor zover appellant kosten stelt te hebben gemaakt ten behoeve van het verschijnen van een dierenarts op de hoorzitting in de bezwaarfase, geldt dat deze kosten in het geheel niet zijn onderbouwd en reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.

w.g. W.C.E. Winfield w.g. I.S. Post