Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:652

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
19/988
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tuchtwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/988

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 september 2020 op het hoger beroep van:

de vennootschap onder firma [naam 1], gevestigd te Bergen op Zoom, appellante,

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 29 mei 2019, nummer 18/1759 Wtra AK, gegeven op een klacht, door appellante ingediend op 12 september 2018

tegen [naam 2] RA, betrokkene,

(gemachtigde van betrokkene: mr. F.B.A.M. van Oss).


Procesverloop

Appellante heeft op grond van artikel 43 van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) hoger beroep ingesteld tegen de bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2020. Appellante en betrokkene zijn niet verschenen.

Overwegingen

1.1

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Wtra kan binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak van de accountantskamer hoger beroep worden ingesteld bij het College. In artikel 43a, eerste lid, van de Wtra is bepaald dat hoger beroep wordt ingesteld door het indienen van een beroepschrift bij het College. Op grond van artikel 43a, tweede lid, van de Wtra bevat het beroepschrift de gronden van het hoger beroep.

1.2

Gelet op de omstandigheid dat het hogerberoepschrift van appellante geen gronden bevat, is appellante bij aangetekend verzonden griffiersbrief van 11 juli 2019 in de gelegenheid gesteld deze gronden binnen zes weken, derhalve uiterlijk op 22 augustus 2019, in te dienen. Omdat van appellante geen reactie was ontvangen, is bij aangetekend verzonden griffiersbrief van 6 april 2020 aan haar gevraagd wat de reden daarvoor is. Ook daarop is geen reactie ontvangen.

2. Het College stelt vast dat binnen de gestelde termijn geen hogerberoepsgronden zijn ingediend. Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat appellante niet in verzuim is geweest, is niet gebleken. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.

3. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. M.M. Smorenburg en

mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.

w.g. T.G.M. Simons w.g. A. Graefe