Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:651

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
18/2906
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Milieuwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/430
JB 2020/226 met annotatie van Keinemans, J.H.
JIN 2021/38 met annotatie van Keinemans, J.H.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2906

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] appellante

(gemachtigde: Ph.M.A.A. Smits LLB),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniëls).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het ten aanzien van het bedrijf met UBN 301699 opgelegde verbod om runderen aan en af te voeren, te vervoeren en te verhandelen met ingang van 2 maart 2018 opgeheven.

Bij het op 30 oktober 2018 aan appellante toegezonden besluit van 18 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Bij besluit van 9 februari 2018 (het blokkadebesluit) heeft verweerder appellante ten aanzien van het bedrijf met UBN 301699 een verbod opgelegd om runderen aan en af te voeren, te vervoeren en te verhandelen (het verbod). Dit besluit is genomen op grond van de Regeling identificatie en registratie van dieren (Regeling I&R).

1.3

Met het primaire besluit is het verbod met ingang van 2 maart 2018 opgeheven. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat appellante de gebreken, die aanleiding waren tot het nemen van het blokkadebesluit, inmiddels heeft hersteld.

1.4

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het blokkadebesluit. Verweerder heeft bij besluit van 9 januari 2019 de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en het blokkadebesluit gehandhaafd. Appellante heeft tegen deze beslissing op bezwaar geen beroep ingesteld.

1.5

Appellante heeft eveneens bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder stelt hiertoe dat de overweging uit het primaire besluit dat de gebreken die aanleiding waren tot het nemen van het blokkadebesluit waren hersteld, terecht is opgenomen, nu sprake was van een gebrek dat is hersteld. Verweerder heeft voorts een dwangsom toegekend van € 610,- wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van appellante.

3.1

Appellante voert aan dat het bestreden besluit pas op 30 oktober 2018 aan haar bekend is gemaakt, nu de beslissing op 18 september 2018 verkeerd was geadresseerd en als onbestelbare retourpost bij verweerder is teruggekomen. De door verweerder berekende dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar met als einddatum 18 september 2018 is dan ook onjuist.

3.2

Appellante voert verder aan dat verweerder haar in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord.

3.3

Appellante betoogt ten slotte dat er geen gebrek (en dus ook geen herstel) aan de orde was dat aanleiding had mogen geven tot de bedrijfsblokkade. Bij appellante wordt de schuld van de bedrijfsblokkade gelegd, wat een verslechtering van de naam van appellante en hoge kosten tot gevolg heeft gehad. Appellante betoogt verder dat de bedrijfsblokkade disproportioneel is geweest en wijst op de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:134.

4.1

Verweerder stelt in beroep dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond had moeten worden verklaard, maar kennelijk niet-ontvankelijk, nu het procesbelang van appellante ontbreekt bij een procedure tegen het primaire besluit. Volgens verweerder richten de gronden van appellante zich niet tegen het primaire besluit, maar tegen het blokkadebesluit. Verweerder verzoekt het College zelf in de zaak te voorzien door het bezwaarschrift van appellante alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens verweerder mag van het horen worden afgezien als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond is.

4.2

Verweerder erkent dat bij het berekenen van de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van appellante moet worden uitgegaan van 30 oktober 2018 als de dag waarop het bestreden besluit is bekend gemaakt. Verweerder is echter geen dwangsom verschuldigd als het bezwaar kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is.

5. Vast staat dat het bestreden besluit pas op 30 oktober 2018 aan appellante bekend is gemaakt als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroepschrift, gedateerd op 6 december 2018, is dan ook tijdig ingediend. Het beroep van appellante richt zich tegen het kennelijk ongegrond verklaren van haar bezwaar en tegen de door verweerder toegekende dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op dit bezwaar. Gezien het voorgaande is het beroep van appellante ontvankelijk.

6.1

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder het bezwaar van appellante in het bestreden besluit terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

6.2

Als vereiste voor de ontvankelijkheid van een bezwaar geldt dat met het bezwaar enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het primaire besluit moet worden nagestreefd. Bij gebreke daarvan moet het bezwaar wegens het ontbreken van procesbelang niet‑ontvankelijk worden verklaard. Uit het bezwaarschrift zelf blijkt dat het rechtsgevolg dat appellante in bezwaar (eigenlijk) nastreeft is dat het blokkadebesluit alsnog onrechtmatig wordt geacht en dat besluit wordt herroepen. Dit levert voor appellante echter geen procesbelang bij het primaire besluit op. Het primaire besluit strekt immers tot opheffing van de bedrijfsblokkade en niet tot het opleggen daarvan. Appellante streeft met haar bezwaar dan ook geen wijziging van het rechtsgevolg van het primaire besluit na.

6.3

Gelet hierop had verweerder in bezwaar tot het oordeel moeten komen dat appellante geen procesbelang heeft bij het door haar ingediende bezwaarschrift. Het bezwaar van appellante had dan ook (kennelijk) niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

7. Verweerder heeft terecht gewezen op artikel 7:3 van de Awb, op grond waarvan van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond is. Het eerstgenoemde geval is hier aan de orde, omdat uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat het bezwaar van appellante om de hiervoor in 6.2 genoemde reden niet-ontvankelijk is en er redelijkerwijs over deze conclusie geen twijfel mogelijk is.

8 Voor zover appellante opkomt tegen de berekening van de dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op haar bezwaar, overweegt het College dat verweerder in zijn verweerschrift terecht heeft gewezen op artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb. Op grond van deze bepaling is verweerder geen dwangsom verschuldigd indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, wat hier het geval is. Het College ziet dan ook geen aanleiding om een hogere dwangsom aan appellante toe te kennen.

9. Gezien het vorenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van appellante kennelijk ongegrond is verklaard. Het College ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard.

10. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van appellante kennelijk ongegrond is verklaard;

  • -

    bepaalt dat het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. R.W.L. Koopmans en

mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.