Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:644

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
19/213
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet artikel 23, derde en zesde lid. Appellante heeft de ziekte van één van de maten als buitengewone omstandigheid gemeld bij verweerder. In de periode van november 2007 tot 2 juli 2015 is geen specifiek oorzakelijk verband aan te wijzen tussen de gezondheidssituatie van de maat en de fluctuaties in het veebestand. Dat appellante naar eigen zeggen rond 19 september 2012 met oog op deze buitengewone omstandigheid en gelet op de daaruit volgende werkdruk, gedwongen was haar dieraantallen omlaag te brengen, maakt daarom niet dat die datum als alternatieve peildatum dient te worden gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/213

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats 1] , appellante

(gemachtigde: ing. M.J.G.A. Meuwissen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: C. Zieleman).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw), het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 15 juni 2018 (primair besluit) heeft verweerder de melding van appellante op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw (melding bijzondere omstandigheden) afgewezen.

Bij besluit van 7 december 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor appellante is verder nog verschenen [naam 2] .

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1.

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2.

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is (5%-drempel) door ziekte van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (knelgevallenregeling).

Feiten

2.1.

Appellante is een maatschap met als maten het echtpaar [naam 2] en [naam 3] (mevrouw [naam 3] ) en exploiteert een melkveebedrijf te [plaats 2] . Appellante had in de loop der jaren blijkens haar Gecombineerde Opgaven de volgende dieraantallen:

2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016

melkkoeien 81 66 85 77 79 72 83

jongvee 68 72 59 56 52 67 70

2.2.

Bij besluit van 3 januari 2018 heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 3.517 kilo (kg). Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de dieraantallen die op de peildatum 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezig waren, te weten 68 melkkoeien en 70 stuks jongvee.

2.3.

Met een door verweerder op 22 februari 2018 ontvangen melding bijzondere omstandigheden (ziekte van een maat) heeft appellante verweerder verzocht om verhoging van haar fosfaatrecht. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat mevrouw [naam 3] in 2007 bij een auto-ongeluk een whiplash heeft opgelopen waarvan zij nog steeds last heeft. Halverwege 2014 zijn de klachten verergerd en is appellante daarom tijdelijk minder vee gaan houden.

2.4.

Appellante heeft ter ondersteuning van haar standpunt de volgende stukken overgelegd.

- Een expertiserapport van 13 januari 2013, op verzoek van de letselschadeverzekeraar opgemaakt door dr. [naam 4] , neuroloog. Daarin is - samengevat - vermeld dat mevrouw [naam 3] op 7 november 2007 een ongeval heeft gehad, dat geen neurologische afwijkingen of beperkingen zijn vastgesteld en geen wezenlijke verbetering of verslechtering wordt verwacht in de neurologische toestand van mevrouw [naam 3] .

- Een brief van 28 maart 2013 van verzekeringsarts [naam 5] van [naam 6] , met daarin een korte weergave van de beschikbare medische gegevens, waaronder gegevens afkomstig van de mevrouw [naam 3] behandelende sector. Daaruit blijkt dat zij sinds 27 november 2008 onder behandeling is van een fysiotherapeut. Deze gegevens leiden hem tot de conclusie, samengevat, dat mevrouw [naam 3] een forse aanrijding heeft gehad en daardoor nog steeds klachten ondervindt aan nek, schouder en linkerarm, die door de neuroloog zijn geduid als whiplash. Daardoor heeft zij beperkingen (tillen, duwen, trekken, dragen) die niet worden veroorzaakt door neurologische afwijkingen maar die wel reëel zijn.

- Verklaringen van 18 mei 2018 en 9 november 2018 van [naam 7] , fysiotherapeut, waaruit blijkt dat mevrouw [naam 3] in augustus 2014, respectievelijk na september 2012, bij hem in behandeling was voor nekklachten na een auto-ongeval.

- Een verklaring van 15 mei 2018 van [naam 8] , huisarts, inhoudend dat mevrouw [naam 3] langdurig last heeft van nekklachten die al vele jaren aanwezig zijn en in ieder geval ook al van voor augustus 2014 dateren.

Appellante heeft ter zitting verklaard dat mevrouw [naam 3] nog steeds onder behandeling is van een fysiotherapeut.

Besluiten van verweerder en omvang van het geschil

3.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder de melding bijzondere omstandigheden afgewezen op de grond dat, uitgaande van de alternatieve peildatum 1 augustus 2014, die verweerder heeft ontleend aan de gegevens van de fysiotherapeut, de 5%- drempel niet wordt gehaald.

3.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de melding bijzondere omstandigheden afgewezen op de grond dat, uitgaande van de alternatieve peildatum 19 september 2012, als waarom appellante heeft verzocht, de 5%-drempel wel wordt gehaald, maar er geen oorzakelijk (causaal) verband is aan te wijzen tussen een sinds die datum aanwezige bijzondere omstandigheid en het lagere fosfaatrecht op de peildatum 2 juli 2015. De gemelde bijzondere omstandigheid doet zich immers al sinds november 2007 voor.

3.3

Zoals het College in zijn uitspraak van 18 augustus 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:558) heeft overwogen, gaat het bij de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw, om een besliscomponent die verweerder behoort te betrekken bij de vaststelling van het fosfaatrecht. Verweerder dient, indien na de primaire besluitvorming tijdig een melding bijzondere omstandigheden wordt ontvangen, daarom in beginsel het primaire besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht te herzien als die melding hem aanleiding geeft tot het oordeel dat het bij het primaire besluit vastgestelde fosfaatrecht moet worden verhoogd. Indien verweerder de melding bijzondere omstandigheden afwijst, beperkt de omvang van het geding in beroep zich in beginsel tot de vraag of verweerder in de melding aanleiding had moeten zien het (in rechte onaantastbaar geworden) primaire besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht te herzien.

3.4.

In dit geval is geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht en is een tijdige melding bijzondere omstandigheden gedaan. De omvang van het geding beperkt zich tot de vraag of verweerder naar aanleiding van de melding bijzondere omstandigheden het besluit van 3 januari 2018 had moeten herzien door het fosfaatrecht hoger vast te stellen.

Beroepsgronden

4.1.

Appellante stelt dat de gezondheidsklachten van mevrouw [naam 3] halverwege 2014 zo zijn verergerd dat zij heeft besloten om per 1 augustus 2014 tijdelijk minder vee te gaan houden. Appellante stelt dat zij zonder deze omstandigheid (gezondheidsklachten van mevrouw [naam 3] ) op 2 juli 2015 evenveel dieren zou hebben gehad als op 31 december 2015, te weten 82 koeien en 74 stuks jongvee. Het gaat in haar geval niet om een uitbreiding, maar om het houden van het aantal dieren dat zij eerder had. De stand van zaken op 2 juli 2015 is volgens appellante niet representatief. Die op 31 december 2015 wel. Appellante verzoekt verweerder haar fosfaatrecht dienovereenkomstig hoger vast te stellen.

4.2.

Appellante stelt dat er wel een causaal verband is tussen de bijzondere omstandigheid, te weten het ongeval in 2007, en de vermindering van het aantal dieren op de peildatum 2 juli 2015. De gevolgen van het ongeval zijn in al die jaren verdoezeld door hulp van de kinderen en het doorwerken door mevrouw [naam 3] terwijl dat eigenlijk niet kon. Dat is het probleem. In de eerste jaren na de whiplash is het bedrijf met behulp van gezinsleden (voornamelijk de twee oudste zonen) draaiende gehouden. Vanaf september 2012 was dat minder mogelijk omdat de jongens gingen studeren en zijn de klachten toegenomen. Daarom is toen het aantal dieren verlaagd. Gedurende 2015 zijn de klachten afgenomen en is appellante begonnen met de veestapel terug op het peil van voor 2012 te brengen. Appellante zou willen dat de datum 31 december 2015 als alternatieve peildatum zou worden gehanteerd.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt dat op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw, op appellante de last rust te bewijzen dat haar reguliere fosfaatrecht als gevolg van de door haar gemelde bijzondere omstandigheid ten minste 5% lager is. Daarin is zij volgens verweerder niet geslaagd. Uit het overzicht van de door appellante in de loop der jaren gehouden dieren blijkt niet dat sprake is van duidelijk verband tussen het ongeluk eind 2007 en de afname van het aantal dieren na 2012. Uit de medische gegevens blijkt niet dat de gezondheidsklachten van mevrouw [naam 3] rond 19 september 2012 zijn verergerd, zoals appellante stelt. Appellante heeft volgens verweerder in de periode van 2007 tot 2012 keuzes gemaakt om de reguliere bedrijfsvoering te combineren met de gezondheidsklachten. De keuzes hielden aanvankelijk in dat de kinderen werkzaamheden overnamen. Toen deze hulp in september 2012 ophield, is appellante koeien gaan afvoeren. Dat is het directe gevolg van het wegvallen van de hulp van de kinderen en niet van het auto-ongeluk in 2007.

Beoordeling

6.1.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Zoals het College eerder heeft geoordeeld wordt bij toepassing van de knelgevallenregeling teruggekeken naar het verleden. Dat betekent dat een vergelijking moet plaatsvinden tussen de situatie op 2 juli 2015 en de situatie zoals die zou zijn geweest zonder de buitengewone omstandigheid. Dat betekent ook dat geen rekening kan worden gehouden met de situatie bij appellante op 31 december 2015.

6.2.

Appellante heeft de ziekte van één van de maten als buitengewone omstandigheid gemeld bij verweerder. Niet in geschil is dat de gezondheidsklachten van mevrouw [naam 3] een aanvang hebben genomen in november 2007. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gezondheid van mevrouw [naam 3] na 19 september 2012 zodanig is verslechterd dat zij toen om die reden tijdelijk minder melkvee is gaan houden. Uit artikel 23, zesde lid, van de Msw volgt dat appellante de gemelde bijzondere omstandigheid moet aantonen. Appellante is in dat bewijs niet geslaagd. Uit de door haar overgelegde medische gegevens, als hiervoor onder 2.3 vermeld, blijkt wel dat mevrouw [naam 3] na september 2012 en op de oorspronkelijk aangegeven peildatum in 2014, onder behandeling was van een fysiotherapeut, maar dat is zij sinds 2008, tot op de dag van de zitting, herhaaldelijk geweest. Verder is gebleken en is door appellante ter zitting verklaard, dat het veebestand gedurende een kalenderjaar voortdurend fluctueert. Het College is van oordeel dat er in de periode van november 2007 tot 2 juli 2015 geen specifiek oorzakelijk verband is aan te wijzen tussen de gezondheid van mevrouw [naam 3] en die fluctuaties. Dat appellante naar eigen zeggen rond 19 september 2012 met oog op deze buitengewone omstandigheid en gelet op de daaruit volgende werkdruk, gedwongen was haar dieraantallen omlaag te brengen, maakt daarom niet dat die datum als alternatieve peildatum dient te worden gehanteerd. Daarbij komt dat de toegenomen werkdruk per september 2019 het gevolg is van het wegvallen van de hulp van twee meewerkende zonen. Voor die omstandigheid is een knelgevallenregeling niet bedoeld.

6.3.

Het College is van oordeel dat de onder 3.4 vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2020.

J.L. Verbeek w.g. J.W.E. Pinckaers

De voorzitter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.