Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:636

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
19/692
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Het College is met verweerder van oordeel dat de factuur geen rechtsgevolgen in het leven roept die niet al door zijn besluit van 6 maart 2019 in het leven zijn geroepen. Aangezien de factuur in dit geval niet is gericht op enig rechtsgevolg, is dit geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/692

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2020 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: R. Snijders),

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).

Procesverloop

Bij factuur van 14 maart 2019 heeft verweerder het bedrag van € 7.825,13 bij appellante in rekening gebracht.

Bij besluit van 29 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de factuur van 14 maart 2019 niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Bij besluit van 6 maart 2019 heeft verweerder de heffing voor het Diergezondheidsfonds Varken voor het jaar 2018 (hierna: de heffing) voor appellante vastgesteld op een bedrag van € 7.825,13.-.

1.3

Op 14 maart 2019 heeft verweerder aan appellante de uit het besluit van 6 maart 2019 voortvloeiende factuur gestuurd. Verweerder heeft bij die factuur een bedrag van € 7.825,13.. bij appellante in rekening gebracht. Tegen deze factuur heeft appellante bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante kennelijk niet‑ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De factuur betreft geen handeling waarmee een rechtsgevolg is beoogd. De factuur roept bovendien geen rechtsgevolgen in het leven die niet al door het besluit van verweerder van 6 maart 2019 in het leven zijn geroepen. Hierdoor is de factuur niet zelfstandig appellabel. Op grond van artikel 7:1 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1 van de Awb, is geen bezwaar mogelijk tegen voornoemde factuur.

3. Appellante kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Volgens appellante wordt zij in de huidige opzet voor berekening van de heffing onevenredig benadeeld ten opzichte van andere varkenshouders. Varkenshouders die genoodzaakt zijn hun speenbiggen op een andere locatie op te fokken tot ze kunnen worden afgezet naar een bedrijf dat het dier verder opfokt tot vleesvarken moeten ten onrechte twee keer zoveel betalen als varkenshouders die op een en dezelfde locatie kunnen opfokken. Genoemde onevenredigheid blijkt bovendien uit de omstandigheid dat de heffing voor het jaar 2020 op een andere manier is berekend dan voor het jaar 2018.

4. Verweerder persisteert in het eerder door hem in het bestreden besluit ingenomen standpunt.

5.1

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder het bezwaar van appellante terecht met toepassing van artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.2

Het College is met verweerder van oordeel dat de factuur geen rechtsgevolgen in het leven roept die niet al door zijn besluit van 6 maart 2019 in het leven zijn geroepen. Aangezien de factuur in dit geval niet is gericht op enig rechtsgevolg, is dit geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van het College heeft verweerder dan ook terecht het bezwaar van appellante tegen de factuur van 14 maart 2019 niet‑ontvankelijk verklaard. Hetgeen appellante in beroep naar voren heeft gebracht, wat daar verder ook van zij, doet hieraan niet af.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.

De voorzitter is verhinderd w.g. T. Kuiper

de uitspraak te ondertekenen