Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:624

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
17/1480
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling Fosfaatreductieplan 2017. Gelijkheidsbeginsel. Niet aannemelijk gemaakt dat er investeringen zijn gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1480

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. S.J.E. Loontjens en mr. M. Krari).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een heffing opgelegd van € 1.260,00 voor periode 1.

Bij besluit van 29 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft gereageerd op de door het College gestelde vragen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden mr. S.J.E. Loontjens en mr. M. Krari.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op
    2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Zij heeft plannen voor het uitbreiden van haar melkvee en voor het bouwen van een nieuwe melkveestal. Op 25 februari 2016 is haar de daarvoor benodigde vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw-vergunning) verleend.

  3. Verweerder heeft appellante een solidariteitsgeldsom van € 1.260,00 opgelegd voor periode 1, omdat het gemiddeld aantal runderen op haar bedrijf hoger is dan het referentieaantal, maar gelijk aan of lager dan het doelstellingsaantal van de betreffende maand is.

  4. Appellante heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:4638), waarin de voorzieningenrechter voor een aantal melkveehouders de Regeling buiten toepassing heeft verklaard wegens schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP). Appellante heeft gesteld, dat zij, evenals die veehouders, voor 2 juli 2015 onomkeerbare investeringsverplichtingen is aangegaan voor de uitbreiding van haar bedrijf.

  5. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Op basis van de door appellante ingediende bewijsstukken acht verweerder het niet aannemelijk dat de situatie van appellante vergelijkbaar is met die van de melkveehouders waarop voormeld vonnis betrekking heeft. Anders dan appellante, zijn deze melkveehouders in de jaren kort vóór de peildatum 2 juli 2015 onomkeerbare investeringsverplichtingen aangegaan, waarbij is geanticipeerd op de afschaffing van de melkquotumregeling. Deze groep heeft daardoor te weinig tijd gehad om hun veestapel op het gewenste peil te brengen.

  6. Appellante voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Zij stelt dat zij voor de peildatum 2 juli 2015 investeringsverplichtingen is aangegaan. Appellante wijst op twee orderbevestigingen van 26 juni 2015 en een opdrachtbevestiging van 11 mei 2015. Ook stelt appellante dat de Nbw‑vergunning weliswaar op 25 februari 2016 is verleend maar dat zij de opdracht om een aanvraag in te dienen al op 24 juni 2015 heeft gegeven. Appellante verwijst verder naar contacten met de bank en haar boekhouder, waaruit volgens haar blijkt dat zij al vanaf medio september 2014 met de uitbreidingsplannen bezig is geweest.

  7. Het beroep dat appellante heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het vonnis van de voorzieningenrechter is bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 31 oktober 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:3067) vernietigd. Het Hof heeft in deze uitspraak geoordeeld dat de Regeling niet in strijd is met artikel 1 van het EP. Ook het College heeft in zijn uitspraak van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:419 geoordeeld dat de Regeling als zodanig niet in strijd is met artikel 1 van het EP. Dit betekent dat de in die procedure betrokken melkveehouders, net zoals appellante, onder de Regeling vallen.

  8. De volgende vraag is of de Regeling in het geval van appellante zodanig uitwerkt, dat in haar geval sprake is van een bijzondere buitensporige last, zodat sprake is van strijdigheid met artikel 1 EP. Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral de mate waarin het in de Regeling opgenomen stelsel van maatregelen de individuele melkveehouder raakt relevant. Niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de opgelegde heffingen en de inperking van de exploitatiemogelijkheden – waardoor bijvoorbeeld ook investeringen nutteloos of beperkt nuttig zijn geworden – als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling vormt een buitensporige last.

8.1.

Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (vergelijk de uitspraak van het College in het fosfaatrechtenstelsel van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.2).

8.2.

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat verder voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin is geïnvesteerd en de reden waarom is geïnvesteerd –navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren (zie de uitspraak van 23 juli 2019, onder 6.7.5.4). Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat de last buitensporig is en aldus geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.9).

8.3.

Het College staat nu voor de vraag of appellante voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling een individuele en buitensporige last te dragen heeft. Het College vindt van niet en overweegt daarover het volgende.

8.4.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij investeringen heeft gedaan en dus een last heeft te dragen. Het College komt daarom niet toe aan een beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last. Appellante heeft in bezwaar stukken overgelegd om te bewijzen dat zij onomkeerbare investeringen heeft gedaan voor de peildatum 2 juli 2015. Die stukken zijn echter allemaal, zoals verweerder dat terecht heeft opgemerkt, van na de peildatum
2 juli 2015. In beroep heeft appellante twee orderbevestigingen van 26 juni 2015 en een opdrachtbevestiging van 11 mei 2015 ingebracht. De orderbevestigingen van 26 juni 2015 zien op de aanschaf van betonplinten en keerwanden. In beide orderbevestigingen staat dat het gaat om een voorstel dat dient ter bespreking en dat deze voor akkoord ondertekend moeten worden teruggestuurd. De opdrachtbevestiging van 11 mei 2015 is de bevestiging voor het leveren van een melktank. In deze bevestiging staat dat de huidige melktank en koelmachine worden ingeruild voor een tank met een grotere capaciteit. De overgelegde orderbevestigingen zijn door appellante niet voor akkoord ondertekend. Deze bevestigingen dateren weliswaar van voor de peildatum van 2 juli 2015, maar daarmee heeft appellante niet aangetoond dat zij financiële investeringsverplichtingen is aangegaan die door de Regeling onredelijk zouden worden getroffen. Zij waren immers nog niet definitief. De e-mails van de Rabobank van september 2014 en mei 2015 laten enkel zien dat appellante een afspraak wilde maken voor een financieringsovereenkomst. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij van de bank geen financiering heeft gekregen, omdat de melkprijs teveel was gezakt als gevolg van de fosfaatregelingen. Daarmee staat vast dat appellante via de bank geen onomkeerbare financieringsverplichtingen is aangegaan. Voor zover appellante heeft gesteld dat zij al op 24 juni 2015 opdracht heeft gegeven om een aanvraag voor een Nbw-vergunning in te dienen en een PAS-melding te doen, komt daaraan in de afweging geen gewicht toe. Bij de beoordeling of onomkeerbare investeringen zijn aangegaan wordt immers bekeken of sprake is van een verleende en onaantastbaar geworden vergunning. Dat was hier ten tijde van belang niet het geval.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in aanwezigheid van
mr. A.J. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
8 september 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.