Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:622

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
18/273
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling Fosfaatreductieplan 2017; artikel 12, eerste en tweede lid, van de Regeling; bedrijfsoverdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 18/273

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

Melkveehouderij en agrarische dienstverlening [naam 1] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante
(gemachtigde: P.J. Houtsma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G. Biesheuvel).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een hoge geldsom opgelegd van € 19.930,- voor periode 1.

Bij besluit van 15 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Regeling kan verweerder, indien de houder meldt en aantoont dat na 2 juli 2015 een beëindigd bedrijf is overgenomen, op zijn verzoek het referentieaantal verhogen met het referentieaantal dat op grond van deze regeling van toepassing zou zijn geweest op de houder van het beëindigde bedrijf. Bij gedeeltelijke overname kan het referentieaantal naar rato worden verhoogd.
    Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Regeling kan verweerder, indien de houder meldt en aantoont dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen, op zijn verzoek het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.

  3. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Op 31 maart 2017 heeft appellante een melding bijzondere omstandigheid ingediend en verweerder verzocht haar referentieaantal te verhogen. Appellante heeft daarin vermeld dat zij in juli 2016 het melkveebedrijf van wijlen [naam 2] heeft overgenomen en dat [naam 2] in 2015 ziek was, waardoor [naam 2] op de peildatum 2 juli 2015 maar 34 grootvee‑eenheden (GVE) had.

Besluitvorming

4. Verweerder is bij het opleggen van de heffing uitgegaan van het referentieaantal 0 GVE. Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat appellante een beroep doet op een bijzondere omstandigheid die heeft plaatsgevonden voordat er een bedrijfsoverdracht is geweest, maar dat het niet mogelijk is om een beroep te doen op een bijzondere omstandigheid die is ontstaan bij het voorgaande bedrijf.
Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd en daaraan toegevoegd dat appellante de bedrijfsoverdracht niet op de in artikel 12 van de Regeling voorgeschreven wijze heeft gemeld en dat appellante deze melding uiterlijk 1 maand na de bedrijfsoverdracht had moeten doen.

Beroepsgronden

5. Appellante betoogt dat verweerder niet heeft onderkend dat zij op 13 juli 2016 een beëindigd bedrijf heeft overgenomen van de erven van [naam 2] en dat zij hier tijdig melding van heeft gemaakt. Volgens appellante had daarom, ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Regeling het referentieaantal van [naam 2] aan haar moeten worden overgedragen.
Verder betoogt appellante dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij geen beroep kan doen op artikel 12, tweede lid, van de Regeling. Volgens appellante kan uit het eerste lid worden afgeleid dat de houder het referentieaantal van het beëindigde bedrijf kan overnemen “als had de gestopte veehouder zelf de aanvraag gedaan”, en kan de houder daarom ook om toepassing van het tweede lid verzoeken in verband met een bijzondere omstandigheid die zich op het beëindigde bedrijf heeft voorgedaan.
Tot slot betoogt appellante dat verweerder, gezien haar specifieke situatie, in ieder geval reden had moeten zien de opgelegde geldsom met toepassing van artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet, te verlagen naar nihil dan wel te matigen. Door dit niet te doen en dit zelfs niet aan te stippen in het bestreden besluit, is sprake van een onzorgvuldig besluit, aldus appellante.

Standpunt verweerder

6. In het verweerschrift heeft verweerder erkend dat appellante de bedrijfsoverdracht wel tijdig heeft gemeld. In plaats hiervan heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij deze melding niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een gehele bedrijfsoverdracht. Volgens verweerder heeft appellante niet het bewijs geleverd dat zij het door haar aangekochte bedrijf geheel heeft overgenomen en kan, gezien de onduidelijkheid daarover, artikel 12 van de Regeling niet worden toegepast. Verweerder heeft daarbij gewezen op de uitspraak van het College van 11 februari 2020 op het beroep van appellante in het kader van het fosfaatrechtenstelsel (ECLI:NL:CBB:2020:95).
Verder stelt verweerder dat, wanneer sprake is van een bedrijfsoverdracht, het nieuwe bedrijf in beginsel geen aanspraak kan maken op de knelgevallenregeling als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Regeling, tenzij tenminste één van de oorspronkelijke ondernemers nog zeggenschap heeft in het nieuwe bedrijf.
Tot slot stelt verweerder dat niet aan het verzoek van appellante om toepassing van artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet kan worden tegemoetgekomen, alleen al omdat appellante geen stukken heeft aangeleverd waaruit blijkt dat in haar geval sprake is van een uitzonderlijke situatie, die disproportioneel uitpakt.

Beoordeling

7. Ter zitting is gebleken dat verweerder appellante niet meer tegenwerpt dat zij de bedrijfsoverdracht niet op de in artikel 12 van de Regeling voorgeschreven wijze heeft gemeld. Verweerder heeft de door appellante ingediende melding bijzondere omstandigheid van 31 maart 2017 geaccepteerd als een melding bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Regeling.

8. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit de door appellante overgelegde akte van levering niet kan worden afgeleid dat appellante het bedrijf via een a-b-c constructie van de erven van [naam 2] heeft overgenomen. Volgens verweerder kan daaruit alleen worden afgeleid dat appellante onroerend goed van [naam 3] heeft gekocht. Verder is volgens verweerder niet aangetoond dat er sprake is van een beëindigd bedrijf.

9. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat het bedrijf op dezelfde dag eerst van de erven van [naam 2] aan [naam 3] en daarna van [naam 3] aan appellante is geleverd. Appellante heeft er in dat verband op gewezen dat in de akte van levering staat dat [naam 3] het verkochte nooit zelf heeft gebruikt. Appellante heeft van [naam 3] alle bedrijfsgebouwen en een deel van de grond gekocht.

10. Het College stelt vast dat uit de door appellante overgelegde akte van levering van 13 juli 2017 kan worden afgeleid dat [naam 3] “de boerderij met ondergrond erf en tuin” aan appellante heeft verkocht, welke door appellante te gebruiken is als “woonruimte met ondergrond en huiskavel, alsmede de bedrijfsgebouwen met ondergrond en erf”. Verder kan uit de akte van levering worden afgeleid dat [naam 3] het verkochte eerder op diezelfde dag in eigendom heeft verkregen (zie onder “VOORAFGAANDE VERKRIJGING”), dat [naam 3] het verkochte nimmer zelf heeft gebruikt of bewoond, en dat de rechtsvoorgangers van [naam 3] de voorgaande eigenaren: de erven [naam 2] waren (zie artikel 2, vierde lid, waarin is verwezen naar artikel 21 van de koopovereenkomst).

10.1.

Het College is van oordeel dat appellante hiermee in ieder geval heeft aangetoond dat zij de boerderij, inclusief de woonruimte en bedrijfsgebouwen met ondergrond en erf, van de erven van [naam 2] heeft overgenomen. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom hij tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van een bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Regeling. Verweerder heeft niet aangegeven welke stukken ontbreken en heeft ook geen nadere stukken bij appellante opgevraagd, dan wel onderzocht of het bedrijf bij een ander in gebruik is en niet is beëindigd.

10.2.

Verweerder heeft zich nog wel beroepen op de uitspraak van het College van 11 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:95), maar in die zaak was uitsluitend aan de orde of appellante ten behoeve van de toekenning van fosfaatrechten het bewijs van bedrijfsoverdracht had geleverd. Uit die uitspraak blijkt dat de erven [naam 2] het bedrijf inclusief het recht op bijbehorende fosfaatrechten aan [naam 3] hebben verkocht, dat [naam 3] de opstal (de boerderij) en ruim 1 hectare grond op 13 juli 2016 aan appellante heeft doorverkocht, en dat appellante en [naam 3] in de koopovereenkomst geen afspraken hebben gemaakt over het recht van appellante op de fosfaatrechten behorende bij het bedrijf. De fosfaatrechten zijn toegekend aan [naam 3] en waren ten tijde van de uitspraak bij een derde in gebruik. Hieruit heeft het College afgeleid dat onvoldoende bewijs voorhanden was dat appellante de fosfaatrechten van [naam 3] of van de erven [naam 2] heeft overgenomen. Daarmee heeft het College niet uitgemaakt dat appellante in het kader van de fosfaatreductiezaken niet meer het bewijs zou kunnen leveren dat zij het bedrijf van de erven [naam 2] heeft overgenomen. Zoals hiervoor overwogen heeft appellante in deze procedure aangetoond dat zij het beëindigde bedrijf van de erven [naam 2] tenminste gedeeltelijk heeft overgenomen.

10.3.

Dit betekent dat het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Deze beroepsgrond slaagt.

11. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen. Indien verweerder daarbij alsnog tot het oordeel komt dat appellante het bedrijf van de erven [naam 2] geheel of gedeeltelijk heeft overgenomen, moet aan haar het referentieaantal van de erven [naam 2] eveneens geheel of gedeeltelijk worden toegekend. Daarna komt de vervolgvraag aan de orde of een houder van een overgenomen bedrijf zich kan beroepen op een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Regeling die zich heeft voorgedaan voordat de bedrijfsoverdracht heeft plaatsgevonden. In het kader van definitieve geschilbeslechting ziet het College aanleiding hierop in te gaan.

11. Het College is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat omstandigheden als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Regeling, die zich hebben voorgedaan op het voorgaande bedrijf, geen grond vormen om het referentieaantal met toepassing van die bepaling te verhogen. Dit is alleen anders als een van de voorgaande houders nog zeggenschap heeft over het overgenomen bedrijf, maar daarvan is in dit geval geen sprake. Het College sluit hiermee aan bij zijn oordeel over de knelgevallenregeling in het kader van het fosfaatrechtenstelsel, waar in artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet een vergelijkbare bepaling is opgenomen (uitspraken van 6 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:334, en 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:104).

12.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

13. De beroepsgrond over artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet behoeft geen bespreking.

Slotsom

14. Het beroep is gelet op rechtsoverweging 10.3 gegrond. Het College zal het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb vernietigen en verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het College zal verweerder veroordelen in de in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursprocesrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, 1 punt voor het indienden van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,-).

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. A. Koelewijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.