Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:617

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
18/1129
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Algemene wet bestuursrecht artikel 8:31 en 8:45.

Beroep tegen besluit tot vaststelling van de subsidie voor het project “Geothermie Waddenkas Sexbierum”. Appellante is na het onderzoek ter zitting failliet verklaard. Niet is gesteld of gebleken dat zij nog belang heeft bij een beoordeling door het College van haar beroep. Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1129

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

[naam 1] B.V. te [plaats] , appellante

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort)

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2016, als gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 1 juni 2016, heeft verweerder de aan appellante voor het project “ [project] ” verleende subsidie, vastgesteld.

Bij uitspraak van 22 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:196, heeft het College het besluit van 1 juni 2016 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Bij besluit van 11 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2019. Appellante is niet verschenen en heeft een pleitnota ingezonden. Voor verweerder is verschenen mr. M.W. Schilperoort.

Het College heeft het onderzoek bij beslissing van 13 november 2019 heropend. Bij brief van 20 november 2019 heeft appellante het College bericht dat zij en haar enig aandeelhouder en bestuurder [naam 2] B.V. op 1 november 2019 failliet zijn verklaard, met benoeming van mr. H.C. Lunter tot curator (curator).

Bij brief van 21 januari 2020 heeft verweerder het College bericht dat de curator in beide faillissementen hem heeft laten weten geen belang te hebben bij een uitspraak op het beroep en dat ook verweerder geen belang heeft bij het voorzetten van de procedure.

Bij brief van 4 februari 2020 heeft het College de curator gevraagd naar zijn standpunt over het verdere verloop van de procedure en het procesbelang. Bij brief van 17 februari 2020 heeft de curator het College bericht dat hij het beroep niet overneemt. De curator geeft aan dat hij niet weet welk procesbelang de enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 2] B.V. (te weten de [naam 3] B.V. met als statutair bestuurders [naam 4] en [naam 5] ) nog meent te hebben.

Desgevraagd om een reactie heeft verweerder bij brief van 4 maart 2020 geantwoord dat naar zijn oordeel het procesbelang verloren is gegaan.

Bij brief van 13 mei 2020, die zowel per aangetekende post als per gewone post is verzonden, heeft het College [naam 4] en [naam 5] , in hun hoedanigheid van statutair bestuurders van [naam 3] B.V., geïnformeerd over het procesverloop in het beroep van appellante tot dan toe. Het College heeft hen verzocht om binnen vier weken schriftelijke inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten over het procesbelang. In de brief is ook vermeld dat zij binnen die termijn kunnen aangeven of zij het beroep al dan niet namens appellante willen voortzetten en of zij al dan niet op een nadere zitting willen worden gehoord. Verder is nog vermeld dat als zij de gevraagde inlichtingen niet binnen vier weken verstrekken, het College op grond van artikel 8:31 van de Awb daaraan de conclusie kan verbinden dat er geen procesbelang meer is en dat het beroep niet-ontvankelijk is.

Het College heeft op de brieven van 13 mei 2020 geen reactie ontvangen.

Verweerder heeft desgevraagd op 15 juni 2020 meegedeeld geen behoefte te hebben aan een nadere zitting.

Het College heeft op 17 juni 2020 het onderzoek gesloten.

Na sluiting van het onderzoek zijn de brieven van 13 mei 2020 zijn op 30 juni 2020, respectievelijk 7 juli 2020 bij het College retour ontvangen. De aangetekende brief is geweigerd. De andere brief is ‘retour afzender’ gestuurd. Het College heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek nogmaals te heropenen.

Overwegingen

1. Volgens vaste rechtspraak heeft een belanghebbende voldoende procesbelang als het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de belanghebbende feitelijk betekenis kan hebben. Een formeel of een principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Indien een procesbelang ontbreekt, dan is het beroep niet-ontvankelijk. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:690, waarin het College dit eerder heeft overwogen.

2. In deze zaak zijn twijfels ontstaan over het procesbelang van appellante. De curator heeft het beroep niet overgenomen en verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen procesbelang meer resteert. Nu het College geen antwoord heeft gekregen op de brief van 13 mei 2020 en ook overigens niet is gesteld of gebleken dat appellante na het faillissement nog belang heeft bij een beoordeling door het College van haar beroep, zal het College, mede met toepassing van artikel 8:31 van de Awb, hieraan de conclusie verbinden dat het beroep niet-ontvankelijk is.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. T. Pavićević en mr. D. Brugman

in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.

J.H. de Wildt w.g. J.W.E. Pinckaers

de voorzitter is verhinderd te ondertekenen