Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:606

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
19/465
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algemene wet bestuursrecht: artikel 6:7, 6:9 en 6:11.

Het College ziet in de omstandigheid betreffende de (drukke) werkzaamheden van de gemachtigde van appellante geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De stelling van appellante, dat verweerder met de brief van 11 juli 2019 het vertrouwen heeft gewekt dat (alsnog) een herbeoordeling naar aanleiding van het bezwaar plaats zou vinden, vat het College op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep slaagt niet. Aan de brief van verweerder kan appellante redelijkerwijs niet de rechtens te honoreren verwachting ontlenen, dat een herbeoordeling naar aanleiding van het bezwaar zou plaatsvinden. Het College stelt vast dat de brief geruime tijd na het verstrijken van de bezwaartermijn en de niet-ontvankelijkheidsverklaring is verzonden. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante had moeten begrijpen dat de brief, waarin ten onrechte wordt verwezen naar een aanhangig bezwaarschrift, abusievelijk naar haar was verzonden, aangezien verweerder bij besluit van 11 februari 2019 al op het bezwaar beslist had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/418
JOM 2020/497
JGROND 2020/248 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/248 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/465

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. S.H.A Penterman),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Groen )

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2018 heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 456 kg.

Bij besluit van 25 september 2018 (het primaire besluit) heeft de minister het besluit van 31 januari 2018 herzien en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 0 kg.

Bij besluit van 11 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante hiertegen niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2020. Appellante is verschenen, heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Appellante stelt zich op het standpunt dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Zij wijst in dat verband op de hoge werkdruk van haar gemachtigde gelet op de vele bezwaarschriften die tegen fosfaatrechtbesluiten moesten worden ingediend met verschillende vervaltermijnen. Voorts voert appellante aan dat verweerder met de aan haar op 11 juli 2019 verstuurde brief het vertrouwen heeft gewekt dat er een herbeoordeling zou plaatsvinden.

3.1

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb volgt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop is ontvangen. Als bewijs van tijdige terpostbezorging geldt de datum van het poststempel. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2

Verweerder heeft het bestreden besluit op 25 september 2018 bekend gemaakt. Dit betekent dat de bezwaartermijn op 26 september 2018 aanving en op 6 november 2018 eindigde. Het op 8 november 2018 gedateerde en – zoals blijkt uit de poststempel – op 12 november 2018 verzonden bezwaarschrift is derhalve te laat ingediend. Dit wordt door appellante ook niet bestreden. Niet gesteld of gebleken is dat appellante tegen het ingetrokken vaststellingsbesluit van 31 januari 2018(tijdig) bezwaar heeft gemaakt.

3.3

Het College ziet in de omstandigheid betreffende de (drukke) werkzaamheden van de gemachtigde van appellante geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De bezwaartermijn waarborgt de rechtszekerheid. Als de termijn is verlopen, moet van de in het primaire besluit neergelegde rechtsbetrekking uit kunnen worden gegaan. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan worden afgeweken. Het ligt op de weg van de gemachtigde om een goede voortgang van de door hem te behartigen zaken te bewaken en daartoe de nodige maatregelen te treffen. Niet is gebleken dat de gemachtigde in zodanige omstandigheden verkeerde dat hij niet tijdig een pro forma bezwaarschrift had kunnen indienen.

3.4

De stelling van appellante, dat verweerder met de brief van 11 juli 2019 het vertrouwen heeft gewekt dat (alsnog) een herbeoordeling naar aanleiding van het bezwaar plaats zou vinden, vat het College op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep slaagt niet. Aan de brief van verweerder kan appellante redelijkerwijs niet de rechtens te honoreren verwachting ontlenen, dat alsnog een heroverweging van het primaire besluit naar aanleiding van het bezwaar zou plaatsvinden. Het College stelt vast dat de brief geruime tijd na het verstrijken van de bezwaartermijn en na de niet-ontvankelijkheidsverklaring is verzonden. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante had moeten begrijpen dat de brief, waarin ten onrechte wordt verwezen naar een aanhangig bezwaarschrift, abusievelijk naar haar was verzonden, aangezien verweerder bij besluit van 11 februari 2019 al op het bezwaar beslist had.

3.5

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4. Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.

w.g. W.C.E. Winfield De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen