Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:603

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
19/135
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betoog dat het fosfaatrechtenstelsel niet kan worden aangemerkt als noodzakelijke maatregel in de zin van artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn, slaagt niet. Het betoog van appellant dat het stelsel van fosfaatrechten ongeoorloofde staatssteun oplevert slaagt ook niet. Het College is van oordeel dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Bij de toepassing van de knelgevallenregeling wordt geen rekening gehouden met op de peildatum (nog) niet gerealiseerde groei. Dat er meer dieren zijn vergund dan werden gehouden op het moment van intreden van de buitengewone omstandigheid en/of dat er ongebruikte stalruimte was, is dus niet van belang voor de toepassing van de knelgevallenregeling en daarmee voor de vaststelling van het fosfaatrecht. Het hanteren van een alternatieve peildatum gelegen na 2 juli 2015, zoals appellante heeft verzocht, is dan ook niet in overeenstemming met het stelsel van de wet. Verder heeft appellant niet voldaan aan haar bewijsplicht aan te tonen dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/135

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. E.H.E.J. Wijnen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Leegsma)

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Op 23 maart 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij besluit van 3 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellant exploiteert een melkveebedrijf. In 2012 heeft appellant besloten tot verbouwing van zijn stal om zodoende een beperkte groei te realiseren. Appellant wilde groeien van 65 melkkoeien en 54 stuks jongvee naar 103 stuks melkkoeien en 67 stuks jongvee. Appellant had na de verbouwing een stalcapaciteit voor 110 melkkoeien en 90 stuks jongvee. Op basis van de melding Activiteitenbesluit van 11 januari 2013 mocht appellant per die datum 130 melkkoeien en 90 stuks jongvee houden. Op 2 juli 2015 hield appellant 77 melk- en kalfkoeien en 63 stuks jongvee.

2.2

Appellant is voor de verbouwing van de stal op 13 januari 2012 een financieringsovereenkomst aangegaan met de [naam 2] voor een bedrag van € 110.000,-. Daarnaast heeft appellant op 10 januari 2014 een melkrobot aangeschaft voor een bedrag van € 40.500,-. Verder heeft appellant facturen van de verbouwingskosten overgelegd voor een totaalbedrag van € 66.996,14.

Besluiten van verweerder

3.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 3.985 kg. Wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op de peildatum van 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Omdat het bedrijf van appellant grondgebonden is, is geen generieke korting toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en het beroep van appellant op de knelgevallenregeling afgewezen.

Beroepsgronden

4.1

Appellant voert aan dat het stelsel van fosfaatrechten niet kan worden aangemerkt als een noodzakelijke maatregel als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinig door nitraten uit agrarische bronnen (de Nitraatrichtlijn) omdat de EU-norm van 50 mg/l in Nederland niet wordt overschreden. Voor zover deze norm wel wordt overschreden voert appellant aan dat de vaststelling van zijn fosfaatrecht in strijd is met artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat sprake is van ongeoorloofde staatssteun.

4.2

Appellant voert verder aan dat verweerder het fosfaatrecht niet in overeenstemming met de knelgevallenregeling heeft vastgesteld. Appellant heeft in 2012 al ingezet op een uitbreiding van zijn bedrijf. Voor deze uitbreiding heeft hij de benodigde vergunningen verkregen. Door diergezondheidsproblemen van 2010 tot en met 2014 heeft appellant de voorgenomen groei niet kunnen realiseren. Uiteindelijk werd pas in 2014 bekend wat de oorzaak van de problemen was geweest, namelijk een leverbotinfectie. Appellant heeft een rapport overgelegd van de Gezondheidsdienst voor dieren van 25 mei 2016 waaruit blijkt dat er in 2014, 2015 en 2016 een leverbotinfectie is aangetroffen bij een aantal dieren van appellant. Dit heeft geleid tot uitval en sterfte van dieren. In de periode van 1 januari 2013 tot en met juni 2015 zijn 18 kalveren, 4 pinken en 23 melkkoeien gestorven als gevolg van de besmetting. Appellant heeft een verklaring overgelegd van dierenkliniek IJzendijke 9 oktober 2018 waarin door een rundveedierenarts wordt bevestigd dat er dieren van appellant zijn gestorven als gevolg van een leverbotinfectie. Appellant wil compensatie voor de dieren die hij niet had op 2 juli 2015 als gevolg van de leverbotinfectie. Hij vraagt daarbij niet om compensatie op basis van vergunning en stalcapaciteit, maar om aan te sluiten bij het aantal dieren dat hij zou gaan houden in de verbouwde stal, te weten 103 melk- en kalfkoeien en 67 stuks jongvee. Met een peildatum van vóór 2 juli 2015 komt hij niet uit omdat de diergezondheidsproblemen zich al veel langer voordeden maar toen nog met een onbekende oorzaak. De feitelijke aantallen dieren vóór 2 juli 2015 zijn dan ook lager dan de vergunde aantallen van 100 melkkoeien en 70 stuks jongvee. Anders dan verweerder overweegt, biedt artikel 23, zesde lid, van de Msw wel degelijk de ruimte om bij de vaststelling van het fosfaatrecht rekening te houden met de al ingezette groei.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat het stelsel van fosfaatrechten wel degelijk kan worden aangemerkt als noodzakelijke maatregel op grond van de Nitraatrichtlijn en dat het stelsel geen ongeoorloofde staatssteun oplevert.

5.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) stelt verweerder zich op het standpunt dat door de niet-gerealiseerde groei voor 2 juli 2015 niet in de beoordeling van het beroep op de knelgevallenregeling te betrekken, hij een juiste uitleg heeft gehanteerd van artikel 23, zesde lid, van de Msw. In die uitspraak heeft het College geoordeeld dat voor de invulling van de 5%-drempel van de knelgevallenregeling er teruggekeken wordt naar het verleden en dat niet-gerealiseerde uitbreidingen op of na 2 juli 2015 niet worden betrokken. Dit kan tot gevolg hebben dat stagnatie in de groei ten gevolge van de diergezondheidsproblemen, niet meer kan worden gecompenseerd. In het verlengde hiervan stelt verweerder dat hem bovendien niet is gebleken dat appellant op enig moment voor de peildatum van 2 juli 2015 voldoet aan de hierboven genoemde 5%-drempel.

Beoordeling

6.1

Voor zover appellant aanvoert dat het fosfaatrechtenstelsel niet kan worden aangemerkt als noodzakelijke maatregel in de zin van artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn, slaagt het beroep niet. Het College verwijst in dat verband naar zijn uitspraken van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.5.1 tot en met 6.5.4, 6.7.3 en 6.7.5.4), waarin hij reeds de noodzaak van het fosfaatrechtenstelsel in het kader van de toets van het stelsel aan artikel 1 van het EP heeft bevestigd. Het betoog van appellant dat het stelsel van fosfaatrechten ongeoorloofde staatssteun oplevert slaagt ook niet. De Commissie heeft bij beschikking van 19 december 2017 (State Aid SA.46349 (2017/N)) een stelsel van verhandelbare fosfaatrechten voor melkvee in Nederland goedgekeurd. Volgens de Commissie vormt de maatregel steun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Aangezien met de maatregel een duidelijke milieudoelstelling wordt nagestreefd, heeft de Commissie deze getoetst aan de EU-richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 en heeft de Commissie vastgesteld dat met het stelsel, conform de richtsnoeren, milieudoelstellingen worden nagestreefd die verder gaan dan de milieunormen waaraan bedrijven op grond van de EU-wetgeving moeten voldoen. Op basis van de nagestreefde milieudoelstellingen heeft de Commissie geconcludeerd dat het stelsel strookt met de EU-regels voor staatssteun op milieugebied. Gezien deze goedkeuringsbeschikking slaagt het beroep van appellant niet (vergelijk ook de uitspraak van 16 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:140, onder 5.6).

6.2

Ten aanzien van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden het beroep op de knelgevallenregeling heeft afgewezen, overweegt het College als volgt. Niet bestreden is dat de door appellant aangevoerde diergezondheidsproblemen een buitengewone omstandigheid is in de zin van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Het College is van oordeel dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Zoals het College in zijn uitspraak van 9 januari (ECLI:NL:CBB:2019:4, onder 5.2) heeft geoordeeld en in de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232, onder 4.1) heeft bevestigd, wordt bij de toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met op de peildatum (nog) niet gerealiseerde groei. Dat er meer dieren zijn vergund dan werden gehouden op het moment van intreden van de buitengewone omstandigheid en/of dat er ongebruikte stalruimte was, is dus niet van belang voor de toepassing van de knelgevallenregeling en daarmee voor de vaststelling van het fosfaatrecht. Het hanteren van een alternatieve peildatum gelegen na 2 juli 2015, zoals appellante heeft verzocht, is dan ook niet in overeenstemming met het stelsel van de wet. Verweerder heeft bij de toepassing van de knelgevallenregeling dus terecht geen rekening gehouden met de al ingezette maar niet gerealiseerde groei.

6.3.

Op appellant rust de plicht om te bewijzen dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Appellant heeft in beroep alleen aangevoerd dat er sprake is van een individuele en buitensporige last en dat het bestreden besluit op dat punt onvoldoende is gemotiveerd. Nu appellant niet aan haar bewijsplicht voldaan en niet heeft onderbouwd in welk opzicht verweerders motivering in het bestreden besluit ontoereikend is, faalt deze beroepsgrond.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van
mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020

De voorzitter is verhinderd w.g. T. Kuiper

de uitspraak te ondertekenen