Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:601

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
17/1407
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Regeling LNV-subsidies. Subsidievaststelling. Het bestreden besluit kan gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 januari 2020 (ECLI:EU:C:2020:27), over eigen bijdragen van derden, geen stand houden. Verweerder moet een nieuw besluit op bezwaar nemen. Schadevergoeding i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/2182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1407

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

Stichting [naam 1] te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. A. van Lohuizen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken) de aan appellante op grond van de Regeling LNV-subsidies, module Duurzame ontwikkeling van visserijgebieden (de Regeling) verleende subsidie vastgesteld op € 5.641,- en € 45.134,- aan te veel uitgekeerde voorschotten van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 1 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder heeft de subsidie vastgesteld op € 36.621,- en € 14.154,- van appellante teruggevorderd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 mei 2019 heeft het College partijen verzocht zich uit te laten over de vraag of, en zo ja, op welke grond(en), zij menen dat onderhavige zaak samenhangt met zaak 16/779, waarin het College bij verwijzingsuitspraak van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:662) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Appellante en verweerder hebben hierop een reactie ingediend. Appellante heeft vervolgens desgevraagd gereageerd op de reactie van verweerder.

Het Hof van Justitie heeft de prejudiciële vragen beantwoord in het arrest van 22 januari 2020 (ECLI:EU:C:2020:27, hierna: het arrest). Appellante en verweerder hebben op het arrest gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan appellante is in het kader van de Regeling subsidie verleend voor het project ‘ [naam 3] . Van lastige bijvangst tot nieuw visserijproduct: [naam 4] ’.

2. Appellante heeft in beroep onder meer aangevoerd dat verweerder ten onrechte de eigen bijdrage van derden in mindering heeft gebracht op de subsidiabele kosten. Het gaat om onder meer de eigen bijdragen van [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] B.V., [naam 10] en [naam 11] . Gelet op het arrest van het Hof van Justitie zijn deze kosten als daadwekelijke betaalde uitgaven in de zin van artikel 55, eerste lid, van Verordening 1198/2006 aan te merken. De eigen bijdragen zijn verrekend met de kosten van de geleverde diensten. Dit is op de facturen inzichtelijk gemaakt en voldoet aan het bepaalde in artikel 55 van Verordening 1198/2006. Verweerder had deze eigen bijdragen daarom subsidiabel moeten achten, aldus appellante.

3. Verweerder heeft zich in zijn reactie van 6 juni 2019 op het standpunt gesteld dat appellante in haar verzoek tot vaststelling van de subsidie de eigen bijdrage van derden niet bij de subsidiabele kosten heeft gerekend en dit ook later niet aan de orde heeft gesteld. Volgens verweerder kan dit punt daarom nu niet meer aan de orde komen. Het College volgt verweerder hierin niet. Uit het verzoek om vaststelling en de daarbij behorende bijlagen leidt het College af dat appellante deze kosten daarin wel als subsidiabele kosten heeft opgevoerd. Appellante heeft voorts in bezwaar en beroep de subsidiabiliteit van kosten van derden ter discussie gesteld. Verweerder zal deze kosten daarom moeten beoordelen, onder meer aan de hand van artikel 55, eerste lid, van Verordening 1198/2006.

4.1

Bij de eerder genoemde verwijzingsuitspraak heeft het College aan het Hof van Justitie vragen gesteld over de uitleg van artikel 55, eerste lid, van, de hier ingevolge overgangsrecht nog toepasselijke, Verordening 1198/2006. In het arrest van 22 januari 2020 heeft het Hof van Justitie het volgende voor recht verklaard:

“1) Artikel 55, lid 1, van verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op de verhouding tussen de beheersautoriteit van een operationeel programma en de begunstigde van een in het kader van het Europees Visserijfonds verleende subsidie, zodat deze bepaling tegen deze begunstigde kan worden ingeroepen.

2) Artikel 55, lid 1, van verordening nr. 1198/2006 moet aldus worden uitgelegd dat een bedrag dat aan de begunstigde van een in het kader van het Europees Visserijfonds verleende subsidie in rekening is gebracht en door hem is betaald, ook dan als een daadwerkelijk betaalde uitgave in de zin van deze bepaling kan worden beschouwd wanneer de derde die dit bedrag in rekening heeft gebracht zelf een financiële bijdrage aan het gesubsidieerde project heeft verstrekt – hetzij door een vordering op de begunstigde te verrekenen met een vordering die de begunstigde op hem heeft wegens zijn toezegging om een bijdrage te leveren, hetzij door een afzonderlijke factuur op te stellen –, op voorwaarde dat de betrokken uitgave en bijdrage naar behoren worden verantwoord met gekwiteerde rekeningen of boekhoudkundige stukken met gelijkwaardige bewijskracht, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.”

4.2

Uit het arrest volgt dat artikel 55, eerste lid, van Verordening 1198/2006 er niet aan in de weg staat dat kosten die zijn gefinancierd uit bijdragen van derden tot de subsidiabele kosten van het project worden gerekend. Elke andere uitlegging is volgens het Hof van Justitie in strijd met de doelstellingen van Verordening 1198/2006. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven. Dit staat, zoals is gebleken ter zitting op 11 juni 2020, tussen partijen ook meer niet ter discussie. Partijen zijn het er verder over eens dat, om tot een efficiënte afronding van deze zaak te komen, het nu eerst aan verweerder is om te beoordelen of de betreffende uitgaven en bijdragen van derden daadwerkelijk zijn betaald in de zin van artikel 55, eerste lid, van Verordening 1198/2006. Daarna kan de subsidie in een nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw worden vastgesteld. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat verweerder daarbij ook opnieuw naar de overige nog in geschil zijnde punten over de subsidievaststelling zal kijken. Daarom zal daarop in deze uitspraak niet worden ingegaan.

4.3

Gelet op het voorgaande zal het beroep van appellante gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 55, eerste lid, van Verordening 1198/2006. Het College zal verweerder opdragen opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen. Het stelt hiervoor een termijn van twaalf weken na verzending van deze uitspraak. Bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar zal verweerder ook het volgende in acht moeten nemen.

5. Appellante heeft verzocht rekening te houden met een eventuele vergoeding van de wettelijke rente te rekenen vanaf de in artikel 1:14a van de Regeling neergelegde termijn voor het nemen van een vaststellingsbesluit van dertien weken na indiening van de vaststellingsaanvraag.

6.1

Het College overweegt hierover dat, indien naar aanleiding van deze beroepsprocedure een nabetaling zou volgen, sprake is van een betaling in de zin van artikel 4:102, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6.2

Ingevolge artikel 4:102, tweede lid, van de Awb is, indien een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, het bestuursorgaan wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. Dit artikel bevat regels over de betaling van wettelijke rente indien komt vast te staan dat een verplichting tot betaling aan of door het bestuursorgaan ten nadele van de geadresseerde onjuist is vastgesteld. Uit het artikel volgt dat de wettelijke rente begint te lopen op het moment dat de oorspronkelijke beslis- en betalingstermijn tezamen zijn verstreken (zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8815).

6.3

Voor de onderhavige zaak geldt dat verweerder de beschikking tot subsidievaststelling geeft binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling (artikel 1:14a van de Regeling). Daarna geldt een betalingstermijn van zes weken (artikel 4:87 van de Awb). Als naar aanleiding van deze beroepsprocedure een verdere nabetaling volgt, is verweerder daarover wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag na het verstrijken van de oorspronkelijke beslis- en betalingstermijn. De wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening (zie ook de uitspraak van het College van 16 juni 2015, ECLI:NL:CBB:2015:237).

7. Appellante heeft tot slot aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, in verband waarmee zij heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade.

8.1

Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

8.2

De behandeling van het bezwaar en het beroep hebben drie jaar en negen maanden geduurd. Dit betekent dat ten tijde van deze uitspraak de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar in deze zaak afgerond naar boven met een jaar en negen maanden is overschreden. Nu geen sprake is van factoren die aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, moet worden vastgesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn een jaar en negen maanden bedraagt. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, moet worden vastgesteld dat appellante in dit geval recht heeft op € 2.000,- schadevergoeding. De overschrijding van de redelijke termijn is zowel aan verweerder als aan de bestuursrechter toe te rekenen. Bij deze toerekening heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. De behandeling van het bezwaar heeft afgerond zeven maanden in beslag genomen. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase bedraagt dus afgerond een maand. De behandeling van het beroep heeft afgerond drie jaar geduurd en dus is de overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter anderhalf jaar (18 maanden). Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder onderscheidenlijk de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 105,26,- (1/19 deel van € 2.000,-). De Staat wordt op dezelfde voet veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.894,74,- (18/19 deel van € 2.000,-).

9. Nu het beroep, zoals in 4.3 is overwogen, gegrond moet worden verklaard, ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en twee maal 0,5 punt voor het indienen van een repliek, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 105,26;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 1.894,74;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.575,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. B. Bastein en mr. W. den Ouden, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
te ondertekenen te ondertekenen

R.W.L. Koopmans D. de Vries