Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:598

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
19/1370
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. De Regeling voorziet niet in het verlies van de heffingsbevoegdheid na de intrekking van de beschikking waarmee de heffing is opgelegd. Met het nemen van de primaire besluiten heeft verweerder immers het opleggen van heffingen hervat en daarmee de Regeling met terugwerkende kracht van toepassing verklaard voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1370

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2020 in de zaak tussen

maatschap [naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] (appellante),

(gemachtigde: mr. C.C. van Harten)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Veldkamp).

Procesverloop

Bij besluiten van 2 december 2017, 6 december 2017, 9 december 2017,
16 december 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling aan appellante heffingen opgelegd van € 4.757,-voor periode 1, van € 3.746,- voor periode 2, van € 3.235,- voor periode 3, van
€ 14.794,- voor periode 4 en van € 3.339,- voor periode 5.

Appellante heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat bezwaar was gericht tegen de Regeling als zodanig en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Met die beslissing heeft verweerder gevolg gegeven aan de uitspraak van het College van 26 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:208, voor zover opnieuw is beslist op het bezwaarschrift van appellante van 22 augustus 2017 tegen een eerder door verweerder op grond van de Regeling opgelegde heffing voor periode 2.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 27 februari 2020 (het vervangingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit herroepen voor zover dit besluit betrekking heeft op de activering van het jongveegetal en de toekenning van de proceskostenvergoeding in bezwaar. Verweerder heeft de hoge geldsom van € 14.794,- voor periode 4 aangepast naar een solidariteitsgeldsom van € 3.304,-. Voor het overige heeft verweerder het bestreden besluit in stand gelaten.

Het College heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 5 augustus 2020. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Appellante heeft in bezwaar tegen een eerder bij besluit van
    27 mei 2017 aan haar opgelegde solidariteitsgeldsom onder meer aangevoerd dat zij voor de peildatum onomkeerbare investeringsverplichtingen is aangegaan gericht op de uitbreiding van haar melkveebedrijf en/of dat zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan. Zij heeft in dat verband een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel met verwijzing naar onder meer een vonnis van de rechtbank Den Haag waarin de voorzieningenrechter ten aanzien van een aantal melkveehouders de Regeling buiten toepassing heeft verklaard, omdat de Regeling naar het oordeel van de voorzieningenrechter een onevenredige last met zich brengt (zie onder meer ECLI:NL:RBDHA:2017:8944).

  3. Lopende het hoger beroep tegen deze vonnissen heeft verweerder bij het besluit van 1 september 2017 het besluit van 27 mei 2017 ingetrokken, het ingehouden bedrag aan appellante terugbetaald en daarbij gewaarschuwd:
    “Let op! De Staat heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag. Ik wil u er dan ook wijzen dat ik de Regeling voor alle periodes alsnog volledig zal toepassen, wanneer het gerechtshof Den Haag de Staat in het hoger beroep tegen de vonnissen van de rechtbank in het gelijk stelt.”

  4. In het vervangingsbesluit heeft verweerder overwogen dat de activering van het jongveegetal voor de berekening van de geldsom over periode 4 ongedaan wordt gemaakt, omdat voldaan is aan de reductiedoelstelling van de Regeling. Ook heeft verweerder de proceskosten van het bezwaar vergoed.

  5. Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover van belang, dat het beroep tegen het oorspronkelijke besluit van rechtswege mede betrekking heeft op een vervangingsbesluit. Het vervangingsbesluit is een besluit waarover het beroep zich ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede uitstrekt. Gesteld, noch gebleken is dat appellante nog belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op periode 4, en daarom zal het College het beroep in zoverre niet‑ontvankelijk verklaren.

  6. Met het vervangingsbesluit is verweerder tegemoet gekomen aan de beroepsgrond van appellante dat verweerder over periode 4 ten onrechte het jongveegetal heeft toegepast. Appellant heeft dus geen belang meer bij bespreking van die beroepsgrond.

  7. De beroepsgrond van appellante dat het intrekkingsbesluit van
    1 september 2017 betekent dat het bestreden besluit de Regeling niet met terugwerkende kracht van toepassing kan verklaren op reeds verstreken periodes, faalt. De Regeling voorziet niet in het verlies van de heffingsbevoegdheid na de intrekking van de beschikking waarmee de heffing is opgelegd. Deze bevoegdheid blijft dus bestaan (zie ook de uitspraak van het College van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:418). Daarbij neemt het College nog in aanmerking dat de Regeling op zichzelf niet buiten werking is gesteld.
    Voor zover het betoog van appellante ertoe strekt dat geen nieuwe besluiten zijn genomen om de Regeling weer van toepassing te laten zijn op appellante en hernieuwde heffingen over de periodes 1, 2, 3, 4 en 5 op te leggen, volgt het College appellante daarin niet. Met het nemen van de primaire besluiten heeft verweerder immers het opleggen van heffingen hervat en daarmee de Regeling met terugwerkende kracht van toepassing verklaard voor appellante. Dat appellante haar bedrijfssituatie voor de periodes waarvoor de heffingen zijn opgelegd niet meer kon aanpassen, betekent niet dat de Regeling niet meer kon worden toegepast.

Slotsom

8. Het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de periodes 1, 2, 3 en 5 en het beroep tegen het vervangingsbesluit is ongegrond. Gelet op het door verweerder genomen vervangingsbesluit, zal het College bepalen dat verweerder de proceskosten en het door appellante betaalde griffierecht aan haar vergoedt.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op periode 4 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 525,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht van
    € 338,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Borman, in aanwezigheid van
mr. P.M.M. van Zanten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.