Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:594

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
19/279
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Artikel 1, aanhef, onder kk, van de Meststoffenwet. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals verweerder terecht, mede onder verwijzing naar de uitspraken van 25 juni 2019, heeft opgemerkt, vallen stierkalveren jonger dan één jaar die niet worden gehouden voor de melkveehouderij niet onder de definitie sub 2 van artikel 1, onder kk, van de Msw. De uitzondering voor roodvleesstieren en fokstieren waarop appellant zich beroept ziet alleen op de categorie sub 3 van artikel 1, onder kk, van de Msw. Dat blijkt niet alleen uit de precieze tekst van dit artikel, maar ook uit het gegeven dat de uitzondering in de laatste zinsnede sub 3 evident alleen betrekking kan hebben op de sub 3 bedoelde categorie en niet ook op de sub 2 omschreven categorie, omdat zij daar sowieso al niet onder vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/279

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , h.o.d.n. Vleesveebedrijf [naam 2] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.


Bij besluit van 1 oktober 2018 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder de aan appellant toegekende fosfaatrechten verlaagd.

Bij besluit van 18 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 16 maart 2020 (het vervangingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit vervangen door het vervangingsbesluit en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, onder intrekking van het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 1, aanhef, onder kk, van de Msw wordt verstaan onder melkvee:


1°. melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;
2°. jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar en
3°. jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren.

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellant drijft een opfokbedrijf en een handel in jongvee, met UB-nummer [… 1] . Hij drijft daarnaast een melkveehouderij met UB-nummer [… 2] .

2.2

Op 2 juli 2015 waren op het vleesveebedrijf volgens het vervangingsbesluit 9 melk- en kalfkoeien, en 260 stuks vrouwelijk jongvee aanwezig. Verweerder heeft 5 zoogkoeien en 22 stuks mannelijk jongvee, waarvan 20 jonger dan één jaar, niet meegeteld.

Besluiten van verweerder

3.1

Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 3.559 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft geen korting toegepast omdat het bedrijf van appellant volledig grondgebonden is.

3.2

Bij het herzieningsbesluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant lager vastgesteld, op 3.219 kg. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het bezwaar tegen het primaire besluit mede betrekking op het herzieningsbesluit.

3.3

Bij het vervangingsbesluit heeft verweerder het bestreden besluit, waarbij het bezwaar ongegrond was verklaard, ingetrokken. Verweerder heeft de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 5.383 kg.

Beroepsgronden

4.1

Naar ter zitting is gebleken gaat het appellant na het vervangingsbesluit alleen nog om de 20 stuks mannelijk jongvee jonger dan één jaar (stierkalveren) die op de peildatum werden gehouden op het vleesveebedrijf van appellant. Hij is het oneens met de uitleg die het College in de uitspraken van 25 juni 2019 (onder meer ECLI:NL:CBB:2019:244) heeft gegeven aan artikel 1, aanhef, onder kk, van de Msw, met betrekking tot mannelijk jongvee jonger dan één jaar. Volgens appellant volgt uit het woord “en” tussen sub 2 en sub 3 van artikel 1, onder kk, van de Msw, dat al het mannelijk jongvee (zowel sub 2 als 3) onder de definitie van melkvee valt, ongeacht of het bestemd is voor de melkveehouderij, met uitzondering van de in de laatste zinsnede sub 3 genoemde roodvleesstieren en fokstieren. Appellant beroept zich in dit verband tevens op het gelijkheidsbeginsel en artikel 1 van het EP. Hij voert aan dat hij niet kan voorzien hoeveel vaarskalveren respectievelijk stierkalveren op zijn bedrijf geboren worden.

4.2

Het verzoek om schadevergoeding heeft appellant ter zitting ingetrokken, omdat hij eerst een verzoek daartoe aan verweerder wil richten.

4.3

Appellant heeft aangevoerd dat de redelijke termijn voor behandeling van de zaak is overschreden.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder heeft gewezen op de uitspraken van het College van 25 juni 2019. Appellant heeft niet betwist dat de 20 stierkalveren in kwestie niet werden gehouden voor de melkveehouderij, zoals bedoeld in sub 2 van artikel 1, onder kk, van de Msw.

5.2

Verweerder heeft erkend dat de redelijke termijn is overschreden.

Beoordeling

6. De beroepsgronden van appellant tegen het niet meetellen van de 20 stierkalveren falen.

6.1

Zoals verweerder terecht, mede onder verwijzing naar de uitspraken van 25 juni 2019, heeft opgemerkt, vallen stierkalveren jonger dan één jaar die niet worden gehouden voor de melkveehouderij niet onder de definitie sub 2 van artikel 1, onder kk, van de Msw. De uitzondering voor roodvleesstieren en fokstieren waarop appellant zich beroept ziet alleen op de categorie sub 3 van artikel 1, onder kk, van de Msw. Dat blijkt niet alleen uit de precieze tekst van dit artikel, maar ook uit het gegeven dat de uitzondering in de laatste zinsnede sub 3 evident alleen betrekking kan hebben op de sub 3 bedoelde categorie en niet ook op de sub 2 omschreven categorie, omdat zij daar sowieso al niet onder vallen.

6.2

Anders dan appellant stelt ziet het College niet dat deze uitleg van artikel 1, onder kk, van de Msw, zich niet zou verdragen met het gelijkheidsbeginsel of met artikel 1 van het EP. Het College verwijst naar de overwegingen in de aangehaalde uitspraken van 25 juni 2019 waarin is ingegaan op de diverse categorieën. Daarbij merkt het College nog op dat geen fosfaatrechten nodig zijn voor stierkalveren op een vleesveebedrijf. Van enige inbreuk op het in artikel 1 van het EP bedoelde eigendomsrecht is daarom geen sprake.

6.3

Appellant heeft ter zitting bevestigd dat de 20 stierkalveren in kwestie niet werden gehouden voor de melkveehouderij. Verweerder heeft deze dus terecht niet meegenomen bij de toekenning van fosfaatrechten.

7. Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is verstreken. Het gaat hier om niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die zijn bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 16 februari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met ruim 6 en 2 weken maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 1.000,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar – te weten 11 maanden – in beslag heeft genomen en tevens de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar – te weten 1 jaar en 7 maanden – heeft geduurd.

7.2

In zaken waarin de bestuurlijke en rechterlijke fase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bestuurlijke en aan de rechterlijke fase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder onderscheidenlijk van de staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Van de overschrijding is na afronden een periode van 5 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – 5 maanden – voor rekening van verweerder komt en het resterende deel – 7 maanden – voor rekening van de Staat. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 416,67 (5/12 x € 1.000,-) aan appellante en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 583,33 (7/12 x € 1.000,-) aan appellante.

Slotsom

8.1

Het beroep is ongegrond.

8.2

In de overschrijding van de redelijke termijn ziet het College aanleiding te bepalen dat het door appellant betaalde griffierecht aan hem wordt vergoed en verweerder en de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan de rechter is toe te rekenen, zal de toe te kennen vergoeding van de proceskosten en het griffierecht deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt van de toe te kennen bedragen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.14.2).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van € 583,33;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van

€ 416,67;

- draagt verweerder en de Staat op, ieder voor de helft, het betaalde griffierecht van € 174,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder en de Staat, ieder voor de helft, in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.

w.g. J.L. Verbeek w.g. M.A.A. Traousis