Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:582

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
17/1640
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Regeling Fosfaatreductieplan 2017, niet voldaan aan voorwaarden knelgevallenregeling, geen toepassing hardheidsclausule, overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1640

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2020 in de zaak tussen

VOF [naam] , te [plaats] (gemeente [gemeente] ), appellante

gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

gemachtigden: N.A. Kuipers en mr. S.J.E. Loontjes

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2017 heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een heffing opgelegd van € 1.140,- voor periode 1.

Bij besluit van 17 juni 2017 heeft verweerder het besluit van 27 mei 2017 ingetrokken, aan appellante op grond van de Regeling opnieuw een heffing opgelegd van € 1.140,- voor periode 1 en haar verzoek om toepassing van de knelgevallenregeling afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2017 heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.


Overwegingen

1.
De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Veehouders die te veel vrouwelijke runderen houden moeten de omvang van hun veestapel zoals die was op 1 oktober 2016 in vijf tweemaandelijkse stappen (de periodes) verminderen tot hun referentieaantal. Het referentieaantal is het aantal op 2 juli 2015 (de peildatum) geregistreerde runderen, verminderd met 4% – met uitzondering van grondgebonden bedrijven – en omgerekend naar grootvee-eenheden (GVE). Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal. Verweerder kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal.

2. De Regeling kent twee soorten heffingen, de hoge geldsom en de solidariteitsgeldsom. Welke heffing wordt opgelegd is mede afhankelijk van de vraag of in de betreffende periode het doelstellingsaantal is behaald. Het doelstellingsaantal is het aantal op 1 oktober 2016 geregistreerde runderen, verminderd met het voor de betreffende periode vastgestelde verminderingspercentage, met dien verstande dat het doelstellingsaantal nooit lager is dan het referentieaantal. Verweerder legt een hoge geldsom op indien in de betreffende periode meer GVE worden gehouden dan het doelstellingsaantal. De hoogte van de hoge geldsom bedraagt € 480,- voor elke GVE boven het referentieaantal. Een bedrijf dat inkrimpt tot het doelstellingsaantal, maar niet tot het referentieaantal, krijgt een solidariteitsgeldsom opgelegd van € 112,- voor elke GVE boven het referentieaantal.

3. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Verweerder heeft appellante een solidariteitsgeldsom opgelegd van € 1.140,-, omdat het gemiddeld aantal vrouwelijke runderen op het bedrijf van appellante in de eerste periode hoger was dan het referentieaantal. Bij de vaststelling van dit referentieaantal heeft verweerder geen rekening gehouden met de 28 stuks jongvee die appellante op 2 juli 2015 elders had gehuisvest vanwege renovatiewerkzaamheden aan één van haar stallen, omdat dit referentieaantal niet minimaal 5% lager was dan het referentieaantal van appellante voor aanvang van de werkzaamheden. Volgens verweerder voldoet de situatie van appellante daarmee niet aan de voorwaarden voor toepassing van de knelgevallenregeling, zodat het verzoek van appellante om die regeling toe te passen moet worden afgewezen.
Appellante kan zich hier niet mee verenigen en heeft beroep ingesteld.

Beroep

Knelgevallenregeling
4. Appellante betoogt dat verweerder voor het antwoord op de vraag of de knelgevallenregeling op deze situatie van toepassing is ten onrechte het referentieaantal op 2 juli 2015 heeft vergeleken met haar referentieaantal voor aanvang van die werkzaamheden, in 2013. Volgens haar had hij in plaats daarvan moeten kijken naar het referentieaantal dat zij op 2 juli 2015 zou hebben gehad als de werkzaamheden niet hadden plaatsgevonden en de 28 dieren niet elders waren gevestigd. Dat referentieaantal zou namelijk meer dan 5% hoger zijn geweest dan het referentieaantal dat nu is vastgesteld. Aangezien ook aan de overige voorwaarden voor toepassing van de knelgevallenregeling is voldaan, had haar situatie als knelgeval moeten worden aangemerkt, aldus appellante.

4.1

Artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling luidt als volgt:
“In deze regeling wordt verstaan onder:
d referentieaantal: aantal runderen van de houder dat op 2 juli 2015 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met 4%, behoudens het bepaalde in artikel 7 en 9, zesde lid;”
Artikel 12, tweede lid, van de Regeling luidt als volgt:
“2 Indien de houder, meldt en aantoont dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen, kan de minister op zijn verzoek het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.”

4.2

Uit artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling volgt dat voor de vaststelling van het referentieaantal wordt uitgegaan van het aantal vrouwelijke runderen van de houder dat op 2 juli 2015 op zijn bedrijf staat geregistreerd. Uit artikel 12, tweede lid, van de Regeling volgt dat bij bepaalde, in deze bepaling uitdrukkelijk genoemde bijzondere omstandigheden van dit uitgangspunt kan worden afgeweken. Daarvoor geldt als voorwaarde dat de houder aantoont dat het referentieaantal door die buitengewone omstandigheid minimaal 5% lager is.
Anders dan waar appellante kennelijk vanuit gaat wordt voor de beoordeling of wordt voldaan aan de 5%-voorwaarde niet een vergelijking gemaakt tussen de daadwerkelijke bedrijfssituatie op 2 juli 2015 en de bedrijfssituatie op die datum in het – hypothetische – geval de bijzondere omstandigheid zich niet zou hebben voorgedaan, maar wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op de peildatum 2 juli 2015 en de bedrijfssituatie op een andere, door de houder zelf op te geven datum, gelegen vóór het intreden van de buitengewone omstandigheid. De stelling van appellante dat dit niet duidelijk in artikel 12, tweede lid, van de Regeling is neergelegd, volgt het College niet. De bepaling vermeldt immers uitdrukkelijk dat voor de bepaling van het alternatieve referentieaantal wordt gekeken naar het aantal (vrouwelijke) runderen dat vóór de intreding van de buitengewone omstandigheid op het bedrijf van de houder is geregistreerd.
Het betoog slaagt niet.

Hardheidsclausule

5. Ter zitting heeft appellante gesteld dat zij tussen wal en schip valt: zij voldoet nét niet aan de voorwaarden voor uitscharing, zoals neergelegd in artikel 11, eerste lid, van de Regeling, doordat de dieren niet in 2015 zijn teruggekeerd op het bedrijf, en nét niet aan de voorwaarden van de knelgevallenregeling, omdat zij niet op enige datum voor de renovatiewerkzaamheden aan één van haar stallen 5% meer vrouwelijke runderen op haar bedrijf geregistreerd had staan dan op 2 juli 2015. Nu zij echter dieren had uitgeschaard vanwege een in artikel 12, tweede lid, van de Regeling genoemde buitengewone omstandigheid, had verweerder bij de vaststelling van haar referentieaantal rekening moeten houden met de 28 stuks jongvee die op 2 juli 2015 tijdelijk elders waren gehuisvest, aldus appellante.

5.1

Het College begrijpt het betoog van appellante aldus dat zij van mening is dat verweerder in de omstandigheden van haar geval aanleiding had moeten zien de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet, toe te passen.

5.2

Artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet luidt als volgt:
“Onze Minister kan in door hem te bepalen gevallen of groepen van gevallen tot gehele of gedeeltelijke restitutie overgaan van hetgeen ingevolge het bepaalde krachtens het eerste lid is betaald en gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting tot het betalen van een geldsom.”

5.3

Voor toepassing van de hardheidsclausule bestaat aanleiding, indien het strikt volgen van de Regeling in het desbetreffende geval onevenredige gevolgen met zich brengt (vergelijk de uitspraken van het College van 14 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:453 en van 21 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:470). Dat toepassing van de Regeling in het geval van appellante tot onevenredige gevolgen leidt, is niet gebleken. Dat zij niet aan alle voorwaarden voor uitscharing en/of toepassing van de knelgevallenregeling voldoet en dat zij als gevolg van een omstandigheid die in die regeling als buitengewoon wordt beschouwd een deel van haar vrouwelijke runderen heeft uitgeschaard, is daartoe onvoldoende.
Het betoog faalt.

Overschrijding redelijke termijn

6. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het College stelt vast dat deze termijn is verstreken. Het gaat hier om niet‑punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die zijn bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

6.1

Verweerder heeft het bezwaarschrift op 30 mei 2017 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met 15 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, heeft appellante daarom recht op een vergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade.
Omdat de behandeling van de bezwaren minder dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, is de overschrijding volledig toe te rekenen aan het College. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 1.500,- aan appellante.

Conclusie

7.
Het beroep is ongegrond.

8. Appellante heeft recht op een vergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop bestaat evenzeer aanleiding de Staat der Nederlanden te veroordelen in de door appellante voor het verzoek gemaakte proceskosten ter hoogte van € 262,50.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellante een vergoeding van immateriële schade van € 1.500,- te betalen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Borman, in aanwezigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.

De voorzitter is verhinderd w.g. I.S. Ouwehand
de uitspraak te ondertekenen.