Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:573

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
17/1401, 18/378 en 18/520
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017

Overschrijding redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/1401, 18/378 en 18/520

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2020 in de zaken tussen

Maatschap [naam], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: C.R. Jellema),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluiten van 27 mei 2017 (het primaire besluit 1), 3 augustus 2017 (het primaire besluit 2) en 23 september 2017 (het primaire besluit 3) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een heffing opgelegd van € 1.091,- voor periode 1, € 3.206,- voor periode 2 en € 1.512,- voor periode 3.

Bij besluit van 17 juni 2017 (het primaire besluit 4) heeft verweerder het primaire besluit 1 ingetrokken en wederom een heffing opgelegd van € 1.091,- voor periode 1.

Bij besluiten van 4 augustus 2017, 29 september 2017 en 7 februari 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de door appellante tegen de primaire besluiten 2, 3 en 4 gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze gericht waren tegen de Regeling en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Bij brief van 23 april 2020 heeft appellante verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Bij onderscheiden besluiten van 7 mei 2020 (de wijzigingsbesluiten) heeft verweerder de bestreden besluiten ingetrokken, de door appellante tegen de primaire besluiten 2, 3 en 4 gemaakte bezwaren gegrond verklaard wat betreft het daarin vastgestelde referentieaantal, aan appellante heffingen opgelegd van € 983,36 voor periode 1, € 2.745,60 voor periode 2 en € 1.051,20 voor periode 3 en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Bij brief van 7 mei 2020 heeft verweerder medegedeeld de proceskosten van appellante in beroep en het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Bij brief van 7 mei 2020 heeft appellante haar beroepen ingetrokken met uitzondering van het in beroep gedane verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellante heeft eveneens verzocht om vergoeding van de proceskosten.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

  2. Appellante heeft bij brief van 7 mei 2020 haar beroepen ingetrokken, omdat verweerder bij de wijzigingsbesluiten gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan haar bezwaren.

  3. Over het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt het College als volgt.

  4. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op primaire besluiten die zijn bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van de bezwaren ten hoogste een half jaar en de behandeling van de beroepen ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

  5. Verweerder heeft het bezwaarschrift voor periode 1 ontvangen op 16 mei 2017, het bezwaarschrift voor periode 2 ontvangen op 11 september 2017 en het bezwaarschrift voor periode 3 ontvangen op 2 november 2017. Gelet op de bezwaarschriften is op het moment van het doen van deze uitspraak de tweejaartermijn met ruim een jaar en drie maanden overschreden. Van factoren die aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 1.500,- schadevergoeding.

  6. Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, omdat de behandeling van de bezwaren niet meer dan een half jaar in beslag genomen heeft, terwijl de behandeling van het beroep meer dan twee jaar heeft geduurd. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.500,- aan appellante.

  7. Het College ziet aanleiding om de Staat te veroordelen in de kosten die appellante in verband met haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden begroot op € 262,50 voor het verzoekschrift hangende beroep waarbij een wegingsfactor 0,5 wordt toegepast. Het College ziet geen aanleiding om verweerder tevens te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, omdat verweerder al heeft toegezegd deze kosten te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 1.500,- te betalen;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C.P. Venema, in aanwezigheid van mr. H.A. Komduur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.