Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:569

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
19/1987
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB; randvoorwaardenkorting 3%; beroep op artikel 6 EVRM; geen punitieve sanctie; redelijke termijn gaat niet lopen vanaf opmaken rapport van bevindingen; geen reden tot verlaging korting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1987

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigden: mr. A. Tymersma en mr. J. Prins-Steenbeek),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 3% op de aan appellante voor het jaar 2015 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 25 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2020.

Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] , bijgestaan door gemachtigde mr. J. Prins-Steenbeek, en verweerders gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Appellante exploiteert een landbouwbedrijf en heeft voor het jaar 2015 uitbetaling van betalingsrechten (de basis- en vergroeningsbetaling) aangevraagd.

1.2

Het bedrijf van appellante is op 13 oktober 2015 bezocht door twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De aanleiding voor dit bezoek was dat bij een slachthuis was geconstateerd dat er geen juiste administratie beschikbaar was van het toedienen van diergeneesmiddelen bij een te slachten - op 2 juli 2015 aangevoerd - rund. Deze onregelmatigheid is vastgelegd in een door beide toezichthouders ondertekend rapport van bevindingen van 27 januari 2016.

1.3

Bij brief van 11 januari 2018 heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat uit de controle blijkt dat niet aan alle randvoorwaarden is voldaan en dat verweerder het voornemen heeft een korting van 3% toe te passen op alle GLB-subsidies die appellante heeft aangevraagd in 2015. Vervolgens heeft de besluitvorming van verweerder plaatsgevonden.

2. Het bestreden besluit, waarin de korting van 3% is gehandhaafd, berust op verweerders standpunt dat appellante niet heeft voldaan aan de volgende voorwaarden:

- er wordt een registratie bijgehouden van de ontvangst, de toepassing of de vervoedering van diergeneesmiddelen en gemedicineerd voer, en

- andere behandelingen die de dieren hebben ondergaan, data van toediening of behandeling en wachttijden dienen geregistreerd te worden.

3. Appellante stelt zich op het standpunt dat de procedure zodanig lang heeft geduurd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat het daarom niet redelijk is dat een korting van 3% is toegepast. Het rapport van bevindingen is op 27 januari 2016 opgemaakt en verweerder heeft vervolgens pas op 4 oktober 2019 een besluit genomen. Appellante betwist niet dat er op zichzelf een grondslag bestaat voor de korting.

Ter zitting heeft appellante daar nog aan toegevoegd dat, gezien de omvang van haar bedrijf en de ernst van de overtreding, in combinatie met de lange duur van het gehele voortraject, de randvoorwaardenkorting (te) hoog is. Er was in 2015 sprake van een bedrijf met 642 melkkoeien en slechts één dier was abusievelijk niet juist geadministreerd.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat het primaire besluit pas zo laat is genomen niet afdoet aan de rechtmatigheid daarvan en dat uit de Europese regels volgt dat een korting moet worden toegepast indien een niet-naleving daarvan wordt geconstateerd. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat de overige door appellante geschetste omstandigheden niet kunnen leiden tot een lagere korting dan wel het vervallen van de korting.

5. Het College overweegt als volgt.

Redelijke termijn

5.1

Het opleggen van een randvoorwaardenkorting is geen punitieve sanctie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 7 mei 2015, ECLI:NL:CBB:2015:230). Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM begint te lopen vanaf het moment van indienen van het bezwaarschrift en niet, zoals appellante betoogt, vanaf het moment van het opmaken van het rapport van bevindingen. In dit geval geldt dan ook dat de redelijke termijn wordt overschreden als de bezwaar- en beroepsprocedure tezamen langer dan twee jaren hebben geduurd (zie de uitspraak het College van 22 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:513). Daarvan is geen sprake.

Ernst, omvang van het bedrijf, in samenhang met de duur van de procedure

5.2

Op grond van artikel 39, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013, wordt bij een geconstateerde niet-naleving, die het gevolg is van nalatigheid, in de regel een verlaging van 3% toegepast.

Op grond van artikel 38, tweede lid, van deze Verordening wordt er bij de bepaling van de omvang van een niet-naleving met name rekening mee gehouden of de niet-naleving verstrekkende gevolgen heeft dan wel of de gevolgen tot het landbouwbedrijf zelf beperkt blijven. Op grond van het derde lid van deze bepaling is de ernst van een niet-naleving met name afhankelijk van het belang van de gevolgen van de niet-naleving, gelet op de doelstellingen van de betrokken eis of norm.

5.3

Het College stelt vast dat appellante een rund voor de slacht heeft aangeboden zonder een toereikende registratie van het toedienen van geneesmiddelen. Dit betekent dat deze niet-naleving niet beperkt is gebleven tot het bedrijf van appellante, zoals vermeld in artikel 38, tweede lid, van de hiervoor onder 5.2 vermelde Gedelegeerde Verordening, zodat in de omvang van de niet-naleving geen grond is gelegen om tot een lagere korting over te gaan dan de in de regel op te leggen korting van 3%. De omvang van het bedrijf van appellante kan hier dus niet aan afdoen. Het op deze wijze voor de slacht aanbieden van een rund is daarnaast, gelet op de doelstellingen van de betrokken eis of norm, zodanig ernstig, dat niet kan worden volstaan met een randvoorwaardenkorting van 1%. De hiervoor vermelde regelgeving biedt ten slotte geen grondslag om de randvoorwaardenkorting te verlagen vanwege de combinatie van het tijdsverloop en de door appellante genoemde omstandigheden die de ernst van de niet-naleving en de omvang van haar bedrijf betreffen.

6. Het beroep is daarom ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen De griffier is verhinderd te ondertekenen