Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:545

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
18/2857
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, zesde lid, van de Msw; bij de toepassing van de knelgevallenregeling wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum. Daarbij is het aan appellante om aan te tonen wat de alternatieve peildatum moet zijn. In de melding bijzondere omstandigheden heeft appellante 1 januari 2011 opgegeven als datum van ingang van gezondheidsproblemen bij de vennoot. Eerst in beroep heeft appellante aangevoerd dat een datum in 2004 als alternatieve peildatum moet worden gehanteerd, omdat deze vennoot al vanaf 2005 problemen met zijn gezondheid heeft. Appellante heeft echter nagelaten de door haar gewenste peildatum nader te specificeren. Verder heeft appellante met de overgelegde stukken onvoldoende onderbouwd waarom juist naar een alternatieve peildatum in 2004 moet worden gekeken. De invloed van het in 2005 spelende gezondheidsprobleem van de vennoot op de bedrijfsvoering vergt zonder meer een nadere toelichting, die evenwel ontbreekt. Dit zo zijnde komt aan de landbouwtellingsgegevens verder geen zelfstandige betekenis toe. Het College is dan ook van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat een alternatieve peildatum in 2004 moet worden gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2857

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam 1] C.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Groen).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 24 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Aan de zitting hebben namens appellante deelgenomen [naam 2] en [naam 3] , haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is (5 %-drempel) door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveebedrijf.

2.2

Op 2 juli 2015 hield appellante 49 melk- en kalfkoeien en 17 stuks jongvee.

2.3

Op 29 maart 2018 heeft appellante een melding bijzondere omstandigheden gedaan bij verweerder met als ingangsdatum 1 januari 2011. In de toelichting is onder meer vermeld dat het bedrijf altijd tussen 50 en 70 dieren heeft gemolken en dat door ziekte van een van de vennoten van appellante vanaf 2011 een aantal jaren niet is gemolken.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 2.308 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Beroepsgronden

4.1

Appellante doet een beroep op de knelgevallenregeling. Een van haar vennoten kampte vanaf 2005 met gezondheidsproblemen. Hierdoor heeft het bedrijf vanaf 2011 een aantal jaren niet gemolken. Het melkquotum is toen verleast. In februari 2015 is weer met melken begonnen. Op de peildatum hield appellante echter slechts 49 melk- en kalfkoeien met bijbehorend jongvee, terwijl het bedrijf altijd gemiddeld 70 tot 80 melkkoeien heeft gehouden. In het bestreden besluit heeft verweerder als alternatieve peildatum 1 januari 2011 gehanteerd. Appellante is van mening dat uit het dossier echter duidelijk blijkt dat het bedrijf reeds vanaf 2005 minder melkkoeien hield als gevolg van de bedoelde gezondheidsproblemen. Verweerder had dan ook moeten uitgaan van de gebruikelijke situatie op het melkveebedrijf, zoals deze blijkt uit de landbouwtellingsgegevens van 2004.

4.2

Ter zitting heeft appellante haar beroepsgrond dat sprake is van een individuele en buitensporige last, laten vallen.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder ziet geen aanleiding om bij de knelgevallenregeling uit te gaan van een alternatieve peildatum in 2004. Appellante heeft zelf 1 januari 2011 als alternatieve peildatum opgegeven. Het is nu aan appellante om een nieuwe alternatieve peildatum te noemen en met stukken te onderbouwen. Appellante laat beide echter na. Zij heeft geen nieuwe datum genoemd doch gerefereerd aan een door haar niet overgelegde stallijst uit 2004. Verder heeft zij een verklaring van de internist overgelegd van 27 mei 2013 waaruit blijkt van verschillende gezondheidsproblemen van de betreffende vennoot sinds 1997. Voorts is overgelegd een document met haar landbouwtellingsgegevens vanaf 1982. Er zijn geen aanvullende stukken ingediend waaruit de gebruikte gegevens blijken. Verweerder heeft de juistheid ervan dus niet kunnen controleren. Uit de landbouwtellingsgegevens blijkt dat de dieraantallen door de jaren heen sterk fluctueren. Sinds 2000 is er een daling in het aantal dieren te zien en tussen 2007 en 2009 een verhoging ervan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de overgelegde documenten niet voldoende is onderbouwd waarom naar een alternatieve peildatum in 2004 moet worden gekeken. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding om het vastgestelde fosfaatrecht te verhogen op grond van de knelgevallenregeling.

Beoordeling

6.1

Zoals het College in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NLCBB:2019:4, onder 5.2) heeft geoordeeld en in de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232, onder 4.1) heeft bevestigd, wordt bij toepassing van de knelgevallenregeling een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum. Daarbij is het aan appellante om aan te tonen wat de alternatieve peildatum moet zijn (vergelijk de uitspraak van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:246).

6.2

Het College stelt vast dat appellante in de melding bijzondere omstandigheden 1 januari 2011 heeft opgegeven als datum van ingang van gezondheidsproblemen bij de vennoot en dat verweerder in zijn besluitvorming van die datum is uitgegaan. Eerst in beroep heeft appellante aangevoerd dat verweerder een datum in 2004 als alternatieve peildatum moet hanteren, omdat deze vennoot al vanaf 2005 problemen met zijn gezondheid heeft. Zij heeft echter nagelaten de door haar gewenste peildatum nader te specificeren. Verder is het College van oordeel dat met de overgelegde brief van de internist en de landbouwtellingsgegevens onvoldoende is onderbouwd waarom juist naar een alternatieve peildatum in 2004 moet worden gekeken. De invloed van het in 2005 spelende gezondheidsprobleem van de vennoot - hypertensie - op de bedrijfsvoering van appellante vergt zonder meer een nadere toelichting, die evenwel ontbreekt. De brief vermeldt de hypertensie slechts onder het kopje ‘relevante voorgeschiedenis’ en bevat geen verdere informatie. Dit zo zijnde komt aan de landbouwtellingsgegevens verder geen zelfstandige betekenis toe. Het College is dan ook van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat een alternatieve peildatum in 2004 moet worden gehanteerd.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7.3

Het College wijst het verzoek om vergoeding van de kosten voor de door Flynth Agro Advies op 19 juli 2018 opgemaakte Rapportage individuele disproportionele last af, nu appellante haar beroepsgrond ter zake heeft ingetrokken.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2020.

w.g. I.M. Ludwig w.g. C.M.J. Rouwers