Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:542

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
17/1859, 18/1407, 18/1408 en 19/595
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Regeling fosfaatreductieplan 2017

- Berekening fosfaatproductie

- Niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/1859, 18/1407, 18/1408 en 19/595

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 augustus 2020 in de zaken tussen

[naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjens).

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 27 mei 2017, 25 november 2017 en
27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellant bonusgeldsommen toegekend van € 664,00- voor periode 1, van € 1.188,00 voor periode 4 en van
€ 585,00 voor periode 5.

Bij onderscheiden besluiten van 8 november 2017 en 13 juni 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 juni 2018 heeft verweerder op grond van de Regeling aan appellant bonusgeldsommen toegekend voor de perioden 1 tot en met 5 en voor de perioden 2 en 3 gewijzigde bonusgeldsommen toegekend van € 766,00 voor periode 2 en € 985,00 voor periode 3.

Bij besluit van 20 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 juni 2018 ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2020. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op
    2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.
    Inleiding

  2. Verweerder heeft aan appellant bonusgeldsommen toegekend op grond van de Regeling. Appellant exploiteert een melkveebedrijf en is het niet eens met de hoogte van de toegekende bonusgeldsommen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de bonusgeldsommen klopt.
    Appellant heeft gronden naar voren gebracht over de dieraantallen, de berekening van de fosfaatproductie, het jongveegetal en de individuele en buitensporige last. Deze gronden worden hierna besproken. Zijn grond over de knelgevallenregeling wordt niet besproken, omdat appellant deze ter zitting heeft laten vallen.
    Dieraantallen

  3. Appellant betoogt dat verweerder bij het berekenen van de dieraantallen op zijn bedrijf ten onrechte de dieren heeft meegeteld op het bedrijf met
    UBN […] omdat hij van die dieren wel eigenaar maar geen houder is. Daarbij wijst appellant erop dat de dagelijkse verzorging van deze dieren gedaan wordt door iemand anders.

3.1.

Ingevolge artikel 9 van de Regeling worden, als voldaan is aan de voorwaarden daartoe, bonusgeldsommen toegekend aan de houder van runderen.
Artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling luidt: “houder: houder als bedoeld in artikel 1 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren van runderen, die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking;”
In artikel 1, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wordt houder omschreven als: “eigenaar, houder of hoeder”.
Artikel 1, aanhef en onder c, van de Regeling luidt: “rund: vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar, vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd of rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd, waarbij onder rund wordt verstaan een dier als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, met uitzondering van runderen die behoren tot de soorten Bison bison en Bubalus bubalus, en dat is geregistreerd in het I&R-systeem”.

3.2.

Vaststaat dat appellant eigenaar is van de dieren op de locatie met
UBN […] en dat dit UBN-nummer op zijn naam staat. Appellant heeft de dieren op deze locatie bovendien op zijn naam geregistreerd in het I&R systeem. Onder deze omstandigheden heeft verweerder hem voor de toepassing van de Regeling terecht aangemerkt als houder van die dieren. Verweerder heeft de dieren op de locatie met UBN […] daarom terecht meegeteld bij het berekenen van de dieraantallen van appellant. In het midden kan dan ook blijven of de dieren al dan niet door appellant worden verzorgd.
Dit betoog slaagt niet.
Berekening van de fosfaatproductie

4. Appellant betoogt dat de generieke korting van 4% voor niet grondgebonden bedrijven niet mocht worden opgenomen in de Regeling en ten onrechte is toegepast op zijn bedrijf. Hij wijst er onder meer op dat de berekeningen van de fosfaatproductie ten onrechte niet voldoen aan Handreiking Bedrijfsspecifieke excretie (BEX) en dat de BEX-berekening lager uitvalt dan de excretieforfaits waarmee wordt gerekend door verweerder.

4.1.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d van de Regeling luidt:
“referentieaantal: aantal runderen van de houder dat op 2 juli 2015 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met 4%, behoudens het bepaalde in artikel 7 en 9, zesde lid; […].”
Dezelfde bepaling, onder j luidt als volgt: “grondgebonden bedrijf: bedrijf waarbij de productie van dierlijke meststoffen door runderen in kilogrammen fosfaat in het kalenderjaar 2015 verminderd met de fosfaatruimte in dat jaar negatief of nul is, en de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond de hoeveelheid grond is zoals die blijkt uit de gegevens opgegeven krachtens de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015 waarbij wordt uitgegaan:
1°. van een excretieforfait van 9,6 kilogram fosfaat voor een vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar, 21,9 kilogram fosfaat voor een vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd en 41,3 kilogram fosfaat voor een rund dat tenminste eenmaal heeft gekalfd, of
2°. van de excretieforfaits voor fosfaat opgenomen in bijlage D van deUitvoeringsregeling Meststoffenwet, waarbij een vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar wordt aangemerkt als diernummer 101, een vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd als diernummer 102 en een rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd als diernummer 100”.

4.2.

Voor zover appellant betoogt dat de generieke korting van 4% niet mocht worden opgenomen in de Regeling faalt dit betoog, omdat in hetgeen hij naar voren heeft gebracht geen grond is gelegen voor het oordeel dat de Regeling in zoverre in strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of het evenredigheidsbeginsel. De tekst van de Regeling, als hiervoor aangehaald, biedt voorts geen ruimte voor het hanteren van bedrijfsspecifieke excretienormen, nu de Regeling uitgaat van de hierboven genoemde excretieforfaits. Vergelijk de uitspraak van het College van 13 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:354 over het fosfaatrechtenstelsel. Appellant heeft verder niet aangetoond dat de berekening van verweerder in zijn geval is gebaseerd op onjuiste gegevens. Ter zitting heeft appellant nog naar voren gebracht dat verweerder drie van zijn percelen ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, maar dit betoog kan reeds niet tot een andere conclusie leiden omdat dit niet is onderbouwd.
Dit betoog slaagt niet.
Het jongveegetal

5. Appellant betoogt dat het jongveegetal in de perioden 4 en 5 onterecht is geactiveerd. Daarbij wijst hij erop dat zeven melkkoeien zijn afgevoerd en dat hij daarom ook zeven stuks jongvee mocht afvoeren, terwijl hij slechts vijf stuks jongvee heeft afgevoerd. Ter zitting heeft appellant naar voren gebracht dat het hem vrij stond te bepalen welk vee hij wanneer zou afvoeren en dat dit ook niet per periode viel te plannen.

5.1.

Allereerst is van belang dat, anders dan waarvan appellant lijkt uit te gaan, de toepasselijkheid van het jongveegetal per periode wordt beoordeeld en niet over een geheel jaar. Verder is ter zitting vastgesteld dat appellant na
1 juni 2017 jongvee ouder dan 35 dagen heeft afgevoerd en dat het jongvee niet is afgevoerd voor slacht, export of in verband met sterfte. Het College is daarom van oordeel dat verweerder terecht het jongveegetal heeft toegepast bij de berekening van de hoogte van de geldsommen voor periode 4 en 5.
Dit betoog slaagt niet.
De individuele en buitensporige last

6. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling een individuele en buitensporige last te dragen heeft. Van strijdigheid met artikel 1 van het EP is daarom geen sprake. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.1.

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral de mate waarin het in de Regeling opgenomen stelsel van maatregelen de individuele melkveehouder raakt relevant. Niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de opgelegde heffingen en de inperking van de exploitatiemogelijkheden – waardoor bijvoorbeeld ook investeringen nutteloos of beperkt nuttig zijn geworden – als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling vormt een buitensporige last. De uiteindelijke bewijslast dat sprake is van een buitensporige last, rust op appellant. Daarvoor is inzicht nodig in al zijn bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden (zie de uitspraak van het College van 21 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:281).

6.2.

Het omschakelen van varkens naar melkvee is weliswaar een bijzondere omstandigheid, maar verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit geen omstandigheid is die buiten de invloedsfeer van appellant lag. Bovendien zijn de door appellant gestelde financiële gevolgen niet onderbouwd en leiden deze evenmin tot het oordeel dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een individuele en buitensporige last.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom

7. De beroepen zijn ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing

Het College

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Borman, mr. M. van Duuren en
mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.