Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:535

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
17/1590
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling Fosfaatreductieplan 2017, bedrijf terecht als niet-grondgebonden aangemerkt, dieraantallen juist vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1590

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2020 in de zaak tussen

VOF [naam] , te [plaats] (gemeente [gemeente] ), appellante

gemachtigde: C. Blokland

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

gemachtigde: mr. A.R. Alladin

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een heffing opgelegd van € 888,- voor periode 1.

Bij besluit van 29 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2020. Appellante is verschenen in de persoon van haar vennoot [naam] , vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Veehouders die te veel melkvee houden moeten de omvang van hun veestapel zoals die was op 1 oktober 2016 in vijf tweemaandelijkse stappen (de periodes) verminderen tot hun referentieaantal. Het referentieaantal is het aantal op 2 juli 2015 (de peildatum) geregistreerde runderen, verminderd met 4% – met uitzondering van grondgebonden bedrijven – en omgerekend naar grootvee-eenheden (GVE). Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal. Verweerder kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal.

2. De Regeling kent twee soorten heffingen, de hoge geldsom en de solidariteitsgeldsom. Welke heffing wordt opgelegd is mede afhankelijk van de vraag of in de betreffende periode het doelstellingsaantal is behaald. Het doelstellingsaantal is het aantal op 1 oktober 2016 geregistreerde runderen, verminderd met het voor de betreffende periode vastgestelde verminderingspercentage, met dien verstande dat het doelstellingsaantal nooit lager is dan het referentieaantal. Verweerder legt een hoge geldsom op indien in de betreffende periode meer GVE worden gehouden dan het doelstellingsaantal. De hoogte van de hoge geldsom bedraagt € 480,- voor elke GVE boven het referentieaantal. Een bedrijf dat inkrimpt tot het doelstellingsaantal, maar niet tot het referentieaantal, krijgt een solidariteitsgeldsom opgelegd van € 112,- voor elke GVE boven het referentieaantal.

3. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Verweerder heeft appellante een solidariteitsgeldsom opgelegd van € 888,-, omdat het gemiddeld aantal runderen op het bedrijf van appellante in de eerste periode hoger is dan het referentieaantal. Appellante kan zich hier niet mee verenigen en heeft beroep ingesteld.

Beroep

Regeling buiten toepassing laten

4. Appellante betoogt allereerst dat verweerder heeft miskend dat de Regeling in haar geval buiten toepassing had moeten worden gelaten, omdat haar situatie vergelijkbaar is met die van de bedrijven waarvoor dat op last van de kortgedingrechter in een vonnis van 4 mei 2017 al is gebeurd.

4.1

Tegen het vonnis van 4 mei 2017 is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag, dat daarin op 31 oktober 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:3067) uitspraak heeft gedaan. Uit dit arrest volgt dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag ten onrechte heeft geoordeeld dat de Regeling voor de eisende bedrijven buiten toepassing had moeten worden gelaten. Nu, naar zij zelf stelt, de situatie van appellante vergelijkbaar is met die van die bedrijven, volgt hieruit dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Regeling (ook) in haar geval buiten toepassing had moeten worden gelaten.

Grondgebondenheid

5. Appellante betoogt voorts dat verweerder haar bedrijf ten onrechte als niet‑grondgebonden heeft aangemerkt, waardoor haar referentieaantal te laag is vastgesteld en haar ten onrechte een heffing is opgelegd. Volgens appellante heeft verweerder miskend dat zij op 8 juni 2015, en dus voor de peildatum van 2 juli 2015, mondeling overeen is gekomen grond in Dordrecht te pachten, waardoor zij in 2016 grondgebonden is geworden. Nu zij de investeringen om grondgebonden te worden al in 2015 is aangegaan, dient zij ook in dat jaar als grondgebonden te worden aangemerkt, aldus appellante.

5.1

Artikel 1, aanhef en onder j, van de Regeling luidt:
“grondgebonden bedrijf: bedrijf waarbij de productie van dierlijke meststoffen door runderen in kilogrammen fosfaat in het kalenderjaar 2015 verminderd met de fosfaatruimte in dat jaar negatief of nul is, en de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond de hoeveelheid grond is zoals die blijkt uit de gegevens opgegeven krachtens de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015 waarbij wordt uitgegaan:
1°. van een excretieforfait van 9,6 kilogram fosfaat voor een vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar, 21,9 kilogram fosfaat voor een vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd en 41,3 kilogram fosfaat voor een rund dat tenminste eenmaal heeft gekalfd, of
2°. van de excretieforfaits voor fosfaat opgenomen in bijlage D van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, waarbij een vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar wordt aangemerkt als diernummer 101, een vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd als diernummer 102 en een rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd als diernummer 100;”

Artikel 3 van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015 luidde als volgt:
“1 Het formulier heeft betrekking op de periode van 1 april 2015 tot en met 15 mei 2015.
2 De periode, bedoeld in het eerste lid, is het tijdvak waarin een landbouwtelling als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Landbouwwet wordt gehouden.”

Artikel 4 van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015 luidde als volgt:
“1 Een opgaveplichtige verstrekt:
a. informatie naar de toestand van de veestapel zoals die was op 1 april 2015,
b. informatie over de toestand van de beteelde percelen zoals die is of wordt verwacht op 15 mei 2015, en
c. de naam van het gewas waarmee een perceel zal worden beteeld, als dat niet is beteeld op 15 mei 2015.
2 Een opgaveplichtige verstrekt overige informatie naar de toestand op zijn onderneming op het moment van ondertekening van het formulier.”

5.2

Uit artikel 1, aanhef en onder j, van de Regeling, gelezen in samenhang met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015, volgt dat voor de vraag of een bedrijf in 2015 grondgebonden is, gekeken wordt naar de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond op 15 mei 2015, zoals die door het bedrijf is opgegeven in de Gecombineerde Opgave 2015.

5.3

Zoals het College in zijn uitspraak van 14 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:32) reeds heeft overwogen is niet gebleken dat de gronden in Dordrecht op 15 mei 2015 tot het bedrijf van appellante behoorden. Uit de door haar overgelegde notariële akte blijkt dat de gronden eerst op 17 november 2015 in erfpacht aan één van de vennoten van appellante zijn uitgegeven en vervolgens pas eind 2015 daadwerkelijk aan appellante zijn geleverd en door haar in gebruik zijn genomen. Dat zij al eerder, op 8 juni 2015, mondeling overeen zou zijn gekomen dat zij de gronden in gebruik zou nemen, doet aan het voorgaande niet af. Daargelaten dat de mondelinge overeenkomst ná 15 mei 2015 is gesloten, gingen de gronden niet direct na het sluiten van de mondelinge overeenkomst op 8 juni 2015 tot het bedrijf van appellante behoren, maar pas na de levering daarvan eind 2015.
Het betoog faalt.

Berekening dieraantallen

6. Appellante betoogt ten slotte dat er bij de berekening van haar fosfaatrechten van een ander, hoger aantal runderen is uitgegaan dan bij de berekening van haar fosfaatreductie. Hierdoor is haar referentieaantal te laag vastgesteld.

6.1

Uit de overgelegde stukken blijkt dat er bij de berekening van de fosfaatrechten van appellante uit is gegaan van 193 volwassen runderen, 78 kalveren tussen 0 en 1 jaar en 80 pinken. Bij de berekening van het aantal GVE in het kader van de fosfaatreductie is uitgegaan van 193 volwassen runderen, 75 kalveren tussen de 0 en 1 jaar en 79 pinken. Dit betekent dat appellante terecht stelt dat bij de fosfaatreductie is uitgegaan van 3 kalveren tussen 0 en 1 jaar en 1 pink minder. Het betekent evenwel niet dat daardoor haar referentieaantal te laag is vastgesteld. In dat kader is van belang dat bij de berekening van de fosfaatreductie op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van de Regeling alleen wordt gekeken naar het aantal vrouwelijke runderen op een bedrijf, terwijl in het kader van de berekening van de fosfaatrechten op grond van artikel 1, aanhef en onder kk, van de Meststoffenwet zowel mannelijke en vrouwelijke kalveren tussen 0 en 1 jaar en pinken worden meegenomen. Nu, naar verweerder heeft toegelicht, voor vier mannelijke runderen van appellante fosfaatrechten zijn toegekend, is het referentieaantal juist vastgesteld.
Dat, naar appellante stelt, verweerder het verschil in aantal pinken niet heeft toegelicht, kan ten slotte niet worden gevolgd. Nu het verschil in de berekening 3 kalveren tussen 0 en 1 jaar betreft en 1 pink, oftewel vier stuks in totaal, moet aangenomen worden dat dit de vier mannelijke runderen waarvoor fosfaatrechten zijn toegekend betreft die verweerder heeft genoemd.
Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Borman, in aanwezigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2020.

w.g. C.J. Borman w.g. I.S. Ouwehand