Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:521

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
18/2901
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat er in het geval van appellante geen sprake was van het starten van een nieuw bedrijf. Op het bedrijf van appellante is reeds eerder een melkveehouderij geëxploiteerd, destijds door [naam 1] en diens broer en vervolgens door enkel [naam 1]. Het bedrijf wordt momenteel geëxploiteerd door [naam 1] en [naam 2]. Op het bedrijf is tot 2010 melk geproduceerd. Dat in de periode 2011 tot aan 2013 geen melk is geproduceerd, maar - zoals ter zitting is aangegeven - ongeveer 5 rosékalveren hobbymatig werden gehouden, doet aan het voorgaande niet af. Voor zover er al in verband met deze hobbymatig gehouden rosékalveren sprake is van een omschakeling van vleesvee naar melkvee betreft het enkel een verandering van de exploitatie. Dit kan niet worden aangemerkt als het starten van een nieuw bedrijf. Verder heeft appellante niet voldaan aan de voorwaarde uit de startersregeling dat wordt beschikt over een voor 2 juli 2015 aan haar verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee heeft gedaan. De Hinderwetvergunning kan hiermee niet op één lijn worden gesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2901

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 3] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. P.J. Houtsma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. R. Kuiper en mr. T. Meijer).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 7 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2020. Namens appellante hebben deelgenomen [naam 1] en [naam 2] , maten, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) verhoogt de minister, op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf, het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Msw (de startersregeling). Ingevolge het tweede lid is een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in het eerste lid, een bedrijf dat aantoonbaar beschikt over – onder meer – een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee (onderdeel a). Ingevolge het zesde lid wordt een bedrijf dat op 2 juli 2015 vrouwelijk jongvee voor de melkveehouderij hield en dat tussen 2 juli 2015 en 1 januari 2018 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking, in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, aangemerkt als nieuw gestart bedrijf.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Oorspronkelijk is het bedrijf door de gebroeders [naam 4] geëxploiteerd. Op 28 oktober 1974 is aan hen een Hinderwetvergunning verleend voor de uitbreiding van het bestaande bedrijf met een ligboxenstal met melkstal, melklokaal en mestbewaring voor 125 stuks grootvee. Op enig moment is de veehouderij enkel door [naam 1] geëxploiteerd. In de gecombineerde opgave 2010 heeft hij vermeld op 1 april 2010 81 melk- en kalfkoeien en 76 stuks jongvee te houden. In de jaren 2011 tot en met 2013 heeft het bedrijf, anders dan in de direct daaraan voorafgaande (drie) jaren, geen melk geproduceerd. Per 1 mei 2014 heeft [naam 1] het bedrijf ingebracht in de maatschap [naam 3] , appellante. Op 26 december 2014 heeft appellante melk geleverd aan FrieslandCampina. Op 2 juli 2015 hield appellante 58 melk- en kalfkoeien en 101 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 3.488 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard en geen aanleiding gezien de startersregeling toe te passen, omdat geen sprake is van een nieuw gestart bedrijf maar van een wijziging van de rechtsvorm van het bedrijf waarbij [naam 2] is toegetreden. Hierom kan appellante met betrekking tot de opfok van jongvee ook niet in aanmerking komen voor de startersregeling.

Beroepsgronden

4. Appellante heeft aangevoerd dat zij voldoet aan de voorwaarden van de startersregeling. Aanvankelijk hebben de broers [naam 4] en later [naam 1] ter plaatse het bedrijf geëxploiteerd. Tot 2014 werden er vleesrunderen (rosékalveren) gehouden. In 2014 heeft appellante, de maatschap, een nieuw melkveehouderijbedrijf opgericht waarin beide maten sinds 1 mei 2014 actief zijn blijkens de inschrijving in het Handelsregister en het maatschapscontract. Dat sprake is van een nieuw bedrijf blijkt genoegzaam uit de nieuwe activiteiten op het bedrijf onder uitvoering van een nieuwe samenwerking. Verder beschikte appellante over alle benodigde vergunningen, was zij onomkeerbare investeringsverplichtingen aangegaan, heeft zij op 26 december 2014 haar eerste melk geleverd, hield zij 55 melk- en kalfkoeien op 1 januari 2018 en maakt zij geen aanspraak op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de Msw. Tot slot heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de startersregeling ook niet zou gelden voor het afgescheiden, nieuwe gedeelte van het bedrijf bedoeld voor de opfok van jongvee.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder betoogt dat appellante niet in aanmerking komt voor toepassing van de startersregeling. Onder verwijzing naar parlementaire geschiedenis mag het volgens hem bij toepassing van de startersregeling niet gaan om een voortzetting of doorstart van een al bestaand melkveebedrijf onder bijvoorbeeld een andere naam of met een andere eigendomsstructuur. Dit is door het College in zijn vaste rechtspraak bevestigd. Anders dan appellante stelt is geen sprake van een nieuw gestart bedrijf, maar van een voortzetting/doorstart van het bestaand bedrijf van [naam 1] onder een andere naam en met een andere eigendomsstructuur. In 2008, 2009 en 2010 is op het bedrijf van (toen nog) [naam 1] melk geproduceerd. In de jaren 2011 tot en met 2013 is geen melk geproduceerd, maar dat maakt niet dat een bedrijf daarom als nieuw gestart bedrijf kan worden aangemerkt. Verder heeft appellante niet aangetoond dat zij voldoet aan de voorwaarden uit de startersregeling. Verweerder betwist dat de in 1974 aan appellante verleende Hinderwetvergunning voldoet aan het vereiste dat appellante moet beschikken over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor diezelfde datum ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee. Uit de door appellante overgelegde Hinderwetvergunning blijkt dat het in 1974 al ging om een bestaand bedrijf. Ook heeft appellante niet aangetoond dat zij onomkeerbare investeringsverplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015. Zij heeft enkel een hypotheekakte overgelegd, maar facturen van investeringen ontbreken.

5.2

Voor zover appellante heeft verzocht om in verband met de opfok van jongvee in aanmerking te komen voor de toepassing van het zesde lid van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit stelt verweerder zich op het standpunt - kort en zakelijk weergegeven - dat appellante niet aan de voorwaarden daarvoor voldoet omdat zij niet valt binnen de termen van het tweede lid.

Beoordeling

6.1

Het beroep van appellante op de startersregeling slaagt niet. De startersregeling staat alleen open voor nieuw gestarte bedrijven en het mag daarbij niet gaan om de voortzetting of doorstart van een bestaand melkveebedrijf onder bijvoorbeeld een andere naam of met een andere eigendomsstructuur. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat er in het geval van appellante geen sprake was van het starten van een nieuw bedrijf. Op het bedrijf van appellante is reeds eerder een melkveehouderij geëxploiteerd, destijds door [naam 1] en diens broer en vervolgens door enkel [naam 1] . Het bedrijf wordt momenteel geëxploiteerd door [naam 3] . Op het bedrijf is tot 2010 melk geproduceerd. Dat in de periode 2011 tot aan 2013 geen melk is geproduceerd, maar - zoals ter zitting is aangegeven - ongeveer 5 rosékalveren hobbymatig werden gehouden, doet aan het voorgaande niet af. Voor zover er al in verband met deze hobbymatig gehouden rosékalveren sprake is van een omschakeling van vleesvee naar melkvee betreft het enkel een verandering van de exploitatie. Dit kan niet worden aangemerkt als het starten van een nieuw bedrijf (zie de uitspraak van het College van 31 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:214, onder 6.1). Verder heeft appellante niet voldaan aan de voorwaarde uit de startersregeling dat wordt beschikt over een voor 2 juli 2015 aan haar verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door haar ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee. De hiervoor genoemde Hinderwetvergunning kan hiermee niet op één lijn worden gesteld. Appellante voldoet daarmee niet aan de cumulatieve voorwaarden uit de startersregeling.

6.2

Het betoog van appellante dat het nieuwe gedeelte van het bedrijf bedoeld voor de opfok van jongvee moet worden aangemerkt als afzonderlijk bedrijf, waarvoor een beroep kan worden gedaan op het zesde lid van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit faalt, reeds omdat niet wordt voldaan aan artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a van het Uitvoeringsbesluit.

6.3

Appellante heeft zich ter zitting nog beroepen op de uitspraak van het College van 21 april 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:290). Dit beroep treft geen doel omdat in die zaak niet in geschil was dat er sprake was van een nieuw gestart bedrijf en het College zich over dat punt dan ook niet heeft uitgelaten. Voor zover appellante refereert aan het gegeven dat verweerder in die zaak, anders dan in de onderhavige zaak, wel is uitgegaan van nieuw gestart bedrijf, had het op haar weg gelegen om aan de hand van feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat zij terecht een impliciet beroep op het gelijkheidsbeginsel doet. Dit nu heeft zij nagelaten. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.

w.g. I.M. Ludwig w.g. M.A.A. Traousis