Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:515

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
18/1296
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de door appellante na 1 april 2017 op het bedrijf aangevoerde vrouwelijke vleeskalveren terecht betrokken bij het bepalen van het maandgemiddelde. De door appellante aangevoerde omstandigheden maken niet dat verweerder gebruik had moeten maken van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1296

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G. Biesheuvel).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een heffing opgelegd van € 14.333,- voor periode 5.

Bij besluit van 28 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door appellante tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 21 juli 2018 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder het primaire besluit herzien en aan appellante een heffing opgelegd van € 14.558,- voor periode 5.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2020. Namens appellante zijn verschenen haar maten [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Van eind april 2017 tot begin januari 2018 heeft zij daarnaast vleeskalveren op haar bedrijf gehouden. Appellante heeft in bezwaar aangevoerd dat de 140 vrouwelijke vleeskalveren die rond 19 oktober 2017 op het bedrijf zijn aangevoerd ten onrechte zijn meegeteld bij de vaststelling van het maandgemiddelde van periode 5, omdat deze kalveren in het Identificatie- en Registratie systeem (I&R-systeem) zijn gevlagd.

  3. Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat de Regeling geldt voor houders van vrouwelijke runderen. Daaronder vallen in beginsel ook vrouwelijke runderen die worden gehouden voor de vleesproductie. Houders van vrouwelijke vleeskalveren kunnen hun vleeskalveren van de toepassing van de Regeling uitzonderen, mits deze vleeskalveren voor 1 april 2017 zijn aangevoerd op het bedrijf en op de juiste wijze zijn gevlagd in het I&R-systeem. Uit de gegevens uit het I&R-systeem van de maand oktober blijkt dat de 140 kalveren waarover in bezwaar wordt geklaagd weliswaar zijn gevlagd, maar dat deze kalveren na 1 april 2017 zijn geboren en dus niet voor 1 april 2017 zijn aangevoerd op het bedrijf. Deze vleeskalveren kunnen daarom niet worden uitgezonderd van toepassing van de Regeling en tellen dus mee bij de vaststelling van het maandgemiddelde.

  4. Het wijzigingsbesluit is een besluit waarover het beroep van appellante zich ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede uitstrekt. Gesteld noch gebleken is dat appellante nog belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit en daarom zal het College dat beroep
    niet-ontvankelijk verklaren.

  5. Appellante betoogt dat de opgelegde heffing onevenredig is, omdat zij direct actie heeft ondernomen nadat zij had geconstateerd dat de vleeskalveren werden meegeteld bij de vaststelling van het maandgemiddelde. Zij heeft hierover voorts telefonisch contact opgenomen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), die haar heeft medegedeeld dat de vleeskalveren niet zouden worden meegerekend. Ook andere instanties waarmee zij contact heeft opgenomen hebben haar niet geïnformeerd dat vrouwelijke vleeskalveren onder de toepassing van de Regeling vallen. Appellante heeft er verder op gewezen dat de Regeling in korte tijd meermaals is gewijzigd.

5.1.

Voor zover appellante heeft beoogd een beroep op het vertrouwensbeginsel te doen, faalt dit betoog. Uit de zich in het dossier bevindende telefoonnotities kan niet worden afgeleid dat een medewerker van de RVO een uitlating heeft gedaan over het al dan niet meetellen van de op het bedrijf aangevoerde 140 vrouwelijke vleeskalveren bij het maandgemiddelde over periode 5.

5.2.

In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht wat de achtergrond is van de keuze om alleen vrouwelijke vleeskalveren die voor 1 april 2017 zijn aangevoerd op het bedrijf van toepassing van de Regeling uit te zonderen. In eerste instantie was de Regeling van toepassing op alle melkproducerende bedrijven en ook op niet-melkproducerende bedrijven. Na invoering van de Regeling bleek dat er bij niet-melkproducerende bedrijven onbedoelde negatieve effecten optraden voor de bedrijfsvoering en de economische levensvatbaarheid van deze bedrijven in 2017. Het hanteren van een peildatum pakte vooral voor een deel van de vleesveebedrijven onbedoeld zwaar uit, omdat de peildatum voor die bedrijven geen reëel beeld gaf van het aantal dieren dat gedurende het jaar werd gehouden. Om deze bedrijven tegemoet te komen is de Regeling op 30 maart 2017 gewijzigd (Stcrt. 2017, 18602). Deze wijziging van de Regeling bleek echter nog ontoereikend om onbedoelde negatieve effecten in voldoende mate voor de niet-melkproducerende bedrijven weg te nemen. Op 12 april 2017 heeft de toenmalige staatssecretaris daarom aan de Tweede Kamer gemeld dat de Regeling beperkt werd tot de melkproducerende bedrijven en dat de niet‑melkproducerende bedrijven buiten de reikwijdte van de Regeling komen te vallen. Hiervoor is de Regeling op 28 april 2017 gewijzigd (Stcrt. 2017, 25117). Omdat melkproducerende bedrijven met een vleesveetak nog steeds melkproducerende bedrijven zijn, vielen die bedrijven nog wel in zijn geheel onder de werking van de Regeling. Melkveehouders met een vleesveetak konden na de wijziging van de Regeling niet meer voorkomen dat vleeskalveren werden meegenomen bij de berekening van het maandgemiddelde. Om die melkveehouders tegemoet te komen en ook een uitzondering van de vleeskalveren bij melkproducerende bedrijven te bewerkstelligen, heeft verweerder na afstemming met vertegenwoordigers van de vleesveesector beleid ontwikkeld. Volgens dit beleid kunnen bedrijven hun vleeskalveren uitzonderen voor het maandgemiddelde, mits deze vleeskalveren voor 1 april 2017 zijn aangevoerd op het bedrijf en op de juiste wijze zijn ‘gevlagd’ in het I&R-systeem. Dit beleid was er niet op gericht om vleesveetakken van melkproducerende bedrijven geheel te onttrekken aan de werking van de Regeling. Vleeskalveren die na 1 april 2017 zijn aangevoerd, blijven namelijk wel onder de werking van de Regeling vallen. Ook vleeskalveren die op het bedrijf zijn geboren, worden in beginsel niet uitgezonderd van de Regeling, omdat deze runderen niet als aangevoerd worden aangemerkt. De uitzondering geldt dus alleen voor de vóór 1 april 2017 aangevoerde vrouwelijke vleeskalveren tot een leeftijd van maximaal 1 jaar, aldus verweerder.

5.3.

Het College begrijpt uit deze uiteenzetting dat verweerder bewust en weloverwogen een beperkte uitzondering heeft gemaakt voor melkproducerende bedrijven met een vleesveetak. Die uitzondering heeft hij gemaakt via artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet, op grond waarvan hij in door hem te bepalen gevallen of groepen van gevallen tot gehele of gedeeltelijke ontheffing kan overgaan van hetgeen ingevolge de Regeling verschuldigd is. Dat hij geen aanleiding heeft gezien in verdergaande mate van de Regeling af te wijken is niet onredelijk te achten. Ook in de door appellante aangedragen omstandigheden heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om in haar geval de vleeskalveren uit te zonderen. Dat zij direct actie heeft ondernomen nadat zij had geconstateerd dat de vleeskalveren werden meegeteld bij de vaststelling van het maandgemiddelde en zij hierover niet is geïnformeerd, zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen. Appellante had er ten tijde van de aanvoer van de kalveren al van op de hoogte kunnen zijn dat vrouwelijke vleeskalveren onder de reikwijdte van de Regeling vielen, omdat dat reeds vanaf de inwerkingtreding van de Regeling het geval was en de Regeling overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (vergelijk de uitspraak van 28 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:488). Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep tegen het wijzigingsbesluit is ongegrond.

7. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

8. Gelet op het door verweerder genomen wijzigingsbesluit, zal het College bepalen dat verweerder het door haar betaalde griffierecht aan haar vergoedt.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het wijzigingsbesluit ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht van € 338,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H.M. van Altena, in aanwezigheid van mr. H.A. Komduur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.