Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:514

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
17/1400
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Regeling fosfaatreductieplan 2017

- Wet bescherming persoonsgegevens

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1400

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjens).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellant een hoge geldsom opgelegd van € 4.594,- voor periode 1.

Bij besluit van 18 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2020. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op
    2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.
    Inleiding

  2. Appellant exploiteert een melkveebedrijf. Verweerder heeft appellant over periode 1 een hoge geldsom opgelegd van € 4.594,00. Daarover gaat dit beroep. Appellant voert verschillende redenen aan waarom verweerder niet tot oplegging van deze hoge geldsom mocht komen. Deze beroepsgronden worden hierna besproken.
    De bevoegdheidsgrondslag en de verrekening

  3. De beroepsgrond van appellant dat het primaire besluit onbevoegd is genomen, faalt reeds omdat het in beroep bestreden besluit door een ondergeschikte van verweerder namens verweerder is genomen. Het is vaste rechtspraak dat een aan een primair besluit klevend bevoegdheidsgebrek in bezwaar kan worden hersteld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:419). Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht kan alleen al daarom niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden.

  4. Voor zover appellant betoogt dat de verrekening van de heffingen met het melkgeld niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet, kan dit betoog reeds niet slagen, omdat de verrekening van de heffingen met het melkgeld een privaatrechtelijk karakter heeft. Daarmee valt dit buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter en appellant zal de daarop betrekking hebbende klachten aan de burgerlijke rechter voor moeten leggen (zie de uitspraken van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:419 en 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:420). Het College komt daarom niet toe aan de uitgebreide klachten van appellant op dit punt.
    De inwerkingtreding van de Regeling

  5. Appellant betoogt dat de termijn tussen de afkondiging en het van kracht worden van de Regeling erg kort was en dat verweerder niet gelijktijdig met opleggen van de heffing het referentieaantal en doelstellingsaantal mocht bepalen maar dat verweerder daarover een aparte beschikking had moeten sturen.

5.1.

Zoals het College eerder heeft overwogen in de uitspraak van
21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:414, kon het voor melkveehouders duidelijk zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat na afschaffing van de melkquota mogelijk toch weer andere maatregelen, ook productiebeperkende maatregelen, zouden volgen. Dat de precieze aard van die maatregelen nog niet bekend was, maakt dat niet anders. Dit voert het College tot het oordeel dat voor melkveehouders voorzienbaar was dat na het wegvallen van de melkquota de groei van de melkveestapel zou kunnen leiden tot de noodzaak andere maatregelen te treffen om de mestproductie te beperken. Zoals het College voorts in dezelfde uitspraak heeft overwogen, is het niet in algemene zin ontoelaatbaar of onevenredig dat is gekozen voor de reductie van de veestapel aan de hand van een in het verleden gelegen peilmoment. Deze datum is gekozen om te voorkomen dat melkveehouders die tussen 2 juli 2015 en de inwerkingtreding van de Regeling (in het vooruitzicht van productiebeperkende maatregelen) extra vee zijn gaan aanhouden, beloond worden. De Regeling werd verder weliswaar kort na afkondiging van kracht, maar bereikte haar volle werking pas in een later stadium, doordat zij voorziet in een stapsgewijze reductie van de omvang van de veestapel.
Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder gehouden was het referentieaantal en doelstellingsaantal op verschillende tijdstippen en in aparte beschikkingen te bepalen.
Voor zover appellant nog betoogt dat de heffing over de eerste periode van de Regeling pas werd opgelegd toen de eerste periode al verstreken was, leidt dit mede in het licht van het voorgaande evenmin tot het oordeel dat verweerder daarom niet tot de opgelegde geldsom mocht komen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
De Wet bescherming persoonsgegevens

6. Appellant betoogt dat [naam 2] B.V. die namens verweerder het besluit van 27 mei 2017 heeft genomen, ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn persoonsgegevens. Appellant stelt zich op het standpunt dat sprake is van strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp).

6.1.

Sinds 25 mei 2018 is Verordening 2016/679 (Algemene Verordening Gegevensbescherming) van toepassing en is de Wbp ingetrokken. Omdat het besluit van 27 mei 2017 is genomen voor 25 mei 2018 is, anders dan waarvan verweerder in zijn verweerschrift uitgaat, de Wbp op dit geding van toepassing.
Bij de toepassing van de Regeling wordt gebruik gemaakt van gegevens uit het I&R-systeem rund als bedoeld in artikel 14, onderdeel a, van de Regeling identificatie en registratie van dieren. De besluiten op grond van de Regeling zijn gebaseerd op gegevens uit dat systeem. De gegevens in het I&R-systeem geven inzicht in de soorten en aantallen dieren die een veehouder heeft. Anders dan verweerder stelt zijn gegevens over de dieren die appellant houdt daarom gegevens die appellant als eenmanszaak betreffen en dus persoonsgegevens in de zin van artikel 1 onder a van de Wbp. Dat betekent dat deze gegevens alleen mogen worden verwerkt als daarvoor een grondslag bestaat.
Verweerder heeft in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging director operations [naam 2] B.V. inzake aangelegenheden die verband houden met de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (Staatscourant 2017, 21883) aan de director operations van [naam 2] B.V. mandaat verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van overige handelingen die verband houden met artikelen 4, 6 en 9 van de Regeling fosfaatreductie 2017.
Uit artikel 2, eerste lid, van dit mandaatbesluit blijkt dat de director operations ondermandaat kan verlenen aan onder hem ressorterende medewerkers. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat de director operations en de onder hem ressorterende medewerkers daartoe toegang hebben gekregen tot het I&R systeem. Dat betekent dat bij het nemen van het besluit van 27 mei 2017 persoonsgegevens van appellant zijn verwerkt.
Artikel 8, aanhef en onder e, van de Wbp bepaalt dat persoonsgegevens mogen worden verwerkt als dat noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt. Omdat uitvoering van de Regeling, waartoe aan Royal [naam 2] B.V. mandaat is verleend, niet mogelijk is zonder kennisneming en gebruikmaking van de I&R-gegevens was de verwerking van de persoonsgegevens van appellant door [naam 2] B.V. noodzakelijk. Dat betekent dat, anders dan appellant betoogt, van onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens geen sprake is.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Borman, mr. M. van Duuren en
mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.

De voorzitter is verhinderd B. van Dokkum
de uitspraak te ondertekenen.