Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:513

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
18/2219
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Artikel 1 EP EVRM. Geen individuele en buitensporige last.

Appellante heeft de uitbreidingsplannen ingezet in september 2013, vooruitlopend op verlening van een Nbw-vergunning (na de peildatum). Deze uitbreidingsbeslissing is, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren – waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld – niet navolgbaar. Verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb wegens onrechtmatige primaire besluitvorming afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake was van gederfde inkomsten die rechtstreeks voortvloeiden uit het onrechtmatige primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2219

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P. Grijpstra),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kuiper).

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 26 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard, het besluit van 10 januari 2018 herroepen en het fosfaatrecht van appellante opnieuw vastgesteld.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante is gevraagd om een nadere reactie. Appellant heeft op 20 april 2020 een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Aan de zitting heeft namens appellante haar gemachtigde deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid van de Msw (de knelgevallenregeling) wordt, indien een landbouwer voor 1 april 2018, meldt en aantoont dat het krachtens het derde lid op het bedrijf rustende fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, door de minister het fosfaatrecht bepaald aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt.

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij. Op 1 april 2012 hield zij volgens de Gecombineerde opgave 2012 61 melk- en kalfkoeien en 43 stuks jongvee.

2.2

Op 14 november 2012 heeft appellante een melding ingevolge het Besluit landbouw milieubeheer gedaan voor het houden van 127 melk- en kalfkoeien en 76 stuks jongvee, die op 24 januari 2013 is geaccepteerd. Op 21 mei 2013 is appellante een omgevingsvergunning verleend voor het verlengen van een rundveestal. Op 3 september 2015 is appellante een vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) verleend voor het houden van 113 melk- en kalfkoeien en 57 stuks jongvee.

2.3

Voor uitbreiding van de rundveestal is appellante op 22 september 2013 met een aannemersbedrijf voor een bedrag van €166.000,-- een aannemingsovereenkomst aangegaan. Met de bank is zij op 24 september 2013 een financiering overeengekomen voor een bedrag van € 375.000,-. Appellante heeft facturen overgelegd waaruit blijkt dat zij kosten heeft gemaakt voor onder meer stalinrichting (op 5 juli 2013 € 102.500,-) en een melktank (op 14 januari 2014 € 33.880,-).

2.4

Bedrijfshoofd [naam 2] was vanaf 23 december 2014 volledig arbeidsongeschikt. In 2015 heeft hij ook een maand in het ziekenhuis gelegen.

2.5

Op 2 juli 2015 hield appellante 65 melk- en kalfkoeien en 58 stuks jongvee. Op 2 februari 2018 hield appellante 2 melk- en kalfkoeien en 55 stuks jongvee.

2.6

Appellante heeft in 2018 en 2019 al haar fosfaatrechten verkocht.

Besluiten van verweerder

3.1

In het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 3.334 kg en is daarbij uitgegaan van de dierenaantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.

3.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit van 10 januari 2018 herroepen en het fosfaatrecht van appellante na toepassing van de knelgevallenregeling vastgesteld op 3.591 kg. Hij is daarbij uitgegaan van 72 melk- en kalfkoeien en 61 stuks jongvee die appellante hield op de alternatieve peildatum 1 maart 2015.

Beroepsgronden

4.1

Appellante meent haar fosfaatrecht op grond van de knelgevallenregeling niet op 3.591 kg, maar op 5.152 kg (voor een veestapel met een omvang van 113 melk- en kalfkoeien en 58 stuks jongvee) had moeten worden vastgesteld, omdat zij zonder de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden zou zijn doorgegroeid naar het door haar beoogde niveau van 113 melk- en kalfkoeien en 58 stuks jongvee.

4.2

Appellante stelt voorts dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Ten opzichte van andere melkveehouders is zij buitensporig getroffen door de invoering van het fosfaatrechtenstelsel, omdat zij voor de peildatum onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan om haar bedrijf te kunnen uitbreiden. Appellante stelt in dit verband dat het fosfaatrechtenstelsel niet voorzienbaar was en tot grote problemen zal leiden voor haar bedrijfsvoering. Appellante heeft ter onderbouwing van haar betoog een financiële rapportage overgelegd van [naam 3] van 26 juni 2018.

4.3

Appellante voert aan dat verweerder haar ten onrechte geen ontheffing als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Msw heeft verleend. Appellante stelt dat indien verweerder niet alsnog fosfaatrechten aan haar kan toewijzen, zij hiervoor financieel gecompenseerd dient te worden.

4.4

Appellante verzoekt daarnaast om schadevergoeding omdat zij als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van verweerder bij het primaire besluit van 10 januari 2018 ten onrechte zes gezonde melkkoeien heeft moeten afvoeren naar de slacht. Haar schade bestaat, volgens appellante, uit € 6.837,- aan gederfde inkomsten, € 540,- aan deskundigenkosten voor het opstellen van het schaderapport en € 1.000,- aan kosten voor rechtskundige bijstand in het (buiten)gerechtelijke traject. De gederfde inkomsten bestaan daaruit dat zij een lagere omzet heeft gegenereerd voor de melkkoeien dan wanneer zij daarvoor een vrije verkoopwaarde had gekregen, alsmede misgelopen inkomsten uit de melkproductie voor deze zes melkkoeien. Ter onderbouwing van de gederfde inkomsten heeft appellante een schaderapport van [naam 3] van 12 februari 2019 overgelegd.

4.5

Appellante verzoekt tot slot om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het EVRM.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder is van oordeel dat de knelgevallenregeling in het geval van appellante juist is toegepast en daarbij nog niet-gerealiseerde maar wel reeds geplande uitbreidingsplannen terecht niet zijn meegenomen.

5.2

Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Voorts betwist verweerder dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Het bedrijf van appellante is niet individueel afwijkend van andere bedrijven die in het zicht van de afschaffing van het melkquotum zijn gaan uitbreiden. Daarbij valt op dat appellante reeds vóórdat aan haar op 3 september 2015 de Nbw-vergunning is verleend, forse investeringen heeft gedaan met oog op het uitbreiden van de stal. Van een bedrijfseconomische noodzaak om te groeien van 61 naar 113 melkkoeien is niet gebleken.

5.3

Volgens verweerder heeft appellante, nu de beslissing van 10 januari 2018 geen onrechtmatigheid bevat die aan verweerder moet worden toegerekend, geen recht op schadevergoeding c.q. proceskostenveroordeling. De reden van de herroeping van het primaire besluit is gelegen in de bijzondere omstandigheden waarmee verweerder eerst na een melding van appellante als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet rekening kon houden.

5.4

Volgens verweerder bestaat voorts geen grond voor een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de overschrijding grotendeels te wijten is aan het processueel gedrag van appellante. Verweerder had met de gemachtigde van appellante afspraken gemaakt om aanvullende bezwaargronden uiterlijk op 1 juli 2018 aan te leveren. Appellante heeft nagenoeg de gehele termijn gebruikt om aanvullende gronden aan te leveren door ze pas op 27 juni 2018 in te dienen. Daarmee heeft appellante een groot aandeel gehad in de vertraagde besluitvorming aldus verweerder.

Beoordeling

6.1

Het College is met verweerder van oordeel dat de knelgevallenregeling juist is toegepast. Zoals het College in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) heeft geoordeeld en in zijn uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) heeft bevestigd, wordt bij een beoordeling van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met op de peildatum (nog) niet gerealiseerde uitbreidingsplannen en wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum. Verweerder heeft dat gedaan, door in het bestreden besluit bij het vaststellen van de peildatum uit te gaan van de door appellante opgegeven alternatieve peildatum in verband met de arbeidsongeschiktheid van [naam 2] .

6.2

Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.

6.3

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.3.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.3.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.3.3

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat voorts voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die de risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.3.4

Over de betekenis van financiële rapportages als bewijsmiddel, heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 (hiervoor aangehaald, onder 6.13) overwogen dat hij daaraan slechts beperkte waarde toekent. Dat een rapportage aangeeft dat bedrijfscontinuering met het vastgestelde aantal fosfaatrechten niet realistisch is, laat met name zien dat de last substantieel is en vormt verder een factor van belang in de uiteindelijke beoordeling of er goede redenen zijn om de belangen van de melkveehouder zwaarder te laten wegen dan de belangen die gediend zijn met het fosfaatrechtenstelsel, maar betekent op zich zelf genomen niet dat de last ook individueel en buitensporig is. Omgekeerd is het ook niet zo dat een dergelijke last slechts wordt aangenomen indien de bedrijfscontinuïteit op het spel staat. Ten aanzien van de scenariovergelijkingen heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 overwogen dat slechts het scenario dat de ontwikkeling van het bedrijf schetst op basis van het vastgestelde fosfaatrecht (in dit geval scenario 1 van het rapport van [naam 3] van 26 juni 2018) aansluit bij de bepaling van de last zoals hiervoor onder 6.3.2 weergegeven en biedt in zoverre enig inzicht in wat de financiële gevolgen zijn van het fosfaatrechtenstelsel voor de melkveehouder.

6.3.5

Voor appellante komt de last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel op basis van de hiervoor onder 6.3.2 weergegeven vergelijking neer op 1.561 kg fosfaatrechten (de gewenst hoeveelheid fosfaatrechten 5.152 kg – toegekende hoeveelheid fosfaatrechten 3.591 kg).

Het College wil mede gelet op de overgelegde rapportage wel aannemen dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel financieel wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last.

6.3.6

In dat verband is allereerst van belang dat appellante op de peildatum niet beschikte over een Nbw-vergunning voor de door haar beoogde uitbreiding naar 113 melk- en kalfkoeien en 58 stuks jongvee, nu deze pas is verleend op 3 september 2015. Door al vóór dat zij beschikte over alle vergunningen te investeren in de uitbreiding en inrichting van de rundveestal, is zij hierop vooruitgelopen. Uit de jurisprudentie van het College volgt dat in een dergelijk geval in beginsel geen ruimte is voor het aannemen van een individuele buitensporige last is (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 januari 2019, ECLl:NL:CB:2019:7,

onder 5.5, van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.3.2, en van 17

september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:435, onder 5.5).

Bovendien heeft appellante door in september 2013 te investeren in de uitbreiding van haar bedrijf, dit gedaan op een moment in tijd waarop die beslissing, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren – waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld – niet navolgbaar is. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Reeds in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had daarom ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.

6.3.7

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan belangen van appellante. Het College komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 23 van de Msw of artikel 1 van het EP. Voor het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 38 Msw of financiële compensatie is daarom geen plaats. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.4.1

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overweegt het College als volgt. Het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit is het primaire besluit van 10 januari 2018, waarbij aan appellante te weinig fosfaatrechten zijn toegekend. Dit besluit is bij het bestreden besluit van 26 september 2018 herroepen. Voor de beantwoording van de vraag of de onrechtmatigheid van het primaire besluit voor rekening van verweerder komt, is het volgende van belang. Zoals eerder is overwogen in de uitspraak van het College van 3 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:136) vormt de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw een besliscomponent van de vaststelling van het fosfaatrecht. Het is aan verweerder om de voor die vaststelling benodigde gegevens te verzamelen en hij draagt de verantwoordelijkheid voor de juistheid van alle besliscomponenten van het primaire besluit. Dat verweerder bij de ambtshalve primaire besluitvorming niet actief aan de melkveehouders de gelegenheid heeft gegeven voorafgaand aan de vaststelling van het fosfaatrecht een knelgevalmelding te doen, leidt ertoe dat onrechtmatigheid van die primaire besluitvorming voor rekening van verweerder moet worden gebracht. In het voorliggende geval geldt bovendien dat verweerder beschikte over alle relevante informatie voorafgaand aan de primaire besluitvorming aangezien appellante via een daartoe bestemd op 20 september 2017 en dus vóór de totstandkoming van het primaire besluit, verweerder heeft verzocht om buitenwerkingstelling van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 vanwege de gezondheidsproblemen van [naam 2] . Aan de vereisten van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt derhalve voldaan.

6.4.2

Uit het bovenstaande volgt dat de relevante schadeperiode omvat de periode van 10 januari 2018 tot en met 26 september 2018, het moment dat bij het bestreden besluit het besluit van 10 januari 2018 is herroepen. Van een causaal verband tussen het besluit van 10 januari 2018 en het, naar appellante stelt vervroegd, afvoeren naar de slacht van zes melkkoeien (hetgeen gelijk staat aan ongeveer 257 kg fosfaatrechten) is, naar het oordeel van het College evenwel niet gebleken. In dat verband is van belang dat op de bij het schadeverzoek gevoegde koekaarten van de 6 dieren die volgens appellante vervroegd zouden zijn afgevoerd na het primaire besluit van 10 januari 2018, afvoerdata staan vermeld die in alle gevallen liggen in 2017 (de eerste op 8 september 2017 en de laatste op 21 december 2017), dus vóór het primaire besluit. De betreffende dieren staan ook –logischerwijs – niet vermeld op de factuur van de slachtwaarde van de op 29 januari 2018, dus na het primaire besluit, 10 geslachte melkkoeien (bijlage bij de schaderapport). Op 2 februari 2018 had appellante nog slechts 2 melkkoeien, terwijl haar bij het primaire besluit toegekende fosfaatrecht voldoende was voor 65 melk- en kalfkoeien. Als reden voor de afvoer van de dieren vermeldt het schaderapport van [naam 3] de ziekte van [naam 2] . Dit is door appellante ter zitting bevestigd. Appellante heeft ook vrij snel na het primaire besluit, op 31 januari 2018, 888,88 kg fosfaatrechten verkocht. Vervolgens heeft zij in februari 2018 nog eens ruim 1300 kg fosfaatrechten verkocht. Op grond van de overgelegde koekaarten en de factuur, tegen de achtergrond van het verkoopgedrag van appellante en de reden die daarvoor door appellante is gegeven, acht het College niet aannemelijk dat appellante zes melkkoeien (vervroegd) heeft afgevoerd naar aanleiding van het primaire besluit. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van gederfde inkomsten van appellante die rechtstreeks voortvloeiden uit het onrechtmatige primaire besluit. Ook de andere kostenposten komen reeds gelet hierop niet voor vergoeding in aanmerking.

6.5

Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 12 februari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met bijna 6 met maanden overschreden.

Het College volgt verweerder niet in haar betoog dat overschrijding van de behandelingsduur in de bezwaarperiode aan appellante dient te worden toegerekend gelet op tijd die zij heeft genomen om de gronden van haar bezwaar aan te vullen. Zoals ter zitting is bevestigd, hebben zowel appellante als verweerder ingestemd met een termijn van vier maanden om de gronden aan te vullen. Dat het daarna met oog op de ontvangst van wederom aanvullende stukken en het houden van een hoorzitting voor verweerder niet meer mogelijk was om binnen een half jaar na ontvangst van het bezwaarschrift daarop te beslissen, doet er niet aan af dat het in beginsel aan verweerder is om de behandelingsduur van de bezwaarprocedure te bewaken. Het College ziet in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding hierover anders te oordelen. Van andere factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.

Appellante heeft gelet op de overschrijding van de tweejaartermijn met zes maanden recht op € 500,- schadevergoeding.

Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen – te weten 7 maanden en twee weken – en de behandeling van het beroep langer dan anderhalf jaar – te weten een jaar en tien maanden – heeft geduurd. In zaken waarin de bestuurlijke en de rechterlijke fase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bestuurlijke en aan de rechterlijke fase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van twee maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – 4 maanden – voor rekening van de Staat komt en het resterende deel – twee maanden – voor rekening van verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 166,67 (2/6 x € 500) aan appellante en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 333,33 (4/6 x € 500) aan appellante.

Slotsom

7.1

Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering is dit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

7.2.1

Het College ziet aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed en verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar en beroep, daaronder begrepen de deskundigenkosten die appellante heeft gemaakt voor opstellen van de financiële rapportage.

7.2.2

Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.362,50 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een nadere reactie en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Nu het verzoek om schadevergoeding niet slaagt is er geen aanleiding voor vergoeding van daarvoor gemaakte proceskosten.

7.2.3

Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, in samenhang gelezen met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, geldt voor de vergoeding van de gemaakte kosten voor het op 26 juni 2018 opgestelde deskundigenrapport een tarief van ten hoogste € 122,63 per uur. Dit betekent dat de door [naam 3] komen.

7.2.4

Daarmee komt in totaal € 5.060,36 (€ 2.362,50 + € 2.697,86) aan proceskosten voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 166,67;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 333,33;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.060,36.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen