Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:505

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
18/2494
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Termijn melding bijzondere omstandigheden. Knelgeval. Dierziekte. Gewekte verwachtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2494

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjens).

Procesverloop

Bij besluiten van 3 augustus 2017, 23 september 2017 en 25 november 2017 (de primaire besluiten I) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 1.101,- voor periode 2, van € 224,- voor periode 3 en van € 766,- voor periode 4.

Bij besluit van 16 juni 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan appellante de gecombineerde beschikking fosfaatreductieplan 2017 toegezonden, waarin over de eerdere perioden herberekeningen zijn gemaakt. Bij dit besluit zijn aan appellante heffingen opgelegd van € 1.098,- voor periode 1, van € 1.154,- voor periode 2, van € 277,- voor periode 3, van € 819,- voor periode 4 en van € 1.120,- voor periode 5.

Bij besluit van 7 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de perioden van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Op 11 november 2010 is op haar bedrijf de dierziekte Neospora geconstateerd. Als gevolg van de diergezondheidsproblematiek heeft appellante niet het aantal dieren kunnen houden zoals voorzien was bij de bouw van de stal die in 2010 gereed was.

  3. Verweerder heeft appellante solidariteitsgeldsommen opgelegd, omdat het gemiddeld aantal runderen op haar bedrijf hoger is dan het referentieaantal, maar gelijk aan of lager dan het doelstellingsaantal van de betreffende maanden is.

  4. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat hij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van appellante om een andere peildatum aan te houden en daarmee het referentieaantal te verhogen. Verweerder heeft vastgesteld dat appellante geen (tijdig) verzoek heeft ingediend als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Regeling (de melding). Zij heeft de melding pas op 14 januari 2018 gedaan.

  5. Appellante betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij de melding te laat, nl. pas op 14 januari 2018 heeft ingediend. Daartoe voert appellante aan dat zij op die datum, in een reactie op een brief, de term ‘knelgevallenregeling’ heeft genoemd, maar geen verzoek om een knelgeval heeft gedaan. Er bestond na 1 april 2017 geen mogelijkheid meer om een verzoek in te dienen. Zij heeft naar eigen zeggen in telefonische gesprekken met verweerder het niet ingediende verzoek besproken en te horen gekregen dat het alsnog, na 1 april 2017, indienen van een verzoek niet mogelijk was. Appellante stelt dat als zij een verzoek had kunnen indienen, zij dat alsnog zou hebben gedaan. Zij heeft in die gesprekken ook te horen gekregen dat het zeer waarschijnlijk geen probleem zou zijn dat zij geen verzoek had ingediend, gezien de ernst en de aantoonbaarheid van haar knelgeval, aldus appellante.
    Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij tot en met 2016 te maken had met de naweeën van de Neosporabesmetting. Zij verkeerde in die periode bedrijfstechnisch in moeilijke omstandigheden. Zij had ook te maken met een sterfgeval op 19 december 2015 en met een ziekenhuisopname van een kind in de zomer van 2016.

5.1.

Artikel 12, tweede lid, van de Regeling maakt het mogelijk het referentieaantal te bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van de dierziekte is geregistreerd. Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Regeling, dient de melkveehouder een dergelijk verzoek uiterlijk op 1 april 2017 in te dienen. Appellante heeft niet uiterlijk op 1 april 2017 een verzoek ingediend, zodat niet aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 12, derde lid, van de Regeling is voldaan.
De door appellante genoemde omstandigheden maken niet dat haar niet valt aan te rekenen dat zij niet tijdig een verzoek om toepassing van de knelgevallenregeling heeft ingediend. Appellante heeft pas op 14 januari 2018 bijzondere omstandigheden gemeld. Van overmacht was geen sprake, omdat deze omstandigheden zich in of vóór 2016 voordeden en dus geruime tijd voor de uiterste datum waarop de melding bijzondere omstandigheden kon worden gedaan.
Van de telefonische mededeling van de behandelend medewerker van verweerder om nog eens naar de zaak te kijken, zijn geen stukken in het dossier te vinden. Ook als dat anders zou zijn geweest, houdt de mededeling dat de late melding waarschijnlijk geen probleem is niet een toezegging in op grond waarvan de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de te late melding alsnog in behandeling zou worden genomen. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:504 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2019:504&showbutton=true&keyword=ECLI%3aNL%3aCBB%3a2019%3a504), terecht op het standpunt gesteld dat appellante deze verwachting evenmin kan ontlenen aan de omstandigheid dat verweerder haar in het kader van het fosfaatrechtenstelsel op basis van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet alsnog als knelgeval heeft aangemerkt. De beoordeling van een knelgeval in de Regeling kent een ander toetsingskader dan het fosfaatrechtenstelsel. Bovendien gelden voor beide regimes verschillende uiterste termijnen waarbinnen een knelgeval moet worden gemeld. Appellante heeft de uiterste datum voor de melding van een knelgeval binnen de Regeling niet, maar de uiterste datum voor de melding in het kader van het fosfaatrechtenstelsel wel in acht genomen. Verweerder was naar het oordeel van het College dan ook niet gehouden tot een inhoudelijke toetsing aan de knelgevallenregeling van artikel 12 van de Regeling. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in aanwezigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.

De voorzitter is verhinderd w.g. P.M.M. van Zanten
de uitspraak te ondertekenen.