Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:504

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
19/982
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB. Percelen, zandpaden en zand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/982

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam] C.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. A.K. van der Vis),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. C. Sluimer en mr. M. van der Zwaard).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) het aantal betalingsrechten van appellante opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 27 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en dit besluit herroepen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 7 juli 2020 heeft het College aan partijen vragen gesteld.

Bij brieven van 13 juli 2020 hebben partijen deze vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2020. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Op 24 mei 2015 heeft verweerder de Gecombineerde opgave 2015 van appellante ontvangen. Appellante heeft hierin toewijzing van betalingsrechten aangevraagd. Verweerder heeft bij besluit van 31 maart 2016 45,95 betalingsrechten toegekend aan appellante.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder 7,88 van de toegekende betalingsrechten ingetrokken per 14 december 2018, op de grond dat een deel van de opgegeven percelen in 2015 niet subsidiabel bleek te zijn. Het betrof de percelen 1, 16, 24, 25, 26 en 31. Bij besluit van 20 december 2018 heeft verweerder de uitbetaling van de betalingsrechten voor het jaar 2015 opnieuw vastgesteld vanwege gewijzigde gegevens (herberekeningsbesluit). Dit heeft ertoe geleid dat appellante een bedrag aan verweerder moest terugbetalen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, dit besluit herroepen en 4,04 betalingsrechten ingetrokken per 14 december 2018. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de oppervlakte van de percelen 16, 24, 25 en 26 ten onrechte te klein is vastgesteld. Verweerder heeft de oppervlakte van deze percelen echter niet goedgekeurd voor het door appellante opgegeven aantal hectaren, omdat bij de percelen 16, 24 en 25, alsmede bij perceel 1, volgens verweerder sprake is van een zandpad waarvan de functie is het creëren van een mogelijkheid tot verplaatsen van personen en materieel. De paden zijn niet beteeld en daarom geen onderdeel van het perceel landbouwgrond, aldus verweerder. Aangezien sprake is van een zandpad heeft verweerder perceel 24 gesplitst in de percelen 24 en 64.

Verder heeft appellante bij de percelen 1, 16, 24 (en 64), 25, 26 en 31 zand ingetekend, hetgeen volgens verweerder niet is aan te merken als subsidiabele landbouwgrond. Omdat sprake is van een zandpad dan wel omdat appellante zand heeft ingetekend, heeft verweerder perceel 16 gesplist in de percelen 16 en 73 en perceel 25 in de percelen 25, 65, 67, 69 en 71.

3. In beroep betoogt appellante dat zij aanvankelijk twee beschikkingen heeft ontvangen, één betreffende de intrekking van de betalingsrechten en één betreffende de terugbetaling over 2015, welke door verweerder in het bestreden besluit in één beslissing zijn vervat.

Verder voert appellante aan dat de intrekking van de betalingsrechten en de herberekening van de uitbetaling ten onrechte heeft plaatsgevonden, omdat de oppervlakte van de percelen 1, 16, 24, 25, 26 en 31 groter moet worden vastgesteld. Appellante stelt dat conform de Europese definitie voor subsidiabele hectares sprake dient te zijn van landbouwgrond of grond die in overwegende mate gebruikt wordt voor een landbouwactiviteit. Indien de grond volgens haar bestemming geen landbouwgrond is, kan de grond toch in aanmerking komen als subsidiabele hectare indien de grond in overwegende mate gebruikt wordt voor een landbouwactiviteit. De desbetreffende percelen werden volgens appellante in 2015 gebruikt voor een landbouwactiviteit. Appellante stelt dat de feitelijke exploitatie van de grond beslissend is en dat zij de grond heeft bemest en hierop oogstwerkzaamheden heeft uitgevoerd. De feitelijke omstandigheden tonen aan dat de percelen in overwegende mate voor de landbouw worden gebruikt, aldus appellante. Appellante heeft nader toegelicht dat, voordat zij de percelen in 2011 exclusief in gebruik kreeg, sprake was van zandpaden. De grond is daarna echter geploegd en ingezaaid met gras. Hoewel op de luchtfoto’s mogelijk sprake lijkt te zijn van een zandpad, is in de praktijk sprake van grasland. Daarnaast verzoekt appellante de door Kavel 10 gemeten perceelgrenzen mee te nemen in de beoordeling. Appellante voert tot slot aan dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

4. In zijn verweerschrift voert verweerder aan dat in het bestreden besluit enkel het primaire besluit opnieuw is beoordeeld. Verweerder is niet bekend met een bezwaar- of beroepsprocedure met betrekking tot het herberekeningsbesluit.

5.1

Het College komt tot de volgende beoordeling.

5.2

Het herberekeningsbesluit van 20 december 2018, vermeld onder 1.3, maakt geen onderdeel uit van dit geschil. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, waarin verweerder het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de betalingsrechten gedeeltelijk gegrond heeft verklaard. Ter beoordeling staat daarom enkel of verweerder terecht is overgegaan tot de intrekking van de betalingsrechten voor de percelen 1, 16, 24, 25, 26 en 31.

5.3

Eén van de voorwaarden voor toewijzing van betalingsrechten is dat het areaal kan worden aangemerkt als subsidiabele hectare, bedoeld in artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt. Onder 'landbouwareaal' wordt verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013). De oppervlakte moet daarom, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Demmer van 2 juli 2015, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54). Anders dan appellante betoogt, is de feitelijke exploitatie van de grond dus niet beslissend. De grond moet tevens (subsidiabel) landbouwareaal zijn, zoals hiervoor omschreven.

5.4

Bij de beoordeling van de percelen 1, 16, 24, 25, 26 en 31 is het College uitgegaan van de standpunten van verweerder zoals weergegeven in het bestreden besluit. Op de door verweerder overgelegde en ter zitting digitaal getoonde luchtfoto’s uit 2015 zijn duidelijk
– door appellante ingetekende – zandpaden waarneembaar op de percelen 1, 16, 24 en 25. Het College acht het niet aannemelijk dat sprake is van grasland, zoals appellante betoogt. De paden hebben een duidelijk afwijkende kleur, grijsachtig, ten opzichte van de omringende gronden, die als grasland, respectievelijk snijmais zijn goedgekeurd. Verweerder heeft hiermee afdoende gemotiveerd dat de desbetreffende zandpaden niet-subsidiabel zijn en de zandpaden terecht afgekeurd. Ten aanzien van de gedeelten van de percelen 1, 16, 24, 25, 26 en 31 waarop volgens verweerder zand zichtbaar is, is het College van oordeel dat uit de desbetreffende luchtfoto’s duidelijk blijkt dat sprake is van zand. De afgekeurde delen zijn met name op de zomerfoto’s 2015 (de lage resolutiefoto’s) bruin- dan wel grijsachtig van kleur en hebben een duidelijk afwijkende structuur ten opzichte van de delen van deze percelen die wel als subsidiabel zijn aangemerkt. Verweerder heeft de desbetreffende perceelgedeelten dan ook terecht afgekeurd. Het voorgaande leidt tevens tot de conclusie dat verweerder de percelen 16, 24 en 25 terecht heeft gesplist. De beroepsgrond van appellante slaagt niet.

5.5

Bij haar beroepschrift heeft appellante een foto overgelegd waaruit zou moeten blijken dat wel sprake is van subsidiabel landbouwareaal. Deze foto kan aan hetgeen hiervoor is overwogen echter niet afdoen, reeds omdat onduidelijk is wanneer deze foto is genomen en om welk perceel(sgedeelte) het gaat. Voor zover appellante heeft verzocht om de door Kavel 10 gemeten perceelgrenzen mee te nemen in de beoordeling, heeft zij dit verzoek in het geheel niet onderbouwd, zodat onduidelijk is wat appellante hiermee beoogt. Het verzoek wordt gepasseerd.

6. Appellante beroept zich op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Het College begrijpt uit de zeer summiere toelichting van appellante dat deze beroepsgrond ziet op de uitbetaling van de betalingsrechten voor het jaar 2015. Zoals reeds onder 5.2 is overwogen kan het herberekeningsbesluit van 20 december 2018 in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk in aanwezigheid van mr. C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.