Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:497

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
18/2187
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). EP

Fosfaatrechten. Naar het oordeel van het College heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij door het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last draagt. Appellante beschikte op 2 juli 2015 niet over de voor de uitbreiding van haar veestapel vereiste vergunning(en). Appellante is met haar investeringen niet alleen vooruitgelopen op de eerst na de peildatum verkregen Nbw-vergunning, maar die vergunning stelt haar bovendien niet in staat om de beoogde dieraantallen – waarop zij haar investeringen heeft gebaseerd – te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2187

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

v.o.f. Melkveebedrijf [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: A. de Hoon),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 22 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard en haar fosfaatrecht verhoogd.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020. Namens appellante hebben deelgenomen [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij en in 2010 hield zij 115 melk- en kalfkoeien en 82 stuks jongvee. Zij had de bedoeling om uit te breiden naar 182 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee. Op 10 mei 2011 is aan appellante een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een stal. Op haar aanvraag van 23 juni 2015 verkreeg appellante op 19 mei 2016 een vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) om 121 melk- en kalfkoeien en 82 stuks jongvee te houden.

2.2

Op 2 juli 2015 hield appellante 159 melk- en kalfkoeien en 135 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante aanvankelijk vastgesteld op 8.605 kg, maar heeft in het bestreden besluit het fosfaatrecht verhoogd naar 8.721 kg. Verweerder is appellante daarbij gevolgd in haar stelling dat zij in 2015 een hogere gemiddelde melkgift realiseerde. Verweerder is verder uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren.

Beroepsgronden

4.1

Volgens appellante was de wetgever verplicht om voor situaties als de hare een knelgevallenvoorziening in de Msw op te nemen. Door dat niet te doen handelt de wetgever in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

4.2

Appellante voert verder aan dat het fosfaatrechtenstelsel het ongestoord genot van haar eigendom aantast, omdat het haar een individuele en buitensporige last oplegt. Zij is onomkeerbare financiële verplichtingen aangegaan voor de voorgenomen uitbreiding van de veestapel. Het fosfaatrechtenstelsel leidt ertoe dat haar veestapel 14% achterblijft bij haar plannen. Appellante beroept zich in dit verband op een rapportage van bedrijfsadviseur [naam 4] van 11 juni 2018, die becijfert dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel jaarlijks een vermogensverlies heeft van € 61.000,- (cumulerend tot € 426.000,-). Hij berekent dat door vergelijking met de bedrijfsresultaten op basis van een veestapel van 182 melkkoeien en 128 stuks jongvee.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder leest in de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:10) de verwerping van de eerste beroepsgrond.

5.2

Hij betwist dat op appellante een individuele en buitensporige last rust en wijst er in dat verband op dat zij pas na 2 juli 2015 beschikte over een Nbw-vergunning. Bovendien biedt die vergunning (ook na 2 juli 2015) haar niet de ruimte om haar groeiplannen te verwerkelijken. Daarnaast hanteert de bedrijfsadviseur een onjuiste referentie om het bedrijfseconomisch effect van het fosfaatrechtenstelsel in beeld te brengen. De becijferingen zijn niet aangepast aan de verhoging van het fosfaatrecht in het bestreden besluit. Het oorspronkelijke groeiplan van appellante laat een structureel negatieve liquiditeit zien, leidt tot een onvoldoende reserveringscapaciteit en kent een onverantwoord hoge financiering. Daar komt nog bij dat de kosten op diverse onderdelen te laag zijn begroot en de betalingsrechten te optimistisch zijn ingeschat. Verweerder leidt daaruit af dat ook als appellante de groeiplannen had kunnen realiseren, de continuïteit van haar bedrijf ernstig zou zijn bedreigd. De introductie van het fosfaatrechtenstelsel heeft, zo begrijpt het College verweerder, die bestaande problemen niet veroorzaakt, wel verergerd.

Beoordeling

6.1

De eerste beroepsgrond faalt en verweerder wijst daarvoor met juistheid op de uitspraak van 7 januari 2020 waarin het College overwoog:

“De situatie van appellante voldoet, zoals zij erkent, niet aan de voorwaarden van de knelgevallenregeling (…). Appellante heeft gelijk dat de wetgever daarmee een onderscheid maakt tussen verschillende rechtssubjecten, maar dat is op zich geen reden om aan te nemen dat dit onderscheid niet gerechtvaardigd of toelaatbaar zou zijn. De kern van wetgeven is nu juist om onderscheid te maken naar voor verschillende situaties geldende rechten en plichten. De rechter moet, ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, volgens de wet recht spreken: hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen.”

6.2

Het College heeft de algemene uitgangspunten voor de beoordeling van het beroep op artikel 1 van het EP uiteengezet in zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en zijn uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1 t/m 7) en 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291). In de uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.2 en verder) heeft het College zijn beoordelingskader over de individuele en buitensporige last nader gemotiveerd.

6.3

Naar het oordeel van het College heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij door het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last draagt. Zij beschikte op 2 juli 2015 namelijk niet over de voor de uitbreiding van haar veestapel naar 182 melk- en kalfkoeien en bijbehorend jongvee vereiste vergunning(en). Appellante heeft geen begin van bewijs geleverd dat zij beschikte, zoals zij heeft betoogd, over een milieutoestemming en een natuurbeschermingstoestemming op grond waarvan zij deze dieraantallen mocht houden. Dat appellante, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd, beschikt over een Aerius-berekening waaruit blijkt dat zij kan groeien naar 182 melkkoeien en bijbehorend jongvee kan haar – wat daar verder ook van zij – niet baten nu dit niet gelijk kan worden gesteld met een formele vergunning of melding om deze dieraantallen te houden. Het College ziet geen aanleiding om appellante in deze stand van de procedure nog in de gelegenheid te stellen haar betoog nader te onderbouwen met bewijsstukken. Eerst na de peildatum, op 19 mei 2016, is aan appellante een Nbw-vergunning verleend. Echter, deze ziet op het houden van 121 melk- en kalfkoeien en 82 stuks jongvee. Daarmee is appellante met haar investeringen niet alleen vooruitgelopen op de op 19 mei 2016 verkregen Nbw-vergunning, maar die vergunning stelt haar bovendien niet in staat om de beoogde dieraantallen – waarop zij haar investeringen heeft gebaseerd – te houden. In de situatie dat een melkveehouder op de peildatum niet beschikt over de benodigde vergunningen om de dieraantallen te houden waarop hij zijn investeringen heeft gebaseerd, ontbreekt in beginsel de ruimte om aan te nemen dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP (vergelijk de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7). Dit uitgangspunt geldt ook wanneer dat aanzienlijke financiële consequenties heeft. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij merkt het College op dat omdat de rapportage die door appellante is overgelegd is gebaseerd op een bedrijfsomvang van 182 melk- en kalfkoeien, terwijl niet is aangetoond dat deze omvang vergund is, hieraan voorts niet de waarde kan worden gehecht die appellante daaraan wenst te hechten. De beroepsgrond faalt.

Slotsom

7.1

Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering is dit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

7.2

In dat gebrek ziet het College aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed en verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar en beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 338,- aan appellante dient te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.575,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen