Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:492

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-07-2020
Datum publicatie
29-07-2020
Zaaknummer
17/1706
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Omdat verweerder appellante volledig tegemoet is gekomen heeft appellante geen belang meer bij een beoordeling van het door haar ingestelde beroep. Verweerder wordt veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1706

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2020 in de zaak tussen

v.o.f. Melkveebedrijf [naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. J.G. de Wit),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.C. Mulder).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2017 heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een solidariteitsgeldsom opgelegd van € 960,-.

Bij besluit van 29 september 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2017 ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 20 februari 2020 heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2017, dit bezwaar gegrond verklaard en appellante een bonusgeldsom van € 2.024,- toegekend.

Bij brief van 28 februari 2020 heeft appellante het College te kennen gegeven het beroep in te trekken op voorwaarde dat het College verweerder veroordeelt in de door haar gemaakte proceskosten en bepaalt dat verweerder het door haar betaalde griffierecht aan haar betaalt. Bij brief van 16 maart 2020 heeft appellante haar proceskosten gespecificeerd.
Bij brief van 19 maart 2020 heeft het College verweerder in de gelegenheid gesteld om tot en met 9 april 2020 te reageren op de door appellante opgevoerde proceskosten. Verweerder heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling ter zitting, waarna het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

  1. Bij het besluit van 20 februari 2020 heeft verweerder aan appellante een bonusgeldsom van € 2.024,- toegekend. Hiermee is verweerder appellante volledig tegemoetgekomen. Appellante erkent dit ook. Appellante heeft dan ook geen belang meer bij een beoordeling van het door haar ingestelde beroep. Het beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Omdat verweerder appellante tegemoet is gekomen bestaat aanleiding tot een proceskostenveroordeling over te gaan.

  2. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

  3. Verweerder dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
    Beslissing

Het College

-
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.575,-;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 333,00 aan appellante dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.