Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:437

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-07-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
18/2697
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet. In beroep heeft verweerder op grond van de knelgevallenregeling het fosfaatrecht van appellante verhoogd. Appellante vraagt een alternatieve peildatum in 1998 te hanteren. Weliswaar is vast komen te staan dat de veestapel van appellante in dat jaar is gevaccineerd met een vervuild vaccin, maar daarmee staat nog niet vast dat de vaccinatie heeft geleid tot het verlies van (bijna) de gehele veestapel. Daarvoor heeft appellante onvoldoende bewijs overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2697

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: R. Scholten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: C. Zieleman en mr. Y Groen)

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 10 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 6 maart 2020 heeft hij het College verzocht het fosfaatrecht van appellante te verhogen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst en appellante de gelegenheid geboden om nadere stukken in te dienen. Die gelegenheid heeft appellante op 12 maart 2020 benut.

Bij brief van 4 mei 2020 heeft verweerder op de nadere stukken gereageerd, waarop appellante bij brief van 29 mei 2020 heeft gereageerd.

Op 22 juni 2020 is het onderzoek ter zitting voortgezet. Appellante heeft aan de zittingen telkens deelgenomen, bijgestaan door haar gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich steeds laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw verhoogt de minister op een daartoe strekkend verzoek het op het bedrijf rustende fosfaatrecht, indien appellant aantoont dat het fosfaatrecht minimaal 5% lager is (de 5%-drempel) door, voor zover hier van belang, diergezondheidsproblemen en/of ziekte of overlijden van een bloedverwant in de eerste graad.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveebedrijf op het landgoed [naam 3] in [plaats] . Haar veestapel bestaat uit Maas-Rijn-IJssel (MRIJ) vee en Groninger Blaarkoppen.

2.2

Op 28 maart 2018 heeft appellante een beroep gedaan op artikel 23, zesde lid, van de Msw vanwege de vaccinatie van haar veestapel in 1998 met een vervuild vaccin. Ook heeft zij verweerder verzocht rekening te houden met de mantelzorg die zij verrichtte voor haar ouders in de periodes van 2007 tot 2009 en van 2012 tot 2014, het overlijden van haar vader op 1 juni 2009, het overlijden van haar moeder op 26 mei 2015 en haar tijdelijke arbeidsongeschiktheid in de periode van 20 mei 2014 tot 20 mei 2015 als gevolg van een chronische ziekte.

2.3

Op 2 juli 2015 hield appellante 29 melk- en kalfkoeien en 27 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder en omvang van het geschil

3.1

Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante aanvankelijk vastgesteld op 1.441 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder rekening gehouden met vervoederde melk en het fosfaatrecht van appellante verhoogd naar 1.461 kg.

3.2

Bij de brief van 6 maart 2020 heeft verweerder bericht dat het fosfaatrecht in verband met de ziekte en het overlijden van de ouders van appellante op grond van de knelgevallenregeling naar 1.820 kg moet worden verhoogd. Verweerder gaat daarbij uit van 1 januari 2009 als alternatieve peildatum.

Beroepsgrond

4. Appellante vraagt een alternatieve peildatum in 1998 te hanteren. In dat jaar heeft appellante haar veestapel ingeënt tegen Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR). Uit een rapport van het European Medicines Evaluation Agency (EMEA) blijkt dat het daarbij gebruikte vaccin was besmet met Bovine Virus Diarree (BVD). Hierdoor is bijna de gehele veestapel besmet geraakt met de slijtersziekte en in de daarop volgende jaren afgevoerd. Vervolgens brak mond-en-klauwzeer uit in Nederland waardoor appellante geen dieren kon aankopen van het (zeldzame) ras dat zij hield, mede doordat zij (om de verworven status te behouden) alleen vee kan aankopen dat de hoogste dierziekvrije status heeft. De groei van haar veestapel door eigen aanwas, is door de mantelzorg voor haar ouders, het overlijden van haar vader in 2009, het overlijden van haar moeder in 2014 en haar tijdelijke arbeidsongeschiktheid in mei 2014 niet gelukt.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder voert aan dat inenting met een met BVD vervuild vaccin niet onontkoombaar leidt tot een uitbraak van die ziekte onder het geënte vee. Appellante heeft geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat haar veestapel na de vaccinatie verschijnselen van het BVD-virus had, dan wel andere klachten gerelateerd aan een vervuild vaccin. De enkele constatering dat appellante in 2000 minder melkgevende dieren had, is onvoldoende als bewijs dat de veestapel ziek is geworden door het vaccin.

5.2

Gelet op het lange tijdsverloop ligt het bovendien weinig voor de hand dat de situatie op 2 juli 2015 (nog) werd bepaald door de vaccinering in 1998. Appellante heeft ruimschoots de tijd gehad om haar veestapel weer op niveau te brengen. Voor zover appellante stelt dat haar chronische ziekte van invloed is geweest op het herstel van haar veestapel, is verweerder van mening dat de ziekte onderdeel is geworden van de bedrijfsvoering. Dit is enkel anders in het geval van een ernstige opleving van de ziekte, zoals zich heeft voorgedaan in 2013 en 2014 toen appellante tijdelijk arbeidsongeschikt is geraakt.

Beoordeling

6.1

Uit de door appellante overgelegde melkcontrole-uitslagen blijkt dat het aantal melkgevende koeien in 1998 en 1999 ongeveer gelijk was (35-38 dieren). Vanaf augustus 2000 daalt het aantal melkgevende dieren naar 7 tot 10 dieren. Uit het door appellante zelf gemaakte overzicht blijkt dat zij in de jaren 1990 tot en met 1997 gemiddeld ruim 56 melkkoeien en (ruim) 42 stuks jongvee hield. Vanaf 1 januari 1999 daalt dat aantal enigszins. Tot 1 januari 2004 is de omvang van de veestapel meer dan 44 melkkoeien en ruim 46 stuks jongvee. Vanaf medio 2004 reduceert het aantal melkkoeien duidelijk naar rond 30 dieren.

6.2

Uit het rapport van het EMEA blijkt dat de enige batch die in Nederland in 1998 op de markt was, verontreinigd was met het BVD-virus. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de veestapel van appellante moet zijn gevaccineerd met een vervuild vaccin. Daarmee staat echter nog niet vast dat de vaccinatie heeft geleid tot het verlies van (bijna) de gehele veestapel.

6.3

Appellante heeft geen (veterinair) bewijs overgelegd waaruit blijkt dat haar dieren door de vaccinatie zijn overleden, ziek zijn geworden of ziekteverschijnselen hebben kregen.

6.4

Uit het onderzoek van het EMEA komt naar voren dat in 1999 als gevolg van het vervuilde vaccin (direct) ziekteverschijnselen en sterfte onder het vee optraden. Dat deed zich in de kudde van appellante niet (aantoonbaar) voor. Appellante stelt dat haar veestapel als gevolg van de besmette enting nagenoeg volledig (behalve vijf niet geënte kalveren) verloren ging, maar die bewering vindt geen steun in het bewijsmateriaal. Integendeel, de stallijsten laten zien dat de veestapel op geen enkel moment in de tijd tot (nagenoeg) nul is gereduceerd. Het aantal melkgevende koeien vanaf augustus 2000 staat, dat moet appellante worden toegegeven, in een opvallend contrast tot de gemiddeld in dat jaar meer dan 46 gehouden melkkoeien. Maar dat vormt geen sluitend bewijs dat dit werd veroorzaakt door een ziekte onder de dieren.

6.5

Appellante draagt de bewijslast en daarmee het bewijsrisico. Dat betekent dat de beroepsgrond niet slaagt.

Slotsom

7.1

Het beroep is gegrond. Gelet op verweerders nadere standpunt in de brief van 6 maart 2020, zal het College het bestreden besluit vernietigen en zelf het fosfaatrecht vaststellen op 1.820 kg.

7.2

Het College veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een nadere reactie, 0,5 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 1.820 kg en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het griffierecht van € 170,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot € 1.575,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2020.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen De griffier is verhinderd te ondertekenen