Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:431

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
18/2758
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Het bewijs dat appellant heeft geleverd, toont aan dat zijn bedrijf in 2015 kampte met een uitbraak van BVD. Van BVD is bekend dat het een negatieve invloed kan hebben op de melkproductie. De in 2015 opgetreden besmetting betekent dat de representativiteit van de melkproductie over 2015 niet langer als vanzelfsprekend kan worden aangenomen. Dat vormt hier aanleiding om voor de melkproductie uit te wijken naar een jaar waarvan de representativiteit niet (aantoonbaar) is aangetast. In dit geval is 2014, anders dan appellant betoogt, daarvoor het meest in aanmerking komende jaar. De melkproductie van 2014 is ontoereikend om de 5%-drempel te slechten. Dit is met een andere alternatieve peildatum in de periode vanaf de geboorte van de BVD-drager tot de peildatum niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2758

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. E.U.H. van de Schepop),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Groen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 17 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder op het bezwaar van appellant beslist en met herroeping van het primaire besluit het fosfaatrecht verhoogd.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 4 juni 2020. Daaraan hebben deelgenomen appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] , en namens verweerder zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd (het reguliere fosfaatrecht).

1.2

Artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt dat verweerder het fosfaatrecht verhoogt indien een landbouwer aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal 5% lager is (5%-drempel) door, voor zover van belang, dierziekte (de knelgevallenregeling).

Feiten

2. Appellant exploiteert een gemengde veehouderij met melkkoeien en vleesvarkens, in combinatie met een boerderijwinkel. Op 2 juli 2015 hield hij 39 melk- en kalfkoeien en 44 stuks jongvee. Op 8 maart 2018 heeft appellant een melding bijzondere omstandigheden gedaan in verband met een uitbraak van Bovine Virus Diarree (BVD). Als ingangsdatum van de dierziekte heeft appellant 21 februari 2015 opgegeven.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 2.139 kg en is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren en een gemiddelde melkproductie van 6.366 kg per koe. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het fosfaatrecht verhoogd naar 2.167 kg, uitgaande van een gemiddelde melkproductie (na verhoging met 730 kg in verband met eigen consumptie) van 6.383 kg.

Beroepsgronden

4. Appellant voert thans nog aan dat bij de toepassing van de knelgevallenregeling rekening dient te worden gehouden met de melkproductie over de periode 1 september 2018 tot en met 31 augustus 2019 en de dieraantallen op 10 mei 2015, omdat vanaf die laatste dag de gevolgen van de BVD tot uiting kwamen. Hij verwijst hiervoor naar een uitspraak van het College van 19 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:587.

Standpunt van verweerder

5. Als begin 2018 bij een 2,5 jaar oud dier een BVD-infectie is vastgesteld, ziet verweerder daarin niet het bewijs dat het BVD-virus al in 2015 op het bedrijf van appellant aanwezig was. Indien het geïnfecteerde dier tijdens de dracht geïnfecteerd is geraakt, zou dit vanaf 21 februari 2015 het geval zijn. De melkproductie over 2015 is in dat geval niet representatief, maar voor de berekening kan dan gebruik worden gemaakt van de melkproductie in het jaar voorafgaand aan het intreden van de dierziekte, zijnde 2014. Op basis van de dieraantallen op 21 februari 2015 en de melkproductie over 2014, voldoet appellant niet aan de 5%-drempel.

Beoordeling

6.1.1

Appellant beroept zich op een verklaring van zijn dierenarts van 29 januari (het College leest:) 2018 dat begin 2018 een op 21 november 2015 geboren BVD-drager was gevonden. Deze dierenarts schrijft in een op 1 december 2019 afgegeven verklaring:

“Ondergetekende (…) is sinds december 2017 dierenarts op het bedrijf (…). Er waren op dat moment al langere tijd gezondheidsproblemen (…).De aangetoonde BVD-drager was ruim 2 jaar oud (…) wat betekende dat de infectie van de moeder tijdens de dracht (…) had plaats gevonden en BVD dus minimaal al 2,5 jaar op het bedrijf aanwezig was.”

6.1.2

Deze verklaring vormt naar het oordeel van het College afdoende bewijs dat de moeder van de in januari 2018 gevonden BVD-drager tijdens de eerste periode van de dracht is besmet. De inseminatie van de moeder heeft eind februari 2015 plaats gevonden. Partijen zijn het er over eens dat dit op het bedrijf van appellant is gebeurd.

6.1.3

BVD is een besmettelijke infectie onder rundvee door een pestvirus. De infectie verspreidt zich van dier tot dier (een transïente infectie) door de mond of via de neus. Enkele dagen na de infectie gaat het besmette dier 2 tot 3 weken BVD-virus uitscheiden totdat het dier de infectie heeft overwonnen en antistoffen heeft aangemaakt. Hierna is het dier normaal gesproken immuun voor herbesmetting. Dat is anders bij zogenoemde BVD‑dragers omdat zij levenslang permanent het virus uitscheiden. Een BVD-drager ontstaat door besmetting van de vrucht in de baarmoeder tussen dag 30 en 125 van de dracht. De vrucht behandelt die virusdeeltjes als lichaamseigen (omdat het immuunsysteem van het kalf pas na 125 dagen is ontwikkeld) en daarmee resulteert die infectie in de geboorte van een BVD-drager.

6.1.4

De ontdekking van een, op het bedrijf van appellant in november 2015 geboren, BVD‑drager in januari 2018 bewijst dus dat de moeder ergens in de periode eind maart tot eind juli 2015 besmet is geraakt, zonder dat daarbij een precieze datum valt aan te wijzen. De door appellant zelf in zijn melding opgegeven historische peildatum 21 februari 2015 valt buiten deze besmettingsperiode.

6.2

Van BVD is bekend dat het een negatieve invloed kan hebben op de melkproductie. De in 2015 opgetreden besmetting betekent dat de representativiteit van de melkproductie over 2015 niet langer als vanzelfsprekend kan worden aangenomen. Dat vormt hier aanleiding om voor de melkproductie uit te wijken naar een jaar waarvan de representativiteit niet (aantoonbaar) is aangetast. In dit geval is 2014, anders dan appellant betoogt, daarvoor het meest in aanmerking komende jaar. In dat jaar heeft appellant 226.254 kg melk aan de fabriek geleverd, geproduceerd met gemiddeld 34,1 melk- en kalfkoeien. Dat betekent dat, inclusief 730 kg melk voor eigen gebruik, de gemiddelde melkgift in dat jaar afgerond naar boven 6.657 kg per koe bedroeg. Bij die melkgift hoort een fosfaatexcretieforfait van 36,9 kg, 0,7 kg hoger dan waarvan verweerder is uitgegaan. Dat betekent dat het fosfaatrecht van appellant, uitgaande van de dieraantallen op 2 juli 2015, 39 x 0,7 kg = 27,3 kg (iets meer dan 1%) hoger zou uitvallen. Dat is ontoereikend om de 5%-drempel te slechten. Dit is met een alternatieve peildatum in de periode vanaf de geboorte van de BVD-drager tot de peildatum niet anders.

6.3

Al met al is de conclusie dat het bestreden besluit weliswaar onjuist is gemotiveerd, maar dat de einduitkomst niet wijzigt. Verweerder heeft terecht het beroep op de knelgevallenregeling afgewezen. Het beroep is gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

6.4

Het College zal verweerder veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten begroot het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de deelname aan de zitting, met een waarde van € 525,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak de ondertekenen.